10-04-18

BLONDE WOEDE

BLONDE WOEDE

Hij hield van zwart haar. En toch viel hij twee jaar lang op blond: een klassiek blond, halflang bobkapsel. Intens mooi. Genre femme non-fatale. Maar niet wanneer haar kin boekdelen sprak. De momenten waarop ze hem haatte uit de grond van haar hart werd haar kin een lelijk bakkes, waarbij ze zelfs de onderste batterij van haar tanden ontblootte in een soort van grimlach. Bovendien had haar hoofd, ondanks haar uitgesproken schoonheid, zo’n vorm dat hij haar op kwade dagen ‘kokkelkop’ noemde, tot haar tandenknarsende blonde woede. Ze verdacht hem er ook van dat hij het scheldwoord aan anderen verklapt had, want op haar eigen kwade dagen – o.a. de gevreesde bad hair days –  meende ze het k-woord her en der in haar omgeving gehoord te hebben. Had hij haar voor de eerste keer met zo’n baalkin en grimmige tandenfalanx ontmoet, dan was hij met een wijde boog om haar heen gelopen. Maar zo gebeurde het niet. Hij liep blindelings in de val, langs lijnen van geleidelijkheid. Zoals je zijde streelt en niet beseft dat je er ook gewurgd kunt door worden.

Haar ouders hadden haar dagboek ontdekt en erin gelezen. Die vondst was het extra resultaat van een interne zoektocht naar wat verdwenen huishoudgeld, maar betekende ook ernstige collateral damage voor haar. Het ging namelijk onder andere over hem. Ze kwamen te weten dat ze verliefd was op hem, een man die twee decennia ouder was dan zij en die haar nota bene lesgaf. Ellen hartje Jens. Rood alarm. Hij werd het ook. Jens hartje Ellen.

Het was niet zo dat ze elkaar ergens ontmoetten, op een bepaald tijdstip bijvoorbeeld dat romantische zielen levenslang onthouden en soms verbinden met ‘our song’. Ze zagen elkaar eerst drie jaar lang bijna dagelijks. Jens was docent Planologie en Cartografie aan het Hoger Instituut voor Ruimtelijke Wetenschappen. Ellen was een van zijn tweeëndertig studenten. Ze had een uitdrukkelijke voorkeur voor de laatste banken en ravotte ondanks haar leeftijd graag met een drietal jongens uit dezelfde groep. Een wildebras in een jeansbroek. Ongevaarlijk handtastelijk met de jonge mannen. Haar schoonheid begon hem pas later te verblinden, halfweg haar derde studiejaar. Aanvankelijk had hij alleen maar die eeuwige blonde staart en die eeuwige lok op haar voorhoofd gezien. Anders dan de vele meiden in de groep leek ze ook haar kleine borsten te camoufleren; ze liep er meestal hoog opgeknoopt bij. Van haar benen gaf ze nooit iets prijs, hoewel ze geregeld ging hardlopen. Waarschijnlijk was ze op haar middelbare school een lastpak geweest. Er waren bijwijlen nog naweeën zichtbaar. Ze deed er niks aan om geliefd te zijn. Nee, dat beweeglijke schepsel in die eeuwige jeans droeg zeker zijn voorkeur niet weg. En toch trof Jens op een ochtend nadat haar groep met twee andere docenten op een driedaagse studiereis naar Nederland was vertrokken een kattebelletje aan in zijn correspondentiebakje in de hall: Ik mis je. E.

Het verrassende snippertje (even later gevolgd door haar relaas over de ontdekking en inhoud van het dagboek, wat zijn ego zalfde) luidde twee jaren van liefde en ellende in. Op de feestelijke diploma-uitreiking – Ellen had inmiddels de vierjarige opleiding volbracht – kogelden haar ouders hem met hun ogen neer. Er deed zich zeer uitdrukkelijk geen enkel contact voor. Dave, haar potige vriend, was wegens zijn eigen finaal feest op een hogeschool voor accountants  niet aanwezig. Het verband tussen zijn vriendin en haar docent had hij altijd al interessant gevonden; meer zocht hij er niet achter – ze woonden immers ook in dezelfde streek en spraken wel eens na zijn wekelijkse sessie kickboksen in dezelfde cafés af, best leuk. Na de receptie ging Ellen nog apart met haar groep vieren, in een danszaaltje dat bij een studentencafé hoorde. Jens volgde haar, nadat haar ouders weer naar huis vertrokken waren. Ook daar floten hun de kogels om de oren, van vrijwel alle medestudenten. Ze waren immers toegetreden tot LOL, het Leger van de Ongeoorloofde Liefdes. De meerderheid van de jongelui veroordeelde de relatie; het zat er immers in dat ze extra hoge scores had gekregen voor Planologie en Cartografie. Bevrijd maar treurig reden de geliefden in zijn auto terug naar hun stad in het zuiden van de provincie – ze woonden in dezelfde lage streek. Enig wederzijds gefrunnik onderweg leidde tot moeizame achterbankseks op de parking van een verlaten Chinees restaurant.

Tijdens de eerste maanden van haar werkzoekende bestaan maakte Ellen het uit met Dave, de kerel die al drie jaar haar vriend was. Ze ging ook alleen wonen, op een door haar ouders betaald appartement. Het parkietje Frédérique hield haar gezelschap, meestal in een kooi die niet in verhouding was tot zijn futiel formaat, soms vogelvrij rondfladderend vierhoog. Jens bleef bij zijn postnucleair gezinnetje van 2,3 kinderen en een ‘meewerkende’ vrouw, die hij allerlei leugens op de mouw spelde, zichzelf sussend met de grote voorbeelden Kennedy, Mitterand en Clinton, annex regel 3 van de LOL-grondwet: ‘Liefde kent geen leeftijd’. Zijn kantoortje op het HIRW dertig kilometer verder en zijn opdrachten aldaar gebruikte hij als alibi om bij Ellen te zijn, hoewel ze meer en meer op café belandden – een gewoonte van zowel hem als haar van toen ze nog geen lid van LOL waren.

Alleen op café: oké. Met twee: maal twee. Niet gezond. De bruinebroodsweken waren voorbij. Weldra flambeerden ze het leeuwendeel van hun tijd samen in goedkope whisky – de ‘blended’ merken die cafébazen ondersteboven met zuinig verdeelsnuitje in hun zaak hangen hadden. Ze dronken te veel, rookten zich ademloos en gingen al vaker misnoegd en vloekend ieder huns weegs, boos zwerend dat ‘het’ gedaan was. ‘Het’ werd soms op verschillende wijze geïnterpreteerd, meeschommelend met het peil van hun dronkenschap. Het stappen. Het drinken. Het vrijen. Het niet-meer-vrijen. Jens werd het kotsbeu; Ellen kon er niet genoeg van krijgen. Ze had ondertussen immers een slaapverwekkende job in een administratie waar ze helemaal niet thuishoorde, omgeven door vooral oudere mannen.

Op een stormachtige valavond ging Jens haar onverwacht vierhoog opzoeken. Hij had gehoopt wat quality time samen bij haar thuis door te brengen – enkele gestolen uren vol liefde en begrip. Het moest een aangename verrassing betekenen. Surprise! De lift deed het niet. De videofoonoproep werd evenmin beantwoord. Vreemd. Bij aankomst na de klassieke trappenloop duurde het ook lang na zijn driewerf geklop vooraleer geknars aankondigde dat de deur geslaakt werd. Het verraste hoogrode gelaat van Ellen verscheen. Buiten adem legde ze uit waarom de deur op slot was. Maar waarom stond ook haar lectuurmand tussen de liftdeuren geprangd? Allemaal voorzorgsmaatregelen om te beletten dat iemand onverhoeds en te vlug naar boven en binnen zou komen, zo luidde het verward. Huisbaas… pa… Frédérique, Ellens huisparkietje, bleek namelijk niet terug in zijn kooi te willen. Het beestje kreeg af en toe de vrijheid, en kon gewoonlijk vrij vlot weer naar zijn getraliede bestaan gelokt worden. Niet zo die avond. Misschien zat de gierende wind er voor iets tussen. Ellen wrikte vlug de lectuurmand van tussen de liftdeuren terwijl Jens de appartementsdeur op een kiertje hield. Daarna doken ze ijlings naar binnen.

Noch samenwerkend gesluip noch onverhoedse uithalen noch lokmiddelen hielpen. Het pluim-V’tje Frédérique bleef koppig van uithoek naar uithoek fladderen, tot in de slaapkamer toe, waar wegens een foutieve levering nog geen deur voor voorzien was. Het bakkes van Ellen sprak boekdelen. Ze wou weer dringend gaan stappen, maar die stomme vogel belette dat. Molenwiekend en wapperend met haar handen bewaakte ze de toegang tot haar slaapkamer. Bij een bijna-botsing keek Jens haar doordringend aan en detecteerde een whiskykegel. Ze had alweer gedronken. De overspannen grijns op haar gezicht leek ook op hem betrekking te hebben – er hing gevaarlijke elektriciteit in de lucht. Naarmate de vogel zegevierde, groeide ook de vijandigheid tussen de geliefden.

‘Je wil er duidelijk weer dringend vandoor hé? En ik die dacht… ‘
‘Ik voel me hier soms… gekooid.’
‘Waarom wil je ook zo’n stomme vogel hier hé!?’
‘Dat moet hier godver niet lang meer duren! Jij de living en de keuken, ik de slaapkamer. Ik wil niet dat hij hier... Godver… ’
Wanneer ze de godvers bovenhaalde, daalde ze pijlsnel in zijn achting.
‘Dom pluimvee…’, hijgde hij, stuiterend door de woonruimte.
Eigenlijk was dat voor haar bedoeld.
‘Verdomde vogel… ‘
‘Kom… fwiet fwiet… kom Frédérique!’
Als boksers in de ring dansten ze om elkaar heen, maar dan in een idiote variant. De vogel was een symbolische prooi geworden; wie hem het eerst kon pakken, zou de komende uren heersen.
‘Kunnen we niet rustig afwachten tot… ‘
‘Zeg, ik zit hier al de hele avond hé… ‘
Een ola van blonde woede golfde eensklaps over haar ruggengraat.
‘Ik wil maar helpen hé.’
‘En ik heb dorst.’
‘Zin om weer te gaan stappen, bedoel je.’
Abrupt weer weggaan bood geen oplossing. Dan zou ze er wis en zeker alleen op uittrekken. Hij vermoedde zelfs dat ze wel vaker in haar eentje ging stappen.
‘Drinken we hier eerst iets?’
‘Pak maar.’
Ze hupte omhoog, graaide onhandig in de lucht en struikelde over de lectuurmand, die ze daarnet plompverloren midden in de woonkamer had neergepoot.
‘Au! Godver… ‘
‘Wil jij iets?’
‘Nee, ja, om het even.’
‘Ja, maar… Wat is het nu?‘
‘Help je nog, ja?’
Weer die grijns. Hoe kon iemand die zo mooi was plotseling zo lelijk worden. Hij klemde zijn lippen op elkaar teneinde het woord ‘kokkelkop’ niet te laten ontsnappen over de eindstreep van zijn mond, want dan zouden alle rapen gaar zijn.
‘Rustig! Ik ben er hé! Rustig.’
‘Rustig?? Hoe origineel. Heb je dat uit een film?’
‘Het is maar een vogeltje hé!’
‘Frédérique! Hier! Hier!’
Haar stem sloeg over; er stak een hese krop van woede in. Opstandig liet Jens zich in een kuipstoel zakken.
‘Geef je het op, ja?’
‘Hij vliegt er wel vanzelf weer in, die onnozelaar.’
‘Dan kunnen we zo weg. Eindelijk.’
‘Dus je zou er vanavond toch alleen op uitgetrokken zijn?’
‘Het is een vrij land. We hadden toch niet afgesproken?’
‘Dan had ik hier aan de deur gestaan… ‘
Ze keek hem drie seconden lang doordringend aan, stak tergend langzaam een sigaret op en plofte dan in de andere kuipstoel neer. Spotvogel Frédérique zeilde tussen ze in kwetterend naar de slaapkamer. Ellen sprong op en gooide haar sigaret in de asbak.
‘Ik ga wel! Ik weet waar hij gewoonlijk…’
‘Kijk: die heeft meer geluk dan ik. Hij kent al goed de weg. Is het eigenlijk een mannetje?’
‘Wat bedoel je daar nu mee?’
‘Pff… We kunnen het hier toch ook gezellig maken?’
‘Gezellig?’
‘Wel ja… ‘
Ze verdween hoofdschuddend naar de slaapkamer.
Jens fouilleerde zichzelf op sigaretten, maar vond er geen. Hij grabbelde haar sigaret uit de asbak, inhaleerde tweemaal na elkaar en gooide ze terug. Ze gloeide nog eens extra op, want er kwam nu plotseling tocht vanuit de slaapkamer. Ondertussen was Ellen weer verschenen, net op tijd om hem daarbij te betrappen.
‘Ik heb mijn pakje in de auto laten liggen.’
‘Kun je het niet gaan halen?’
Ze maakte geen aanstalten hem er een uit haar eigen pakje aan te bieden. Hij zakte terug in zijn kuipstoel en monsterde haar gezicht. Ze antwoordde weer met een grimlach, die dreigend over haar tanden droop.
‘De vogel is dus gevlogen,’ probeerde hij.
‘Ja,’ zei ze, met die korte heftige klemtoon die hij als een waarschuwing diende op te vatten.
‘Misschien is hij gaan slapen, hè hè. Wat doen we nu? Gaan we nog… ‘
Met een langgerekte zucht blies ze rook uit en deponeerde de sigaret weer netjes in de asbakgleuf. Even dwaalde zijn blik over haar bescheiden welvingen onder haar trui.
‘Misschien een film?’
Ze knikte en knikte niet. Ze zwegen.
‘Ivan van de Botchka geeft een vat vanavond,’ zei ze plotseling, weer levendig. ‘Voor de linksdrinkers. Very happy hour, tot het op is. We moeten ons haasten willen we erbij zijn.’
Ze schoof met een ruk naar het randje van haar stoel op, terwijl Jens gemaakt kreunend dieper in de zijne wegzakte.
‘O nee… ‘
‘And it’s a school night,’ meesmuilde ze spottend. ‘Komt ook uit een film.’
‘Wat moet ik doen om… ‘
‘ … om wat?’
‘… om… het wordt te veel… om… een normaal leven te hebben… cafés… bah... Het is woensdagavond! Kunnen we niet… En ik wou je gewoon eens verrassen…’
‘Wel, verras me dan en vang die vogel. Je bent toch lesgever Planologie en Cartografie?’ zei ze plotseling heftig, knikkend naar de slaapkamer.
Jens negeerde de sneer.
‘Blijven we dan hier vanavond?’
‘Als je Frédérique kunt pakken.’
‘It’s a deal. Alweer uit een film.’
‘Wel dan.’
Ellen peddelde met haar voeten haar stoel richting tv en knipte het vroege journaal aan. Hij bleef haar nog even stout aanstaren, maar ze keek star voor zich uit, blindelings naar haar sigaret in de asbak tastend.

Jens stond op en ging naar de slaapkamer, de afwezigheid van een deur vervloekend. Tot zijn stomme verbazing stond het grote raam naast de brandtrap open.
‘Maar waarom heb je… Hoe komt… ‘
Er kwam geen reactie uit de woonkamer.
Hoe was dat nu mogelijk? Verdomde kokkelkop. Het gevederde serpentje zelf zat uitdagend boven op de gordijnrail. Zijn kraaloogjes hielden hem hooghartig in de gaten. Jens stapte omzichtig naderbij, zakte door zijn knieën en pakte blindelings het hoofdkussen van het bed. De vogel keek belangstellend toe, nog niet beseffend dat zijn laatste minuut waarschijnlijk geslagen was.

Ellen keek opzij bij de eerste doffe klap.
‘Dat was het dan,’ dacht ze.
Ze deed een laatste haal aan haar sigaret. Na de tweede klap, vergezeld van een gesmoorde schreeuw, haastte ze zich tandenknarsend naar de slaapkamer. Een verschrikt kwetterende Frédérique scheerde rakelings langs haar hoofd, recht zijn kooi in de woonkamer in.