28-12-17

MAAR...

MAAR …    
                                                                                    

Killmouski wandelde onopvallend over het zonovergoten Dennisplein.

‘Wat!? Wat is dat!? Hoe kan dat nu: onopvallend wandelen?? Doe dat eens voor, ja? Vooruit! En zonovergoten graag, dat we het allemaal onopvallend heel goed zien!’ tierde de docent Creatief Schrijven.
‘En nog iets… ‘ brieste hij door. ‘Wie… wie… o boeiende wie mag er dan wel op dat zonnige Dennisplein wonen hé?! Hé, schrijvelaar? Meneer Tennis misschien? In bed met mevrouw Ace? Is het van dat, ja? Laat me niet stikken van het lachen hé! Noem jij dat schrijven??’
‘Maar… ‘
‘En Killmouski? Killmouski!? Is dat een undercovernaam misschien? Ik noem dat een woordspeling met snorharen. Hoe bestaat het!’
‘Maar… ‘
‘Vooruit: opnieuw. Iets anders. Schone lei. Proper doekje. Verse luier. Nieuwe braakbal. Of zijn dat te moeilijke metaforen voor je?’

Vera verft haar teennagels rood. Negen maanden later wordt haar zoontje Brad geboren.

‘Maar waarom in hemelsnaam toch altijd weer van die filmsternamen, verdomme! Het was eeuwenlang Jan en Jantje geblazen, en heden ten dage is ’t van Bent en Brent en Jack en Puck en Suck en Brad en… godgenageld Bad Pritt allemaal!’ oreerde de docent Creatief Schrijven.
‘Maar… ‘
‘Te veel tv gekeken, ja? En waarom die ellendige tegenwoordige tijd gebruiken? Is er iets mis met de onvoltooid verleden tijd misschien? Een slechte jeugd gehad, ja? Ooit een schoothondje uit je kopje melk zien likken en nooit meer klaargekomen met de middeleeuwen uit je leven? Is het van dat?’
‘Maar… ‘
‘En rood… rood! Wie verft nu nog haar nagels rood! Bang voor blauw, pennenridder?’

Toen hij de slaapkamer binnenkwam, rezen zijn haren te berge.

‘Zijn haren!? Zijn haren godgenageld!? Moet er in een slaapkamer godverongelukt niet iets anders te berge rijzen? Wat voor Ikea-gedoe is dat nu weer?’ raasde de docent Creatief Schrijven.
‘Maar… ‘
‘Is dat die Killmouski met zijn snorharen weer misschien? Of ligt er een wijf in bed met baard en snor en zes tenen aan elke poot? Zeven pillen prozac heb ik nodig om dat proza onbeschadigd te doorstaan!’
‘Maar… ‘
‘Te veel Bouquetreeksboekjes verslonden? Is het dat? Gecontamineerd met pulp, ja? Is dat de trend? Een nieuwe Hemingway ben je niet hé vriend. Hoeveel woorden moet ik er nog aan vuilmaken? Zou je je niet beter concentreren op een ander aspect van de papierindustrie? Behangrollen verkopen bijvoorbeeld?’

Ter plekke afgestapt, merkten we dat de wagen met de nummerplaat CEH921 wel degelijk een purperen streep vertoonde.

‘Nu nog beter!’ brulde de docent Creatief Schrijven. ‘Afstappen!? Ter plekke dan nog wel?? Waar zou jij anders wel afstappen, hé?’
‘Maar… ‘
‘En dan die verrekte nummerplaat!’ fulmineerde hij door. ’Een cliché als een kathedraal met duivenstront op! De auto met nummerplaat peut-peut-peut-peut-peut-peut wordt ervan verwittigd dat zijn schroothoop verkeerd geparkeerd is en ter plekke in de weg staat! Getverdegetverdegetver!’
‘Maar… ‘
‘En dat purper dan, godgenageld! Moet je bij de paus op audiëntie misschien? Trek dan alvast maar een bruin remspoor in je onderbroek. En naar het autokerkhof met dat lelijk wrak! Wegslepen die handel! Gezakt voor de keuring. Opnieuw!’

‘Maar ik wil niet opnieuw!’
‘Eh?’
‘Ik wil niet opnieuw. Ik zit… ‘
‘Zeg: je betaalt toch om bij te leren hé!’
‘Maar nee! Mijn… ‘
‘Wil je schrijven of wil je niet schrijven?’
‘Maar ja!’
‘Ewel dan?’
‘Politioneel schrijven.’
‘Eh? Come again?’
‘Mijn directie schreef me in voor een cursus Politioneel Notities Nemen.’
‘Maar… ‘
‘Jaja… Vandaar die nummerplaat hé. En die slaapkamer. De rest was training. Flikkenproza hé.’
‘Sodeju… sodeju… ‘
‘In welk lokaal gaat dat door?Als ik vragen mag?’
‘Godverdegodverdegodver… ‘
‘Niet vloeken, of ik schrijf een proces-verbaal. Dat heb ik intussen wel al onder de knie. En in de vingers. En het is geen fictie! Ik ben in functie!’
‘Maar… ‘ stamelde de docent Creatief Schrijven verbouwereerd.

18-12-17

EEN KRAAI IN CADZAND

EEN KRAAI IN CADZAND

 

Er stond een harde krokuswind boven op de wandeldijk in Cadzand. Op het strand zelf bevonden zich bij dat grijze weer slechts enkele mensen: twee vissers, een stel vers-verliefden en een dapper gezondheidsgezinnetje. Op het hoge wandelpad viel omzeggens niemand te bespeuren. Heel af en toe passeerde iemand: de haren steil achterovergeharkt tegen de strakke wind in wadend, of vooruit gestuwd door rugwind gekke passen nemend. Alleen boven strandrestaurant De Piraat kringelde wat rook, onmiddellijk weer neergeslagen en weggeblazen door de wind. De andere strandpaviljoenen waren gesloten. Sprokkelmaand op het strand van Cadzand: vierkante kilometers eenzaamheid gegarandeerd. Zielenzalf!

Echter!

Vanuit westelijke richting (rugwind) naderden een vrouw en een kind. Vanuit oostelijke richting (tegenwind) naderde een man. Verscholen in het struikgewas keek een kraai toe op het onvermijdelijke. De vrouw en het kind konden heel erg bang worden voor de immer groter wordende gedaante. De man kon ongestoord zijn duistere gang gaan, onttrokken aan het zicht door het struikgewas, beschermd door afstand en het barre weer. De kraalogen van de kraai volgden de drie personages uit dat vreselijke verhaal. Nog twintig meter scheidden de vrouw en het kind (een meisje, merkte de kraai nu) en de man van de fatale ontmoeting. De kraai hield zich roerloos. Hij voelde perfect aan wat er zou gebeuren. De grijswaarde van de lucht kreeg een Golgotha-dimensie. Er zou zich een gruwzaam voldongen feit voordoen boven op de wandeldijk in Cadzand, en de hele wereld (mensen, meeuwen) zou het eerst uitschreeuwen en zou vervolgens in diepe rouw gedompeld worden.

En aldus geschiedde.

De kraai vloog op en verspreidde vliegensvlug het nieuws: hoe de vrouw zo bang was geworden dat zij ter hoogte van de man haar mes had getrokken en dat kort na elkaar tot driemaal toe heftig in zijn rug had geploft, het mes in de struiken had gegooid (vlak naast de kraai), het kind bij de hand had genomen en het op een lopen had gezet.