10-11-17

RACH 3

RACH 3

 

(EEN PIANO VERHUIZEN)

 

Was aan deze wirwar van hamertjes en snaren en blokjes hout en luchtledigheid ooit Rachmaninov ontlokt? Everart zonk door zijn knieën op de koude vloer en overschouwde wanhopig het slagveld. Schaakspel was kinderspel. Een tot in al zijn vezels gedemonteerde piano was een kunstramp. Dissectie was voor beroeps. Everart had geen zicht meer op de nochtans zo secuur gevolgde volgorde, zo secuur dat het wanorde werd door één onverwachte mep met zijn linkervoet in de mikmak van onderdeeltjes. De zo fraai op de vloer uitgestalde golvende beweging van de hamertjes, the right thing in the right place, geconstrueerd zoals Rachmaninov het gewild zou hebben, vormde nu een krijsende puzzel. Ook andere onderdelen, klein en groot, hadden in de mep gedeeld. Deze piano zou nooit meer zichzelf zijn.

Iets vernietigen kon zoveel vlugger en grondiger dan iets op te bouwen.

Everart zuchtte diep; stof van de vorige eeuw wolkte van een van de ontmantelde zijwanden van de piano. Hij steunde met zijn linkerhand op zijn linkerknie en krikte zichzelf weer op mensenhoogte.

Een moeilijke partituur, waarvan de noten en alles wat ertussen hoorde, weggeblazen waren door een verbolgen vertolker.

Een bomaanslag ter hoogte van de navel van de Koningin-Elisabethwedstrijd.

Een antiek meubel dat weer struikgewas geworden was.

Everart had nooit van zijn leven piano gespeeld. Vader, jaren geleden op een mistige nazomerochtend voorgoed van zijn moto weggeplukt, was vinkenzetter geweest. Moeder zong heden ongecomponeerde noten in Stella Maris, onderdak voor oudere ontheemde geesten. Everart, vrucht van dit alles, zevenendertig, zuchtte nog eens diep. Hij mepte de Humo open. Boos zocht hij zich een weg naar de televisieprogramma’s van die avond. Een onvolkomen voorwerp in zijn biotoop maakte hem altijd boos. Bijvoorbeeld een klok die het exacte tijdstip niet meer verklapte. Wrong time in the right place. Het watervalletje in de toiletpot dat verdacht ruisen bleef. Die godverongelukte piano.

‘Het gezin Van Paemel’, Vlaams familiedrama, 20 uur 45. Er was een minuscuul fotootje bij: een vader en een zoon zaten dreigend tegenover elkaar aan tafel pap te lepelen. Eronder stond: ‘Een landbouwersgezin uit Vlaanderen’. Everart staarde nog even droevig naar de ingewanden van het muziekmeubel en zonk daarna in de kuipfauteuil neer, zapper in de aanslag.

Men wil wel een piano in huis, gezellig, artistiekerig, zo daar plaats voor is. Ook al veroorzaakt men daar nimmer een zinvolle notenvolgorde op. Als het muzische meubel zich dan ook nog eens gratis aandient – alternatief: het stort, de kringloopwinkel, een haard – hapt men natuurlijk toe.

‘Hier – gij krijgt de piano, mij krijgt ge niet meer – ge moet ‘m wel zelf komen ophalen, en nu uit m’n ogen’.

Everart hokte al jaren met zichzelf samen, drie hoog in Vrijzicht, S.Stevinstraat 18/3B. Met de badmintonmaten Jan en Wouter en diens in laatste instantie nog opgevorderde vader hadden ze de piano naar boven proberen te zeulen. Noch de lift, noch de trap boden uitsluitsel daaromtrent. Het ging niet. Een verhuisfirma met desbetreffende lift kwam niet in aanmerking: het appartement 3B bevond zich aan de onbereikbare achterkant van Vrijzicht, met zicht op zoiets als een tuin. Uitgesloten. Daarenboven stond het onding al overmoedig beneden in het halletje te wachten op zijn hemelvaart naar de derde verdieping, iedereen hinderend. Dus: koe bij de horens, ontmantelen, demonteren, verdelen en heersen. Daartoe werd het meubel weer naar buiten gerold, waar het voor het aanschijn van de mensheid op het trottoir verkaveld werd en vervolgens in partikels naar boven gedragen. Nadat de vrijwilligers weer vertrokken waren – koffie, cola, bier, boudoirs, maar er waren grenzen aan vrijwilligheid – zat Everart met de gebakken peren. ‘Ze zouden wel weer eens aanlopen met wat meer tijd’. Onvoorziene omstandigheden. De bezitter van het nieuwe oude meubel moest het stellen met een vlugge reconstructie van de moeilijkst uitziende onderdelen van het ingewikkelde karkas.

‘Hier – gij krijgt de piano, mij krijgt ge niet meer – ge moet ‘m wel zelf komen ophalen, en nu uit m’n ogen’.

De piano moest weg ten huize van Micheline Bracke, lerares Frans, bijna vijftig, eeuwen al gescheiden, geen nageslacht, zang- en pianohobbyiste. Het ding was al geruime tijd een doorn in haar oog; het palmde de plaats in van een zonnebank die er nog niet stond. Wie anders dan haar oud-leerling Everart kon zich ontfermen over het artistieke ruimteverslindende meubel? Ettelijke keren had hij haar Rach 3-uitvoering meegemaakt op het ding. Ettelijke keren ook hadden ze de liefde bedreven bij een cd-versie van Rach 3; Micheline had er vijf verschillende van. Ze beweerde van zichzelf dat ze het stuk beheerste. Everart, filistijn waar het muziek betrof, kon daar niet over oordelen. Wel twijfelde hij aan haar muzikale capaciteiten, na het bekijken van een film over een gek geworden vertolker van Rach 3. Bleek ook dat bijna niemand het aartsmoeilijke stuk meesterlijk onder de knie kon krijgen, en als dat al het geval was, werd men gek. Het enige wat Everart overigens met het stuk associeerde, was seks. Hij reageerde op Rach 3 als een Pavloviaanse hond op een belsignaal. En Micheline ‘beheerste het stuk’. Toen hij op een avond zijn oud-lerares ‘eventjes eerlijk’ kond deed van zijn twijfel over haar Rachmaninov-uitvoering, verloor en won hij in een klap een minnares en een piano.

‘Hier – gij krijgt de piano, mij krijgt ge niet meer – ge moet ‘m wel zelf komen ophalen, en nu uit m’n ogen. Trouwens, ik ga hier een zonnebank zetten’.

Everart was tipsy geweest. Zij had ook gedronken. Hij trok zijn half afgepelde kleren weer aan en hoopte dat het een van haar bekende kuren was.

‘Maar allez Micheline … !’
‘Weg zeg ik u! Onmiddellijk! De sleutel zal op de gewone plaats liggen, nog twee weken. Bel mij op om te zeggen wanneer ge dat ding daar (ze knikte minachtend naar het meubel) komt ophalen, ge moet maar voor volk zorgen, ik zal maken dat ik er dan niet ben, ik moet u niet meer zien’.
Hij deed zijn bovenste knoopje dan ook maar dicht.
‘Maar Micheline, ik … ‘
‘Eruit, Everart!’      
Ze kwam niet meer op haar beslissing terug. De dronken oprisping was de lava geweest van een borrelende berg. De donkere Rachmaninov-hoek ten huize van Micheline Bracke zou binnenkort blakeren van kunstmatige zon. Everart: afwezigheid, ontstentenis, ontbreking.

Drie weken na elkaar schudde Everart mistroostig en schouderophalend nee toen Jan en Wouter in de kleedkamer informeerden naar de piano. Toen dat de vierde week nog zo was, sloegen ze eerst gewoontegetrouw anderhalf uur shuttles naar elkaar en vergezelden ze daarna vriend Everart naar Vrijzicht, S.Stevinstraat 18/3B. Ze troffen er het slagveldje aan zoals ze het een maand daarvoor verlaten hadden: een heksenketel van ongeordende moleculen.

‘Do-re-mi-fa-sol-la-si-do’, zong Wouter vals.
‘De Negende van Beethoven ondersteboven en achterstevoren’, zei Jan.
Everart glimlachte wrang. Koffie, cola, bier, boudoirs: ze togen aan het werk, alle beschikbare kunstlichten aan. Het liep al tegen middernacht toen het muzische ding weer in elkaar stak, met uitzondering van een geheimzinnig stukje hout dat was overgeschoten.
‘De appendicitis, ha ha'.
Bij aanraking van de meeste toetsen ontwaarde men klank.
‘De patiënt heeft het gehaald”.
‘Jij speelt toch geen piano hé, Everart?’
‘Nee, het is mij om het meubel te doen’.
‘Jaja’.

Na gedane zaken bleek echter dat het meubel waar het Everart om te doen was nergens paste in het interieur. Overal was het te groot voor, te breed, te lomp, te lang. Geen nis, geen hoek, geen erker, geen vrij stuk muur bood nestmogelijkheid. Noodgedwongen bleef het ding als een dronken geparkeerde auto haaks op alles en nog wat in deze biotoop staan. Een vreemd, thuisloos voorwerp, niet van hier, op zoek naar asiel. Het was er eindelijk in, maar nu kon het er ook helemaal niet meer uit. Nadat de laatste desbetreffende metingen en constateringen definitief achter de rug waren, begon Wouter een treurmars te fluiten. Jan plantte een badmintonshuttle op zijn neus en trommelde pijnlijke klankenreeksen op het oude gebit van het muziekmeubel. Everart zonk zwetend op een stoel neer en trok met een plofje zijn derde blik cola open.
‘Die godverdommese piano’, zei hij, er ontsnapte daarbij wat cola van tussen zijn lippen.
‘Die lerares wou zeker dat ding dringend buiten’, merkte Jan op. ‘Ze heeft alleszins de goedkoopste verhuizers gevonden’.
‘Jammer dat er geen obligaties in de kast verborgen zaten’.
‘Ze vertrouwt jou wel zeg, Everart, dat je daar zomaar binnen kunt als ze niet thuis is. Boontje? Beste van de klas? Lievelingskindje geweest? Al die jaren gebleven?’
‘Ja, en die sleutel onder de mat is ook wel een klassiekertje’.
‘Verre familie’, loog Everart. ‘En die sleutel ligt er niet altijd hoor’.
Drie minuten na de klok op de nabijgelegen St. Medard-toren gaf ook zijn lelijk Iers wandhorloge in de keuken met licht gekras het middernachtelijke uur aan. In een aanval van ernst verklaarde Wouter: ‘Je zult er maar mee opgescheept zitten, met zo’n oud meubel’.
‘Bedoel je de piano, Wouter?’ informeerde Jan.

Na zijn dagtaak aan de balie van de Stedelijke Parkeerdienst Parko vermeed Everart angstvallig het Minneplein, waar mevrouw Micheline Bracke een ruime rijwoning betrok. Dat wil zeggen: hij maakte bij het naar huis gaan allerlei andere omwegen en kronkels, niet zoals gewoonlijk, zodat hij heel zeker geen gebruik van het Minneplein hoefde te maken, maar misschien toch de kans liep gezien te worden door Micheline. Of zelf te zien, maar daar durfde hij maar huiverend aan te denken. Everart ‘beschreef’ dagelijks ‘omtrekkende bewegingen’ die gedicteerd werden door een cocktail van liefdessmart, weemoed, verlangen naar geborgenheid, gemis aan vertrouwde seks.

Op donderdagvalavonden zocht hij zijn vrouwelijke verwekker in Stella Maris op. Dat betekende een grote omtrekkende beweging.
‘Dag ma!’
‘Gerard, jongen’.
‘Hoe gaat het ma?’
‘Zo’n Spaanse hofdame had voortdurend een aapje bij zich, om toch maar de mooiste van de twee te kunnen zijn’.
‘Ik ben je toegewijde aapje, ma. Er is niemand anders. Heb je alles? Krijg je voldoende te eten?’
‘Meer dan twee soorten bloemen op tafel: fout. Dan denken ze dat je die nog vlug uit de winkel bent gaan halen, neen: die moeten uit je tuin komen’.
‘Groot gelijk, ma’.
‘Te veel slagroom’.
‘Ik heb nu een piano, ma’.
‘ - - - ‘
‘Natuurlijk niet om op te spelen’.
‘God zweeg ook van het moment dat ze er in de Bijbel over gingen schrijven’.
‘Het was een hele klus om die te verhuizen. Zo’n puzzel zeg!’
‘Ik wilde wel helpen’.
‘Duurt de siësta hier wel lang genoeg, ma?’
‘Een inktzwarte neger die uit een paarse auto stapte, graaide naar een duif in de lucht en kukelde – plets! – met gespreide handen voorover. Het was op de Italiaanse markt in Kortrijk. Ze moesten het stadsbestuur een proces aandoen. Overal bulten, drempels, uitsteeksels’.
‘Als je iets extra’s nodig hebt, mag je me dat altijd vragen’.
Moeder en zoon zwegen een wijle. Het duister begon het licht aan het raam weg te duwen. Everart knipte enkele lampen aan.
‘Zo, ik denk dat ik binnenkort maar weer eens opstap, ma’.
‘Verre, verre is hetgeen u wordt beloofd, Gerard’.
‘Everart, ma, Everart’.
‘Ja Gerard’.
‘Dag ma’.
‘Gerard’.

Toen Everart zich door de gangen van Stella Maris naar buiten spoedde, viel zijn blik op een piano in een van de ontspanningszaaltjes. Hij stapte op het lelijke bruine meubel af – er was niemand te zien – en onderwierp het vlug aan een vergelijkend onderzoek betreffende het stukje hout dat was overgeschoten na reconstructie van Micheline’s piano. Dat bood geen uitsluitsel. In een opwelling ging hij op het krukje zitten en duwde zacht op enkele tanden van dit reusachtige gebit. Hij hoorde geschuifel van voeten achter zich, maar voor hij zich kon omdraaien werd met een doffe dreun de klep van de piano dichtgeklapt. Everart gilde het huizenhoog uit van de tienvingerige pijn, terwijl een ontheemde geest met haar volle kontgewicht op de neergeslagen klep ging zitten.

In het Andreas-ziekenhuis staarde een stevig ingepakte Everart droevig voor zich uit. Zijn beide gipsen ledematen, waarvan alle uiteinden gebroken waren, rustten ten westen en ten oosten van hem als vreemde voorwerpen op stutplankjes. Een ijsteddybeer met ontroerend onhandige hagelwitte grijpvuistjes. Een ledenpop die amper kon applaudisseren. De meeste voorwerpen om hem heen blonken uit door ironie en overbodigheid: het telefoontoestel met de toetsen, zijn eigen mobieltje, de zapper van de beeldbuis, de druiventros van de badmintonclub, de biografie ‘Rachmaninov, Rus van ijs’, zijn badkamerspulletjes hem toegeleverd door een behulpzame Wouter, de vele rollen toiletpapier die om een of andere geheimzinnige reden hier net in zijn kamer in een kast hoog stonden opgetast.

In ’s hemelsnaam, mama.
Voortaan, als ik hier ooit weer als een ongebroken zoon weer uitkom, bezoek ik je op donderdagen alleen nog gewapend.
Wat heb ik toch met piano’s?
Met de Stedelijke Parkeerdienst Parko moet nu ook nog gezondheids- en afwezigheidsadministratie worden verricht, verhippeltjes.
Meer dan twee soorten bloemen op tafel, godverongelukt, zotte mama, aanschouw mijn druiventros en verder niets. Beste groeten vanwege uw aapje Gerard.    
Het is mij om het meubel te doen.

Dat overgeschoten stukje pianohout was een vuist groot en had de vorm van een wig waarmee men vampiers het hart pleegt te doorboren. Of het onontbeerlijk was voor de gevooisdheid van het muziekinstrument? Everart tobde er lang over, terwijl hij daar toch maar hulpeloos te liggen lag in het Andreas-ziekenhuis. Hij had het Fremdkörper dat er geen was, afgestoten door het moederlijf, dat ook nog eens zelf als een onaanvaardbaar orgaan zijn interieur ontsierde, in een bruine envelop gedeponeerd, erop PIANO (?) gekalligrafeerd en de zending bij de andere raadselachtigheden uit zijn elementaire bestaan op deze materiële aarde toegevoegd.

Vele weken duurde het tot zich een begin van wederingebruikname aankondigde van duim, wijsvinger, middelvinger, ringvinger, pink, maal twee. Grijpreflexen werden middels menigvuldige revalidatiesessies weer bijgebracht en getraind. Er dienden zelfs nog een paar minichirurgische ingrepen te gebeuren, omdat op twee plaatsen beenderscherfjes waren gaan ‘zwerven’ ter hoogte van de gewrichtjes. Everart onderging ergere kwellingen dan de verzamelde tandpijn die hij ooit al had gehad.

Badminton? Parko?

Donkere flarden Rach 3 warrelden door zijn hoofd. Na vijf dagen Andreasziekenhuis ging hij zich noodgedwongen wekenlang drie hoog in Vrijzicht verschansen. Ondertussen leerde hij via allerlei hulpstukken weer wat kleine vaardigheden aan: vlees snijden, patience spelen, tanden poetsen, broek dichtknopen. Alleen bezoeken aan de kinesist brachten hem even buiten onder de mensen. Het waren telkens kruiswegen voor hem, want de pijnen die de oefeningen veroorzaakten, waren hels. Dat klopt, zei de kinesist, heel veel gevoeligheden zijn immers geconcentreerd in de vingers, vooral in de uiteindjes ervan, tastzin nietwaar, tactiliteit. Na twee weken mochten er nog enkele ondersteunende pinnetjes uit de vingergewrichten verwijderd worden. Dat gebeurde in een der ondergrondse folterkamers in het ziekenhuis. Everart gaf er tot driemaal toe de geest. Na deze ultieme pijniging wou men hem nog een duur zelfhulptoestelletje aansmeren, een soort vinger-perpetuum mobile, de ziekenkas zou wel tussenkomen, maar Everart schudde heftig nee, tekende moeizaam zijn dossier af en vluchtte het ziekenhuis met zijn vele martelkamers uit.

In die tijd zocht hij een enkele keer de daderes in Stella Maris op. Als een gekruisigde hief hij zijn gespalkte vingers ten hemel, maar ze staarde door zijn handpalmen heen naar een verre verte. Zijn Golgotha was voor haar een molshoop. Haar neurosen bloeiden aan de einder.
‘Waarom, ma??’  
‘ - - - ‘.
‘Besef je wel dat ik al weken … ‘.
‘De kerfstok van de vinken, de krassen op de muur, de tralies voor het venster, de … ‘.
‘Eh?’
‘ … tanden van de piano’.
‘Wablief? Kijk naar mijn vingers! Mijn handen!’
‘Gerard?’
‘Ja?’
‘Ga weg’.

En de zoon ging zijns weegs, vermijdend een blik te werpen op het meubel in het ontspanningszaaltje, haastig schrijdend, mompelend zwerend hier nooit meer een voet binnen te zetten, in deze laughing academy, deze fruit company.

‘Hé manneke! Kijkt naar omhoog, de kat pist in uw oog!’
‘Hij heeft ook witte pootjes’.
‘Nee, sokjes aan’.

Ten huize Vrijzicht, S.Stevinstraat 18/3B rinkelde de telefoon dwingend. Everart schrok op uit ongecontroleerd gepeins en griste naar het toestel. Pijn, au, pijn.
‘Ja?’
‘Wat: ja? Everart Vanholm?’
‘Jaja’.
Zijn hart jumpte; hij herkende de stem van Micheline.
‘Ben je wel zeker dat je toen alleen maar de piano verhuisd hebt?’
‘Eh?’
‘Weet je van niks dan?’
‘Eh … Ik eh … ‘
Everart drukte het toestel bijna door zijn hoofd heen.
‘Ik begin hier precies wat te missen in mijn interieur, constateer ik nu’.
‘Hé?’
‘Val ik met de deur in huis misschien?’
‘Wat bedoel je eigenlijk, Micheline? Ik weet totaal niet waar … ‘
‘Heb je geen vreemd voorwerp bij de piano gevonden? Misschien per ongeluk mee verhuisd?’
‘Eh … nee’.
‘Je hebt toch wel hulp gekregen, neem ik aan?’
‘Ja. Wouter en Jan en Wouters vader’.
‘Weet je zeker dat die niks extra meegenomen hebben hier? Op diefstal met inbraak staan straffen hé’.
‘Maar waar hèb je het toch over, Mi … ‘
Een zware zucht aan de andere kant van de lijn.
‘Allez dan’.
Klik. Verbinding verbroken.

Everart fronste verbaasd zijn wenkbrauwen. Toen dacht hij plotseling aan dat stukje hout, het stukje dat bij heropbouw niet door de piano van Micheline geadopteerd wou worden. Was het dat wat ze bedoelde? Hij stapte naar de kast in het berghok en haalde de envelop tevoorschijn.

PIANO (?)

Hij bestudeerde het vuistdikke, wigvormige ding grondig. Er zaten kerven op. Met wat verbeelding kon je daar van alles in zien. Even dacht hij aan de vinkenkerfstok van vader zaliger.

Na twee dagen twijfeltijd vormde Everart met een van zijn langst ingepakte vingers Micheline’s nummer. Niet thuis. Hij jongleerde nog een uurtje met het stuk hout, liet het diverse keren vallen en probeerde dan opnieuw. Daarbij ontdekte hij toevallig dat het voorwerp van zijn aandacht recht kon blijven staan op zijn breedste onderkant.

‘Ja, hallo, ik ben het hé, Everart’.
‘Everart. Wat voor nieuws? Laat het goed zijn.’
‘Waarom belde je me onlangs over dat verdwenen ding? Bedoelde je dat stuk hout? Waar had je het eigenlijk over? Het is maanden geleden dat … ‘
‘Stuk hout, stuk hout: dat is verdorie een handgemaakte Polynesische schaakkoningin! Is het dan toch bij jou misschien?’
‘Had dat dan eerder gezegd, toen je de eerste keer belde. Wist ik veel … Waarom … ’
‘Ik begon het pas onlangs te missen. Dacht dat ik het per ongeluk ergens anders had gezet. Maar … hoe komt dat bij jou terecht? Je hebt het toch hé?’
‘Ja, ja. We dachten dat het een onderdeel van je piano was; het schoot gewoon over’.
‘We?’
‘Wel: de pianoverhuizers’.
‘Maar die moeten dat dan meegejat hebben’.
‘Eh … ja zeker?’
‘Ewel … ‘
‘Een Polynesische schaakkoningin zeg je?’
Everart draaide het ding om en om. Zette het weer neer. Inderdaad. Primitief, maar toch.
‘Ja zeker. Drie jaar geleden bracht ik het schaakspel mee van ginder. Wist je dat niet? Je moet het toch nog hier bij mij gezien hebben?’
‘Nee. Zijn er nog stukken van dan?’
‘Natuurlijk. De hele set. Wie koopt er nu één stuk. Ik merkte pas onlangs dat een van de hoofdstukken foetsie was. Jouw vrolijke vrienden … ‘
‘Stond het dan uitgestald toen ik … toen we … ‘
‘In mijn logeerkamer, ja’.
‘Ah ja, zo’.
‘Wel?’
‘Ik kwam toch nooit in die kamer?’
‘Ja, en?’ klonk het dwingend.
‘Eh … Wouter of Jan wilden zeker een grap uithalen. Ik ken ze’.
‘Grap, ja, grap. Mannen onder elkaar, hé. Zeg, ter zake: wanneer breng je het terug?’
‘Eh … zo vlug mogelijk zeker, Micheline? Eh … en valt er nog even te praten?’
‘We zullen zien. Verrassingen zijn niet uitgesloten. Zit je nog thuis momenteel?’
‘Ja’.
‘Kun je woensdagnamiddag?’
Everarts hart sprong op van vreugde: ‘Ja!’ riep hij zowat.
‘Woensdag dan. Verlang niet te hard’.
Klik.

‘Ja, Wouter, ik ben het hé’.
‘Ah, Everart! Hoe … ‘.
‘Zeg: je wordt bedankt hé!’
‘Eh … waarvoor, Everart?’
‘Voor eh … ‘.
Everart zweeg plotseling. Hij wist niet hoe hij ‘het’ verwoorden kon: het voorval, het ding.
‘Wel, wat ligt er op je lever?’
‘Heb jij … hebben jullie bij die pianoverhuis iets meegenomen van bij Mi … van bij mevrouw Bracke? Je weet het nog wel: we hadden een stuk hout over hé?’
‘O dat. Ha ha. Ja … eh … Dat lag al van bij het begin bij de hele reutemeteut hoor. Enkele weken later … ‘
‘Het is een koninginnenstuk van een schaakspel uit Polynesië’.
Everart bekeek de schaakdame teder; ze stond rechtop naast het vaasje op het telefoontafeltje. Eigenlijk was hij onverwacht blij dat zijn badmintonmaten …
‘Ja … we namen het mee om … wel, je weet wel hé … grapje … ‘
‘Het kwam uit haar logeerkamer’.
‘ … maar de aandacht ging toen vooral naar waar je die piano zou kunnen zetten, hé. Onze grap lukte niet zo best meer. Je gedachten waren … ’
‘Ja’.
Everart keek om naar de piano, die nog altijd als een vreemd voorwerp haaks op alles en nog wat stond.
‘Hallo … ? Ben je er nog, Everart?’
‘Eh … ja, tot binnenkort. Ik kom … ‘

De bel rinkelde schel in appartement 3B. Everart schrok zich een bult. Hij draaide zich bruusk om, wou gelijk het telefoontoestel weer inhaken, haperde daarbij met een tros pijnlijke vingers aan de rand van het tafeltje, snerpende vlammenwerpende pijn flitste door al zijn kootjes, hij vloekte, struikelde, viel over het tafeltje heen. De handgemaakte Polynesische schaakkoningin boorde zich met haar fijnste wigpunt in zijn hart. Als een vampier met witte klauwen op zoek naar zijn doodskist strompelde Everart op weg naar de deur nog tot bij de scheef geparkeerde piano, waar hij languit overheen viel, terwijl uit het grijnslachende gebit een doodsdreun opsteeg. Achter de deur van appartement 3B keek Micheline Bracke verbaasd op.