17-10-17

YOU'RE IN THE ARMY NOW

YOU’RE IN THE ARMY NOW          

(De M&M-moord – remembering J. T’H.)

 

Sectie Personeel, MHO


Nazomer 1977 bood ik me op bevel van de overheid in het Militair Hospitaal te Oostende-Bredene aan om mijn dienstplicht voor de Belgische Strijdkrachten te vervullen. Vuurtorenzwieplicht kleurde dat jaar. Donkergroene aliens (de Medische Dienst van het Belgisch Leger werd in geruststellende groene apenpakjes aangekleed) parkeerden me in de SP. Wat moest men anders aanvangen met een Germanist, oud 24, reeds twee jaar op de arbeidsmarkt actief, hebbende een vrouw en een tweeling in aantocht, twee dichtbundeltjes op zijn palmares? De rest van de dienstplichtigen waren idem dito oudere artsen, apothekers, kinesisten en verplegers. Enkele ‘sociale gevallen’ (je bent 18, je wilt wat, maar je moet naar het leger, waar men je gaat ontluizen) lapten de ramen – om toch iets van het kazernegevoel te hebben.       

In die Sectie Personeel verwerkte ik documenten en formulieren. Op korte tijd nam ik kennis van volstrekt belachelijke afko’s en stupide lemmata. Ik schreef ‘verloven’ en ‘marsbevelen’ uit, haalde (gewapend) geld van de bank voor de maandelijkse uitbetaling in het handje van de beroeps en verrichtte administratie betreffende IN en UIT. 

IN: opgeroepen dienstplichtigen die om een of andere reden (lichaam, geest) van hun vaderlandse plicht bevrijd wensten te worden. Ongevallen ook. Ene soldaat milicien Hennebel bijvoorbeeld, afkomstig uit Poperinge, bracht er zijn volledige diensttijd ingegipst en horizontaal door in zaal 6, na een zware motorcrash. Beroepssoldaten, die na een ongeval ijlings in het dichtst bijgelegen ‘burger’ziekenhuis werden opgenomen, dienden na de eerste zorgen uiteindelijk ook bij ‘ons’ te belanden, de donkergroene Nightingales van het westelijk front.

UIT: de pechvogels, die na ampel onderzoek (men nam ruimschoots de tijd om door fake & rookgordijnen heen te kijken) toch hun eenheid moesten gaan versterken. De gelukzakken, die afgekeurd werden. De herstelden ten slotte, reserve of beroeps.

Druk?
Nou ja, op z’n legers.

Soms gebeurde er wat. Er werd bijvoorbeeld in de omgeving een Ensor gestolen. Een zicht op een kerkje in de duinen. Ensor ligt gevoelig aan de kust. Men deed onder andere een beroep op een korporaal-chef van het Militair Hospitaal die het pendelen beheerste. Naast pornografie en fotografie beoefende deze kerel ook het wichelroede lopen. Hij liep niet alleen zijn pik achterna. Hielp dat? ‘Zoek westelijk’, orakelde de man. Anderhalve maand later trof men het schilderij aan op dezelfde plek waar het door Ensor was geschilderd. Het beeldde zichzelf uit toen het gevonden werd. Zicht op duinenkerkje weerspiegelde zicht op duinenkerkje. Het werk van een grapjas?

Of er deden zich februaristormen voor gecombineerd met springtij. Remember 1953 (mijn geboortejaar, nota bene). We duikelden toen honderden veldbedden uit de kelders van het Militair Hospitaal op, alarmfase nr. zoveel werd geblazen, want enkele straten in Oostende waren onder water gelopen. We boften met deze onverwachte gang van zaken; het doorbrak de saaie legerroutine. Hij tij keerde echter weer, dat jaar, letterlijk, en de winden gingen liggen. Oostende werd opnieuw de statige Koningin Aller Drenkplaatsen.   

 

‘Een treurige prins’


Oktober 1977.
‘Uwe maat is dood,’ zei mijn directe baas ADC (Adjudant-Chef) Debruyne tegen mij.
‘Maat?’
‘Ewel, kijk, hier: gij schrijft toch ook gedichtjes?’
Dat verdomde verkleinwoord.
Hij schoof me Het Nieuwsblad toe. Daarin werd bericht over de dood / zelfdoding van de ‘zeer treurige prins-dichter’ Jotie T’Hooft.
‘En ze hebben hier een dienstplichtige binnengebracht die ermee te maken zou hebben, hij was erbij in Brugge, dat moet wel lukken, een soort edelmanneke… eh… van adel, daar is nooit iets goeds van te verwachten.’
‘Tja,’ deed ik.
Ik had Jotie T’Hooft enkele keren ontmoet. We werkten voor hetzelfde literaire tijdschrift in Gent (‘Yang’). We lazen samen voor uit eigen werk in Turnhout en Eindhoven. Van hem bewaarde ik ook een paar brieven, op blauw papier.
‘Gij droeg toch ook van dat lang haar hé voor ge naar ’t leger moest? Op de achterkant van een van uw boekskes zag ik dat.’
Boekskes.
Verdomde puitogige oerstomme caravansocialistische spinaziestrontkleurige boefer.
‘Ja.’
‘Dat geeft een slechte indruk bij de mensen.’
‘Ja… ‘
Ik schoof de krant terug naar het oorlogsgebied van ADC Debruyne en dacht aan mijn recente jaren in Leuven en Gent. Het was nog altijd wennen aan termen als ‘Oostende, Kortrijk’, en nu: ‘Brugge, Assebroek’.
Mijn Mest-Vlaanderen.

 

Good Old Times

 

Mei 2006.
We ontmoeten elkaar zoals gewoonlijk op het straatterras van taverne Het Voorgeborchte in Avelgem, vlak bij de kerk – onze vaste stek sedert jaren, maandelijks, elke laatste donderdag in de vooravond. Het regent, maar we hebben een ronde tafel onder de overkapping aan de straatkant. We worden omgeven door gepensioneerden en coladrinkende scholieren van het Koninklijk Atheneum en het Sint-Jan-Berchmanscollege die vlug even komen schuilen. Het regent oude wijven – gezellig, en het is warm. Ik wacht op Jotie T’Hooft.

Drie elementen hebben ons al die jaren verbonden: we zijn beroepsmilitair geworden (het scheutje Rimbaud in ons), we bekeerden ons tot het ene en waarachtige Russisch-orthodoxe geloof (de roes) en we zijn blijven schrijven (de verslaving). Het zijn ook drie restanten van onze juveniele marxistisch-leninistische sympathieën van weleer. 

Mijn drie jaar jongere brother-in-arms wordt er 50 vandaag. Ze hebben hem al lang opgegeven – sedert oktober 1977. Wat mezelf betreft: ik word geduld, niet geacht. We zijn vergrijsd, na vele veldslagen. Jotie betrekt enkele kamers drie hoog in de (…)straat in het rustige Avelgem, maar hij is vooral voortdurend onderweg. Ik hok in het Pompei van het Zuiden, ook nog genoemd: Kortrijk, boven het afspraakkaffaat Vlas Vegas.

Wat dreef ons eind jaren ’70 van de vorige eeuw in de kaki-armen van het allesbegrijpende leger?

 

Vox

 

Het was dankzij Vox dat we blijvertjes werden.
We solliciteerden – onafhankelijk van elkaar – naar een job bij de schrijvende redactie van dat militairenblad. Vox:  het legermagazine met de vredesachtige X in de naam. (Ik vond na mijn legerdienst geen interessant werk meer als Germanist). We slaagden. Daarna was de stap naar de Militaire Inlichtingen Dienst maar klein. Dichters zijn immers leugenaars, gladde palingen, en fakers. Hoe zouden we anders herfst 1977 Jotie’s (zelf)dood geënsceneerd kunnen hebben?

We solliciteerden andermaal, gezamenlijk deze keer. We slaagden, medio jaren ’80. We kenden namelijk de correcte term voor een keuken op een schip: kombuis. En voor een groep kraaien: klad. We kenden nog zeer veel andere dingen.

Meanwhile: de dienstplicht werd afgeschaft, het leger werd afgeslankt en de bezettingstroepen verhuisden weer uit Duitsland. Wij waren (en zijn) de enige twee (ietwat langharige) undercover militairen van het Belgisch Leger. Onze uniformen (we hebben allebei de graad van majoor) hangen permanent ongebruikt in onze kasten. We opereren in burgerplunje.

Het gebeurt dat we met z’n tweeën een Russisch-orthodoxe eredienst bijwonen, in de Polders, in Oudenaarde of in Kortrijk. Maar ons houvast is onze afspraak elke laatste donderdagvalavond in de kuipstoelen aan een ronde tafel van Het Voorgeborchte te Avelgem – in de winter binnen, de andere seizoenen bij voorkeur buiten.
Leffe, whisky. (Ik moet hier wel uitkijken).
Sigaretjes pieren. (Hij moet hier wel uitkijken).
Rustig, rustig, terwijl vlak voor ons op straat zich het woeden van de wereld tijdens spitsuren voltrekt. We spreken elkaar altijd met onze echte voornaam aan.
Officieel werkt Jotie T’Hooft voor Het Rode Kruis. Hij heet Johan Dendooven. (Zijn laatste letterkundige wapenfeit: de scenario’s voor de strips Florence en Henri).
Officieel schrijf ik (jeugd)boeken. Ik ben Marc Baccarne. (Mijn laatste letterkundige wapenfeit: ik bezorgde chef-kok Piet Huysentruyt een extra punt op de twintig (van 15 naar 16!) in de Gault et Millau-gids door een ‘eigenzinnige’ tekst over zijn restaurant in Wortegem-Petegem te schrijven).

Jotie is een stijlvolle vijftiger geworden, met halflange, achterover geharkte, donkergrijze haren. Vooraan is wat kaalheid ingetreden. Hij kleedt zich peperduur. Hij draagt permanent een handschoen aan zijn linkerhand, die jaren geleden deerlijk verminkt werd in action in een of andere Kongolese provincie.
Ik tors ietwat langere, sneeuwwitte haren. Dagelijkse porties biergist beperken de haaruitval tot een aanvaardbare hoeveelheid.
Die details helpen ons bij onze job. We worden gerespecteerd en goed betaald. De legertop telt namelijk enkele heel geschikte, intelligente mensen. Mochten die ‘in de privé’ werken, dan zou ons land, dat druilerige driehoekje, er helemaal anders uitzien.
Ons lijflied: alles van Status Quo. We kennen hun repertoire vanbuiten. Rechttoe-rechtaan rock. Geen psychedelica. Geen ruis. Geen kosmiek. Geen static. Duidelijke boodschappen.

Gedichtjes? Gedichten?
Praten we nooit over.

We bloggen ieder apart, op het internet, onder diverse pseudoniemen. Over de middenstandsliteratuur van de jaren ’80, ’90 en de populistische letterkunde van heden ten dage winden we ons niet meer op. We zijn Heren van Stand geworden. Geef ons Russisch-orthodoxe kerstkoren, een gouden herfst, tabak, wat alcohol, memories.
We hebben er veel aan de galg gepraat. In opdracht. In den beginne hadden we moeite met de absolute zwijgplicht die ons was opgelegd. Maar als ouder wordende dichters vormde dat gaandeweg minder een probleem. Jotie was afgekickt; ik had Koning Alcohol verbannen naar een Elba ergens achter mijn hart. We leefden met mate, en met een zekere regelmaat. We vreesden maar één ding: dat we op een onbewaakt ogenblik door onze eigen werkgever omgebracht zouden worden. We wisten te veel. En we waren ook makkelijke prooien: ze hadden ons verplicht elektronische enkelbandjes te dragen. Dat gebeurde beroepshalve, ter bescherming.
De Agusta-affaire bijvoorbeeld – het scheelde geen haar of we dienden allebei een compleet andere identiteit aan te nemen en een andere biotoop te bewonen aan de andere kant van de wereld. We konden het gevaar intern bezweren.

Wie dit leest, zal nu opperen: ‘En de vrouwen?’
Ja, de vrouwen.
Meervoud.
Laat dit nou eens een verhaal worden zonder vrouwen.

 

Meneer M., of all persons!

 

Ter zake. Mei 2006. Het regent oude wijven in Het Voorgeborchte van de Vlaamse Ardennen. Ik wacht op Jotie. Hij is al 14 minuten te laat. Plagerige scholieren molesteren elkaars fietsen en schooltassen. Enkelen gaan druipnat zitten en bestellen cola’s. Dan glijdt eindelijk de grijze Saab voorbij. Jotie wuift. Er zit iemand naast hem.
Even later begroet ik ze hartelijk.
Jotie/Johan heeft de goede oude meneer M. uit rusthuis Dennengroen eens meegebracht. Dat is leuk. Het was aan o.a. meneer M. te danken dat Jotie anno 1977 een ‘gedaanteverwisseling’ kon ondergaan en na drie jaar luxeopsluiting in het slotklooster W. in Luxemburg een ander leven kon beginnen. We werkten later nog wel vaker met hem samen. Jotie en ik leerden M. beter kennen in een Mechels kerkje, waar hij hobbyist-organist was. Op zoek naar ‘andere’ klanken kwamen we op dat kerkje af, want er zou toen Russisch-orthodox gespeeld en gezongen worden. Van het een kwam het ander. Meneer M. werkte beroepshalve als ambtenaar voor afwisselend BiZa en BuZa. Hij was nog veel meer dan dat. Hij was spion voor Roemenië en Rusland, werd zogezegd verlinkt (doordat zijn toenmalige contact plotseling asiel in België zocht), offerde er zijn eer, geweten en openbaar leven voor op, maar eigenlijk werkte hij al die tijd ‘dubbel-op’ voor de Belgische Staatsveiligheid. Wij deden hetzelfde, maar vooral in militaire middens. Meneer M. bracht amper drie jaar in de lik door – hij werd, jaren na Jotie, en vlak voor zijn pensioen, ook in het luxeslotklooster in Luxemburg ondergebracht. Daar kreeg hij een prinselijke behandeling, in ruil voor de openbare desavouering van zijn daden. De Russen reageerden niet, maar de Roemenen waren niet weinig van hun melk eenmaal ze het ware M-verhaal doorhadden. Uit wraak zorgden ze ervoor dat tijdens de woelige eindjaren ’80 in Boekarest een Belgisch tv-journalist door een verdwaalde kogel werd gedood.

‘Meneer M., hoe maakt u het?’
‘Ik maak het nog altijd zelf, dank u.’
‘Proficiat met uw… ‘ (Meneer M. is een kersvers tachtiger).
‘Geen getallen alstublieft.’

We maken voor de zesentwintigste keer vrolijk kennis. Oude vossen en hun streken. Meneer M. ziet er als iedere Belgische tachtiger uit. Hij krijgt dan ook niet veel aandacht van de ons omringende oudjes en scholieren. Maar ze moesten eens weten. De linkerhandschoen van Jotie wenkt de ober. Nu ik het zo bekijk: twee handschoenen staan chique, vooral bij het aan- en uitdoen, één permanente handschoen is luguber. Ik concentreer me weer op meneer M. Het is zes of zeven jaar geleden dat ik hem nog eens ontmoette. Meneer M. is en blijft een onverbeterlijke, laconieke grapjas.

Hij mocht ooit zelf, in de tweede helft van de jaren ’70, zijn eigen ‘toelatingsproef’ voor de Roemenen en de Russen bedenken en bekokstoven. Hij stelde voor een Ensor te ontvreemden, die enkele maanden spoorloos te laten zijn, en het ding dan weer op zijn schitterendste plaats op te laten duiken, dit alles zonder ook maar het minste spoor na te laten. (Hij hield nu eenmaal van ouderwetse spionage, mistige contouren, schimmige gestaltes en geheimzinnige verdwijningen). Hij slaagde cum laude. Uiteraard, want hij kreeg de steun van de Staatsveiligheid. Hij werd aangeworven door de ‘overkant’. Alleen ik slaagde er in die tijd eerder toevallig in iets te ontdekken: uitgerekend ik, de Germaanse oudere SP-dienstplichtige van het HMO, het Hôpital Militaire d’Ostende. Van dit ene kwam inderdaad ook het andere.

Ik kwam in contact met de Inlichtingendiensten, we kalefaterden het zieltogende wrak van Jotie (de rol van het MHO daarin zou altijd een angstvallig staatsgeheim blijven), we zorgden voor een staaltje gedaanteverwisseling, we lieten er drie jaren over heen glijden (slotklooster Luxemburg, redactie Vox, mantels der vergetelheid, rookgordijnen, weet je wel) en daarna konden we aan de slag, vaak met meneer M. als onze mentor.    

 

M&M

 

De ober komt eraan.
‘Voor meneer M. een wodka, onverdund, zonder ijs,’ zegt Jotie in de plaats van meneer M. ‘Uitkijken, of de regen verdunt die wel,’ repliceert de ober, boos naar de zeiknatte straat knikkend. Voorbijglijdende auto’s op pletsende banden zorgen voor lawaaioverlast.
‘Plus een Leffe en een J&B, ook onverdund.’
‘Oké.’
‘Voorproeven, meester, dat sterk water?’ informeer ik spottend.
Meneer M. schildert zijn brede, naïeve, maar staatsgevaarlijke glimlach op zijn gezicht. Zijn jarenlange dekmantel. Domheid biedt de beste bescherming.
‘Niet nodig, ik tel niet meer mee. Ze hebben me bijgezet in het Museum van de Belgitude, bij de afdeling Paljassen, Kwakzalvers, Bejaarde Excentriekelingen, Dinosaurussen. De grootste afdeling dus. Ik ben de Panamarenko van de Belgische spionage: mijn vlieger gaat niet meer op. Ik mag blijven leven.’
‘Die ministers van toen keken anders wel zuur onlangs op tv,’ merkt Jotie op.
Ik knik. Ook gezien: Meneer M., die, niet lang geleden, zijn vreselijke, verraderlijke glimlach in een ‘duidend’ en ‘open’ tv-programma op de officiële nationale zender tentoonspreidde – de toenmalig betrokken BiZa- en BuZaministers daarentegen…
‘Men probeerde spijkers met koppen te slaan hé.’
‘Ja, die stomme kijkcijfers.’
‘Waarom deed u het toch nog, die outing?’
‘Arbeidsvreugde?’ oppert meneer M. vrolijk.
Ach, we houden van de man. Zo’n prachtig openbaar slachtoffer, dat nog voortdurend wordt geslachtofferd, nu ter wille van kijkcijfers, godgenageld. Verrekte Pilatusministers!
‘Speelt u nog orgel?’
‘Ken je dat grafschrift uit de Lüneburger Heide?’ formuleert M. een wederwoord.
We schudden van nee.
‘Hier legt begraben Peter Quann/Gott vergaf em sin sunden/denn he weer sine speelmann// … of zoiets.’
‘Haha.’
‘De Cutty Sark nadert de thuishaven… ‘ mompelt Jotie. ‘Pay the piper, call the tune… ‘
We communiceerden en pareerden vroeger wel vaker via boeken, citaten.
‘En jullie, hoe zit dat: nog altijd kaarsen, bloemen, bloesems, … ‘
We knikken van ja.
‘Toch niet hier in… Waar zijn we?’
‘Avelgem. Nee. Ergens anders.’
We werpen even een blik op de kerk vlakbij. Gregoriaans, wellicht.
‘En het kerkje in Mechelen… ?’ wagen we. Een zeer oude koe.
‘Ach… ‘. M. wuift het weg.

We zwijgen en verzinken in tijdelijk gepeins. We zijn alledrie simpelweg in leven gebleven omdat men vergeten is ons te doden. Misschien zijn we toch niet belangrijk genoeg: twee langharige dichters die de kaap van 50 hebben gerond en een bejaarde ambtenaar-organist die voluit voor de centen ging.

De ober komt het liquide lekkers aanbrengen. We knikken in dank.
‘Orthodoxe muziek verzacht de zeden… Status Quo ook‘ gooi ik in het midden van onze rondetafel. ‘Santé: op goede, oude tijden.’
We klinken, nippen en zwijgen weer. Tot meneer M. zijn neus moet gaan poederen. De kortste weg? Jotie staat op en begeleidt hem even. Wanneer hij terug komt, vraag ik hem:
‘Waarom heb je hem uit Dennengroen ontvoerd? Dat was toch een afgesloten hoofdstuk, had ik begrepen?’
Jotie friemelt even aan zijn handschoen: ‘Tja… eh… er is een boek op komst… ‘
Shit!’ doe ik. ‘Toch niet van jou?’
‘Nee… eh… veel erger.’
‘Ja?’ dring ik aan. ‘Mag hij het niet horen? Spreek vlug.’
‘Ja ja… hij weet ervan. Hij belde me namelijk zelf op. Je kent nog Marc Reynebeau?’
‘Natuurlijk. ‘Spelbederf’ – zijn eerste en laatste dichtbundeltje, jaren zeventig van de vorige eeuw.’
‘Inderdaad.’
‘Nou, en?’
‘Die gaat het spel nu helemaal bederven. Je weet toch dat hij heden ten dage niet alleen de intellectuele televisieclown uithangt, onder het mom van mediawatcher, maar ook de officiële geschiedschrijver van de Belgische politieke geschiedenis is geworden?’
‘Ja, in a nutshell, yes.
‘Wel… die kerel gaat nu een boek publiceren over de Belgische spionage van na de Tweede Wereldoorlog.’
‘Godsammestraffe!’
‘En dat zal Hij doen!’
Shit bis! Wij doen al decennia ons best om uit de boeken te blijven, en nu komen we er weer in!’
‘Goed gezegd. Een ramp.’
‘Hij is al twee keer bij M. in Dennengroen geweest, voor een ‘verkennend gesprek'. Onze namen zijn gevallen, meerdere keren. Reynebeau had natuurlijk al rondgespeurd.’
‘En M. … ?’
‘Zit ermee verveeld. Probeert alles tegen te houden. Hij is het beu. Zijn tv-interview was het eerste en het laatste. Hij wil rust. Daarom vroeg hij me hem op te halen en even te overleggen.’

Intussen verschijnt meneer M. weer op het appel.

‘Heb je ’t hem verteld, Johan?’ informeert hij ernstig.
‘Helemaal,’ knikt Jotie.
‘Tja… ‘ doe ik, en ik knik bedachtzaam naar M.
‘Ik moest er dus dringend even tussenuit in Dennengroen, begrijp je… ‘ zegt meneer M. ‘Ik weet het sedert dinsdag.’
‘Marc Reynebeau… ‘ articuleer ik mompelend, ontgoocheld, even terugzinkend in mijn kuipstoel. Het regent nog onverdroten oude wijven, maar nu is ook een oude koe opgedoken.
‘Is eh… is dat boek al in vergevorderde staat?’ vraag ik.
Jotie knikt vragend naar meneer M.
‘Proefdrukfase, de onvermijdelijke uitgeverij Lannoo,’ zucht M. ‘Het is waarschijnlijk niet meer tegen te houden. Wellicht herfst dit jaar nog, najaarsaanbieding Boekenbeurs Antwerpen.’
‘Proper verjaardagscadeau voor ons!’ grimlacht Jotie.
‘Nou, dat wordt dus de M&M-moord,’ zeg ik grimmig, me voorover buigend. ‘De moord op Marc en het Manuscript!
‘Zoveel is zeker,’ beaamt Jotie.
‘Zeker weten,’ bevestigt meneer M.
‘Laat dit het voorgeborchte van zijn hel zijn!’
‘Schrijven is vooral schrappen!’

 

In het reine met Marc

 

Rein Vernunft moet er zijn.

Hoe 1. De schrijver MR 2. Uitgeverij Lannoo 3. Het Manuscript 4. De Harde Schijf alle(n) te deleten?

Avelgem, Het Voorgeborchte, wordt een oord van samenzwering. We beginnen weer dapperder te roken en te drinken, op zoek naar the right angle, time, place, scalpel voor de decisieve ingreep.
Ik ken uitgeverij Lannoo in Tielt ietwat – ooit gaf ik er enkele jeugdboeken uit, ondertussen drie redactrices verslijtend die allang weer verdwenen zijn. Er was een groot verloop van personeel aldaar.
Hoe zit daar met hun vaste schijven? Zijn zij ‘mee’ met het digitale tijdperk? Hoe transparant is de huidige woning van de heer Marc Reynebeau, zijnde veel op pad heen en terug naar televisiestudio’s en plaats-delicten van diverse ‘humoristische, doch diepgravende programma’s’ (hardboard en piepschuim dus)?

Jotie en ik besluiten een beroep te doen op een moedwillig vergeten dichter die al decennialang  - ook te Mechelen, of all places – in de schaduw van Grote Herinneringen leeft. Uitgeverij Lannoo weigerde zijn poëzie uit te geven; Reynebeau kraakte als toenmalig letterkundig douanier diens dan toch maar ergens anders gepubliceerde bundels in de Knack. Redenen te over dus. Leopold VDB – God vergeve hem zijn afko – kan ons bijstaan in deze moeilijke uren en helpen het blazoen van Vorst en Vaderland schoon te houden.
Ja, zo mainstream zijn we geworden.

Op de oudere dichter Leopold VDB hoeft niet lang ingepraat te worden. Hij doet mee.

We oefenen geduld tot de Grote Zomervakanties aanbreken – u weet wel: Kortrijks Verlof, Tieltse coma, Gentse Feesten, Antwerpen-Terras, Oost-Vlaanderen Niet Thuis, et cetera… We zetten ook onze pionnetjes uit. Daar hebben we er een heel legertje van. Zij observeren de voor- en achterdeuren van de biotopen waar het ‘brandt’.

Op een vroege ochtend omstreeks de Vlaamse Feestdag (leeuwen, klauwen) slaan we toe. Zwartgemutst verschaffen we ons simultaan een toegang tot de comateuze uitgeverij en ten huize van de recesnemende Marc Reynebeau. Leopold VDB zetten we in voor de klus bij uitgeverij Lannoo: hij heeft er dus nog dat eitje te pellen, want ooit werden daar enkele van zijn meesterwerken-in-manuscript hooghartig afgewezen. Computers hebben intussen geen geheimen meer voor deze kamergeleerde weirdo. Ik vergezel hem, omdat ik de plattegrond van de zaak vrij goed ken – memories, you know. Het neemt wat tijd in beslag voor we de file ‘De Belgische Spionage 1945-2005 – Een ontluistering’ ontdekken. We schrikken even bij het lezen van de ondertitel. Maar dan slaan we ongenadig toe. Beginner’s luck? O nee: instinct.

Johan/Jotie breekt met een bevriende para in onder dak bij Marc Reynebeau. Daar is geen kat, maar het is er ook een zootje. Het duurt even voor ze de proefdruk van ‘De Belgische Spionage 1945-2005 – Een ontluistering’ aantreffen. Nietsontziend slaan ze toe.

 

USB

 

Ettelijke dagen na de Vlaamse Feestdag (leeuwen, klauwen) worden de inbraken ontdekt, nou: vermoed. Er kan alleen ontstentenis van een en ander worden geconstateerd.

Wij komen dat te weten via de geschreven pers. We zitten andermaal (nagenietend, jawel) in Het Voorgeborchte te Avelgem, op een zomerse donderdagvalavond. Meneer M. is er ook weer eens bij. We struinen door enkele vaderlandse kranten en vermeien ons in de berichtgeving over onze ingrepen. Men tast weer in het duister, natuurlijk.
‘Wat is een usb-stick?’ vraagt meneer M. plotseling grimmig, opkijkend uit zijn Laatste Nieuws. Wij kijken ook op, ontzet, ieder uit zijn krant: Jotie uit De Gazet van Antwerpen, ik uit De Morgen.
Dan roepen we gezamenlijk: ‘O shit!!’

Nu heeft de spelbederver echt wel zijn doodvonnis getekend. We roepen de tijdelijke vereniging USB in het leven, de Unie der Spionnen van België, en begeven ons op dodelijk pad om het karwei helemaal af te maken. Dit keer schakelen we ook een hitwoman in.

We bellen aan bij Reynebeau thuis, onder het mom van life-reality-television. Hij laat ons gretig binnen, natuurlijk. We make it look like a realitysoap en hij wordt de Doodste Mens ter Wereld. Er zijn geen getuigen, alleen de usb – een belangrijk hoofdstuk uit zijn nooit te verschijnen boek. Men zwijge het voort.

De commentaren zijn gesloten.