19-09-17

ETAPPES

ETAPPES

 

01


Op 06 juli 1952 zoefde beroepsrenner Marius Urquhart pijlsnel van de flanken van de Col d’ Ardu af. Hij bevond zich in de ongeveer vijftiende positie. Het was bloedheet; op bepaalde plekken lag het wegdekoppervlak er gesmolten bij. Voor en achter hem was het peloton in vele stukjes uiteengereten. Hij had geen onmiddellijk zichtbaar mikpunt en evenmin een wieltjeszuigende achtervolger. Omwille van de veiligheid ook verkozen de meeste renners de gevaarlijke afdaling individueel en op eigen tempo te doen. Marius Urquhart (Franse nationaliteit, Corsicaan, maar geboren in Paraguay) behoorde tot de enige Corsicaanse wielerprofploeg die ooit aan de Ronde van Frankrijk deelnam. Het was in de tijd dat nog met landenploegen werd gereden. Met bonkend hart en de tenen tegen elkaar meanderde Urquhart naar het dal toe. Kilometers lang was geen levende ziel te bespeuren. In die tijd waren er ook geen tv-camera’s die alles en iedereen overal registreerden, glorieus of ongenadig. Als er dat jaar al een camera was, dan werd die zeker op Fausto Coppi gericht.

 

02

 

Ter hoogte van bocht 34 katapulteerde Marius Urquhart zichzelf in het struikgewas, dat trapsgewijs uit de afgrond naar omhoog groeide. Hij zeilde als een engel het ongewisse tegemoet. Er waren twee verre getuigen van, die op dat ogenblik in een volgwagen de bocht begonnen aan te snijden. Zij zagen hoe de renner en de fiets met een magistrale duikersboog de struiken in doken. Van Urquhart of diens vehikel werd echter nooit meer een spoor gevonden. In de annalen van de Tour de France is dit tot op vandaag het vreemdste raadsel gebleven. Maar de mensen vergeten vlug, vooral ook omdat de Ronde een jaarlijks weerkerend evenement is, en de tijd gaat al net zo vlug. Marius Urquhart slaagde er niet in een legende te worden. Bij ontstentenis van bewijsmateriaal kon men geen geloof hechten aan een wonderbare omkering van het belendende mirakel van Lourdes: de verdwijning van de heilige Marius Want waar waren de man en zijn fiets gebleven? Een luttel maggiblokje, vermoedelijk afkomstig uit zijn knapzakje, volstond niet. De verschijning van Maria leek, nou: geloofwaardiger.      

 

03

 

Bij zijn overlijden zou de vrouw van Marius Urquhart vele keren meer dan een hapklare som geld opstrijken. Daar was voor gezorgd middels een contract bij Eassons Insur. (*) Op 6 juli 1952 was Urquharts klassement in de Tour barslecht. Eigenlijk was hij ook niet echt een klassementsrijder, maar eerder een bergkoninkje, dat, als de groten het gedoogden, in Alpen en Pyreneeën even zijn liedje mekkeren mocht, tegen flanken opklauterend als een gretig geitje. Maar er waren nog rappere geitjes dan Marius Urquhart. Er reden er voor hem, die hem opjaagden, en er reden er na hem, die hem najaagden. Anno 1952 verdween hij in bocht 34 volledig uit ieders zicht. Voorgoed.

(*) Eassons Insur., met hoofdzetels te Grenoble en Plymouth, was een zijtak van Lloyds Inc. De firma was gespecialiseerd in risicovolle verzekeringscontracten in de wereld van topsport, weddenschappen, stunts, Guinness Book of Records, oorlogscorrespondentie, burgeroorlogen en medische extremen. Begin jaren zestig van de vorige eeuw werd deze tak opgedoekt wegens misbruik van voorkennis van de Beurs.

 

04

 

Toen Marius Urquhart een jaar later nog niet was opgedoken, kwam er een bescheiden gedenksteen in bocht 34 op de flank van de Col d’Ardur, samengeschraapt door ploeggenoten en goedgekeurd door de Tourdirectie. Er stond op:

                 

                                                   DISPARU ICI

                                                   06.07.1952

                                                   MARIUS URQUHART

                                                   - TOUR DE FRANCE -

 

Maar de Tour passeerde daar de volgende jaren niet meer. Dat gebeurde pas weer even in 1967, maar in omgekeerde richting. Door de intrede van de merkenploegen in de Tour en het verlaten van de ouderwetse landenformule, werd er ook niks benefietachtigs of gedenkachtigs op touw gezet voor Urquhart en zijn nabestaanden. De karavaan sjokte er zo voorbij. Alleen een Luxemburgs radiocommentator gewaagde nog even van de vreemde verdwijning, ofschoon Urquhart een beetje Paraguayaans, een beetje Corsicaans en zelfs een beetje Frans was. In de loop van 1954 ontving de jonge weduwe een vorstelijke vergoeding van Eassons Insur., ondanks een ontstellend gebrek aan bewijsstukken, zonder juridisch gehakketak. Ze liet de gedenksteen op de Col d’Ardur voor wat hij waard was en verhuisde met haar eerst- en laatstgeborene prompt naar Berck-sur-Mer. Winter 1954 voorzag ze zich van een verse vriend met streng achterovergeharkte ravenzwarte haren: een tweeëndertigjarige brouwerszoon wiens eerste vrouw op zee verdwenen was. Hij was nog supporter geweest van Marius Urquhart, beweerde hij. Hij geleek er zelfs een beetje op.                                                         

 

05

 

Zondag 06 juli 2003. De vijftigjarige Bärbel Urquhart, uitbaatster van café La Russe in Berck-sur-Mer, zat naar de tweede etappe van de Tour de France te kijken, samen met enkele namiddagklanten en toeristen. Het was snoeiheet. De inhoud van het bescheiden visvijvertje achter La Russe begon meer op visbouillon te gelijken. Bärbel monsterde de kuiten, dijen en konten van de Saeco’s, de Rabo’s, de Lotto-Domo’s, de Once’s, de US Postals. Ze bedacht dat zij een halve eeuw geleden aan een dergelijk koppel lendenen ontsproten was. Waarna de vader, de dader, die ze uiteraard alleen van foto’s kende, spoorloos van de aardbodem verdween, met achterlating van een onnozel maggiblokje. Had dat dingetje zich eigenlijk wel ooit in zijn knapzakje bevonden? Lap, voila, daar kukelden er weer een aantal tegen de vlakte.
‘Dat zag je vroeger toch veel minder hé, al die valpartijen’, merkte Bärbel op. Ze inhaleerde diep. Enkele mannen mompelden en knikten instemmend, hun blik aan het scherm hoog in de hoek gekluisterd.
‘Ge moet er maar al aan denken, of pardaf, daar ligt er ene’.
‘De zwaartekracht is zeker sterker dan vroeger’.
‘Of de gedachten, haha’.

 

06

 

Op 17 mei 1930 gaf Jonkheer Christian Chauxmes Bâton d’Offranville, bijgenaamd Het Gouden Kind, in zijn pas gerestaureerde zeventiende-eeuwse kasteeltje een diner voor veertien vrienden. Hij had er drie redenen voor: de restauratie van zijn stulp en ook die van zijn longen, want hij was gestopt met roken. De derde reden was geheim. Hij was de vader geworden van een flinke zoon, Marius. Drie dorpen verder lag die verse wereldburger in de nederige woning van de ouders van het Corsicaanse ex-bovenmeisje van Christian te duimzuigen. Vier mensen deelden dat geheim. Het kind zou goed verborgen blijven en later met zijn mama uit het zicht verdwijnen. De baby stond reeds van zijn allereerste dag op deze aarde in het testament van zijn rijke pa. De helft van Christians vrienden was net als hijzelf vrijgezel. Wat ze allemaal gemeen hadden: een liederlijk en decadent leven, wallen onder hun ogen beschouwden ze als lauwerkransen, grijze haren werden onbarmhartig geverfd, kale plekken op de schedel gecamoufleerd, vrouwen dienden om gepakt te worden, whisky bij het eten was geen uitzondering. Jonkheer Christian sprak zijn vriend chef-kok Eric Duprez van bistrot Captain Flint aan. Hij had zin om zijn vrienden eens een dijk van een poets te bakken. Samen bekokstoofden ze een plan. Eric zegde zijn medewerking toe; hij zou koken én opdienen. En ze gingen ook enkele nachten samen op pad.

 

07

 

Na afloop van het diner stond de gastheer op. Hij tikte tegen zijn glas en nam het woord.
‘Mes amis’, zei hij, ‘nu zal ik jullie laten zien wat het eigenlijk was dat jullie met zoveel smaak opgepeuzeld hebben’.
Hij klapte in zijn handen en Eric Duprez verscheen, een groot zilveren dienblad voor zich uit dragend.
‘Ziedaar de chef, mijne heren!’
Het gezelschap begon in de handen te klappen, maar het applaus stierf onmiddellijk weer uit toen de chef-kok met het blad nader tot de tafel schreed. Kokhalzend en met afgrijzen in hun blik zagen ze negen kattenkoppen liggen, netjes gerangschikt, met ieder een rokende sigaret tussen hun tanden. Enkele gasten sloegen hun handen voor hun mond om braakneigingen te onderdrukken. Er klonken kreten en vloeken.

Een week later werd Christian Chauxmes Bâton d’Offranville thuis dood aangetroffen. Hij was vergiftigd. Van een dader ontbrak elk spoor. Er werd er aanvankelijk ook geen gevonden. Het kasteel werd door de familie verkocht aan een rijke Engelsman. Een notaris uit Pourville regelde alles. Ook het deel voor het bastaardkind. En dat was niet gering.
Over diens mama werd met geen woord gerept. Tijdens de Wereldoorlog werd het kasteel door de Duitsers gebruikt als hoofdkwartier. Na de oorlog werd het een psychiatrische instelling voor oorlogsslachtoffers.

 

08

 

Het bovenmeisje van het kasteel solliciteerde in een van de eerste warenhuizen van het land, honderd twintig kilometer verder. Het lukte; in 1936 verkaste ze met haar spruit naar een andere streek. Het nieuwe ‘Gouden Kind’ Marius was ondertussen schatrijk. Als hij 21 zou worden, kon hij vrij beschikken over zijn kapitaal. Maar voor de mama was geen franc voorzien. Die had het daar erg moeilijk mee. Terwijl de jaren vorderden, groeide haar wrok. Ze ging een administratieve strijd aan met de familie van Christian. Het was vechten tegen de bierkaai natuurlijk. Die familie liep niet hoog op met de vergiftigde flierefluiter-vrijgezel, en nog veel minder met dat bijslaapje van hem, een Corsicaans ex-bovenmeisje. Meer nog, minder nog: ze bleek zo erg behept met de kwestie, dat het verdacht werd. Het parket heropende de zaak van de moord op Christian, op aandringen van de familie. Enkele maanden later werd Marius’ mama officieel beschuldigd van de gifmoord. Ze werd opgepakt en veroordeeld. Motief: het slijk der aarde. De jonkheer zou haar, in bed nog, bij leven en welzijn dus, beloofd hebben dat ze niks te kort zou komen als ze het kind hield, onder de omstandigheden die hijzelf voorschreef. Het bleek een leugen te zijn; er was alleen voor de baby gezorgd. Haar voorgevoel zou uitkomen. Meer nog, minder nog: het bovenmeisje had de bons gekregen, twee maanden voor Christian op pijnlijke wijze het tijdelijke met het eeuwige wisselde. Als dat geen bewijs was. Voor haar én voor het parket.

 

09

 

Tijdens de oorlog kwam de gifmengster weer vrij. Toen ze for old times’ sake nog eens het kasteel opzocht, viel ze op een Duitse majoor. Hij op haar. Gebruik makend van een militaire missie deserteerden ze samen naar Paraguay, met zoon Marius. Daar doken ze onder en kozen ze een nieuwe identiteit. Marius werd andermaal geboren, dit keer als Urquhart. In Paraguay ontwikkelde hij zijn liefde voor fietsen. Het was zijn grote droom beroepsrenner te worden. In Europa natuurlijk. Toen de Duitse stiefvader er na een voedselvergiftiging de brui aan gaf, nam de droom concrete vormen aan. Anno 1948 voeren ma en zoon terug naar het Oude Continent. Ze namen hun Corsicaans-Franse nationaliteit weer aan, evenwel de naam Urquhart behoudend. Ma ging piepklein wonen en dimde langzaam maar zeker uit. Twee jaar later werd ze begraven in het stille Groffliers niet ver van de zee. Marius Urquhart bracht zoveel tijd in het fietszadel door dat het eindelijk zover was: hij werd ingelijfd bij het gild der beroepsrenners. In die tijd ook werd hij gecontacteerd door notaris Moeneclay in Pourville. Even werden zijn ogen zo groot als schoteltjes toen de notaris hem de documenten voorlas. Maar hij wou vlug weer in het zadel, heerlijk op- en neer meanderend langsheen de Route de Mer. Hij nam een deel van het geld op en verdween na de zomer maandenlang naar Corsica, waar hij dagelijks noest trainde op zijn klimwerk.

 

10

 

Macht erotiseert, sport ook. Marius Urquhart kaapte een schoonheid weg, maakte haar zwanger en bleef vooral beroepshalve in het zadel. Een lastig zittend beroep. Het verliep niet echt naar wens. In het peloton was hij nog altijd een van de vele knechten-waterdragers. Pas toen hij voor de tweede keer deelnam aan de Tour, de Tour van Fausto Coppi, voelde hij zich beter in zijn vel. Maar hij had molentjes in zijn hoofd. Daar wentelden andere plannen in het rond. Hij had alles goed voorbereid. Bocht 34 op de Col d’Ardur was zijn sluipweg naar de velden der vergetelheid. Zwaar verzekerd en daarenboven vanzelf nog eens schatrijk ook, katapulteerde de jonge beroepsrenner zich met zijn fiets op 06 juli 1952 het struikgewas in. Zoek iets, iemand, en je vindt dat, die nooit. En zo geschiedde. Marius Urquhart werd niet voor de derde keer wedergeboren. Zelfs de prille weduwe ontving nimmer een teken van leven.     

 

11

 

De blik van Bärbel werd voortdurend van het scherm weggetrokken. Het was irritant: die oude kerel zat zo strategisch opgesteld, dat hij zowel haar als het tv-scherm voortdurend kon focussen. Ze voelde het. Ogen kunnen branden. Het trok haar aan en stootte haar af. Ze had de man nog nooit in La Russe gezien, dacht ze. Of in Berck-sur-Mer. Of toch? Nog voor het einde van de Tourrit stond hij op en verdween, na een uitdrukkelijke hoofdknik in haar richting. Ze knikte kort terug en richtte haar aandacht weer op het scherm. Toen de uitzending afgelopen was en Bärbel het bos lege glazen van diverse tafeltjes ophaalde, trof ze op de plaats waar de oude onbekende gezeten had een maggiblokje aan. Toen keek ze naar de kalender aan de muur.

 

12

 

Pa was al jaren overleden. Ma overleefde wezenloos in een fauteuil in de achterkeuken. Het maggiblokje, eender welk maggiblokje, bracht haar niet terug tot de werkelijkheid. Hoe hard Bärbel ook haar best deed, het smaakmakende sterkmakertje kon de oude onbekende bekende niet meer terug naar hier toveren. Niemand van de wielerfans-namiddagklanten van die zondag bleek de man te kennen. Ze konden zich hem zelfs met moeite herinneren: Berck-sur-Mer begon in die periode overspoeld te raken door veel vreemde toeristen. En de man kwam niet meer vanzelf terug, hoe lang Bärbel ook wachtte, de hele Tour lang. De voortekenen waren er nochtans soms: in de Alpen was er de gedenkwaardige valpartij van Beloki, die daardoor uit de Tour verdween en nipt niet geletruidrager Armstrong in zijn val meesleurde. Smeltend asfalt bleek de oorzaak te zijn. In de eerste lastige Pyreneeënrit stond tot driemaal toe 34 gekalkt in een van de laatste dalende bochten. Bärbel wou best wel in een fascinerend soort numerologie geloven, bijgeloven. Ook de Corsicaanse afscheidingsbeweging roerde zich. Aan het begin van de zomer werd Colonna opgepakt, de moordenaar van de Corsicaanse prefect. En ondanks enige clementie, betoond door de Franse president, was de eveneens opgepakte boer-antiglobalist José Bové manifest aanwezig in De Ronde en in heel Frankrijk. Het werd (de jaren van de wereldoorlogen buiten beschouwing gelaten) voorwaar nog een gedenkwaardige honderdste Tour.