24-05-17

BESCHAVING WATERSTAAT

BESCHAVING WATERSTAAT

Het was niet op een dag of een nacht gebeurd. Er was wel al jaren voor gewaarschuwd. Zelfs decennia. Het ging om een sluipmoord die pakweg een kort mensenleven in beslag nam. Eén politieke partij had in dat verband altijd het voortouw genomen, af en toe omwille van stemmingmakerij in tijden van verkiezingen gesteund door opportunistische milieusnobs van ‘traditionele’ partijen. Maar men had noch nationaal noch internationaal deze onheilsprofeten van het klimaat ernstig genomen. En toch.

Alladin, de Alliantie van Adinkerke, een groene stroming die om de twee jaar een klimaattop in het uiterste westpuntje van de Vlaamse kust hield, had gelijk gekregen. Hun laatste vier ‘tops’ van de 21ste eeuw vielen zelfs enigszins in het water, letterlijk. Dobberend op een groot klimaatvlot hielden ze hun allerlaatste colloquium vooraleer de Lage Landen definitief overspoeld werden. Hun ergernis vertolkten ze toen via de slogan KUST ZE.  

Anno 2098 bestonden Nederland, Vlaanderen en Noord-Frankrijk uit paalsteden en drijvende dorpen. Er was geen land meer te bezeilen, alleen water. De Waalse en Franse Ardennen lagen nu aan zee.

Straten werden waterwegen; pleinen en pleintjes werden meren en poelen. Auto’s waren vervangen door vaarwagens en boten en bootjes van divers pluimage. Naast de nieuwe drijvende steden en dorpen stak hier en daar nog een kerktorenspits of de top van een appartement uit oude tijden als een vingerwijzing boven het wateroppervlak uit. Daar was het opletten geblazen voor het huidige waterverkeer. 

De Alliantie van Adinkerke, zegge en schrijve Alladin, had de macht gegrepen nadat de overspoeling alom een feit was geworden. Er was geen sprake meer van de oude landen of hun benamingen. Ook de traditionele zuilen en partijen waren verzwonden. Alladin bestuurde nu Waterstaat. Hun munteenheid was de aquarel. Je betaalde ongeveer drie aq. voor een halve kilogram vis. Zoogvlees, kippen, konijnen en grondgevogelte waren delicatessen die op grote grasvlotten gekweekt werden. Alleen Alladinaren konden zich die veroorloven. Ofwel moest je er lang voor sparen. Zwanen, eenden en ganzen verschenen weer op de spijskaarten. Op waterduiven, beverratten en allerlei ander watergespuis werd stiekem gejaagd. Stroperij werd oogluikend toegestaan, als onderdeel van een zwarte markt die de officiële economie gaande hield. Fruit en groenten waren het monopolie van Waterstaat, die over het eigendomsrecht van alle platte daken beschikte. De regering-Alladin kweekte er fruitbomen in potten en groentebedden. Alleen Waterstaatsdrones werden tot de daken toegelaten. Via aandelen, bonnen en inschrijvingen kon je van de oogst of de teelt genieten, maar de wachtlijsten waren lang, vooral wanneer een seizoen tegenviel. De woorden ‘witlof’  en ‘champignon’ bijvoorbeeld waren al uit de woordenboeken verdwenen. Zwemmen leerde je al vlak na je onderwatergeboorte. Het officiële Waterstatuut kon je vanaf je veertiende verwerven, wanneer je minstens drie maanden per jaar in een van de vele waterzuiveringsstations ging werken.

Waterstaat was een no-nonsense democratie. Wie het niet eens was met de meerderheid en zich daar slecht bij voelde, kreeg de kans te emigreren naar Zoutenisse, een gigantische lap zoutwater ter hoogte van het oude Polderland zonder ook maar één enkel zuiveringsstation. Op Zoutenisse dreven een vijftal dorpen die alle verankerd waren met de paalstad Zilte, de hoofdplaats van Zoutenisse. Verzouten was er de doodsoorzaak bij uitstek. Het krioelde er ook van de criminelen, want Waterstaat gebruikte het district Zoutenisse als verbanningsoord en openluchtgevangenis. Je raakte er niet ouder dan 103 jaar. Toch was overpopulatie er een groot probleem.

Joplini Van Wesemael zat op zijn plankier aan de Polenpoel zijn aquarels te tellen. Binnenkort zou een stuk zoogvlees mogelijk zijn. Rood vlees. Misschien zou hij eerst nog een paar waterduiven proberen te schieten. Dat leverde ook voedzaam vlees op. Of hij kon die op de Aquamarkt in Wrakijna verkopen, zodat zijn voorraad aquarels aangroeide. De gedachte aan rood vlees deed hem het water in de mond komen. Maar er waren nog andere kosten waar hij rekening mee moest houden.   

Er gleed een chique vaarwagen voorbij, bestuurd door een Alladinaar. Hij herkende haar aan de staatstatoeage op haar wangen (een stel kieuwen) en de codeplaat aan de zijkant: BW-WA3AL. Het was bovenwaterminister Marie-Solfège De Pourq. Joplini bracht de verplichte Waterstaatgroet, een soort golvende beweging vooruit met de rechterhand, maar Marie-Solfège bleef hooghartig voor zich uit staren en beantwoordde de groet niet.

‘Stomme vissenkop’, mompelde Joplini. ‘Kieuwenkut’.

De vaarwagen verliet gelijkmoedig puffend de Polenpoel. Marie-Solfège De Pourq had in deze armenbuurt niets te zoeken. Het betrof haar dagelijkse kille passage naar het Waterstaatconclaaf op het Blûûrmeer in deelhoofdstad Middenwater. Haar vaarwater was altijd eender. Alleen in verkiezingstijden beantwoordde ze de Waterstaatgroet, die voor elke inwoner verplicht was. Sporadisch, wanneer ze met het verkeerde been uit haar waterbed was gestapt, liet  ze haar vaarwagen stoppen om een Waterstater te straffen die de groet niet had gebracht, ondanks het feit dat zij zelf zeer zelden groeten beantwoordde. Dan rilde ze de onderwaterminister Yadisro op, die prompt een afgezant stuurde en korte metten liet maken met de niet-groeter: die werd zonder pardon naar een van de koraalmijnen verbannen, waar hij/zij zeven waterjaren lang onder beperkte zuurstofvoorwaarden tewerkgesteld werd. Maar meestal bleef Marie-Solfège stuurs voor zich uit staren, want het was onmogelijk om onderweg alle Waterstaatgroeten te beantwoorden. Je kon er een lamme arm van krijgen. En ze had haar rechterhand en –arm nodig om haar vaarwagen te sturen. Het vaarwater in de Polenpoel was onstuimig.

‘Elf’, telde Joplini hardop, maar verder kwam hij niet. Met hevig geproest en geplets dook plotseling Danny Darcq uit het water op. Hij schudde de druppels van zich af terwijl hij zich aan de stangen omhoog hees tot op Joplini’s plankier. Zelden kwam Danny met goed nieuws af. Hij leek zelfs op te beuren bij het ontdekken van onheilstijdingen.
‘Danny. Hoe gaat-ie? Ik schrok me een zeepaardjesbult.’
‘Joplini, sorry dat ik zo bruusk bij je aanmeer. Heb je het al gehoord? Er is weer massale vissensterfte op komst.’
‘Verdomme!’
‘Het is menens. Een heleboel bevoorrechte Waterstaters heeft al emigratie naar de Ardennen aangevraagd.’
‘Zoutenisse komt natuurlijk niet in aanmerking voor ze. Die emigranten zijn Alladinaren, wellicht?’
‘Je raadt het.’
‘Slecht nieuws voor de everzwijnen.’
‘Het asbest uit de ondergrond van vroegere tijden speelt de vissen in Waterstaat parten. En bij uitbreiding ons, natuurlijk. As op z’n best, snap je hem? Dood, Joplini, dood!’
Danny Darcq maakte een gebaar alsof hij zijn eigen keel oversneed.
‘Ik was net van plan weer waterduiven af te knallen.’
‘Beverratten zijn ook lekker.’
‘Dat wordt wennen, Danny. Kom erin. We drinken een Brûm.’
‘Dat sla ik niet af. Laten we alvast wat jaagplannen opstarten.’

Overal in Waterstaat werden gelijkaardige jaagplannen gesmeed. En dat was nou net het punt waarover de bovenwaterministers vandaag aan het vergaderen waren. De ene helft van de dierenpopulatie was besmet; de andere helft kwam daardoor in gevaar. De contaminatie betrof een euvel van lange duur. Dat betekende absoluut geen goed nieuws voor de regering-Alladin, die al meer dan een eeuw lang milieu als speerpunt had. Maar hun monopoliepositie verrechtvaardigde uitzonderlijke standpunten, harde ingrepen en ongezouten meningen. Er keek dan ook niemand echt verbaasd op toen plotseling bovenwaterminister Ermin Debruwaene, Afstandelijk Gouverneur van Zoutenisse, opperde:

‘Laten we mensenvlees op de kaart zetten. Lekker gezouten, zoals de prés salés van weleer uit de delta van de Somme. De schapen die vooraf bij leven en welzijn door omstandigheden al gezouten waren. Ik heb een voorstel, collega’s.’

Marie-Solfège De Pourq bolde haar kieuwen op, knikte goedkeurend en dacht aan het etentje dat ze binnenkort zou geven voor collega’s van het ministerie van Vlees noch Vis. Een carpaccio van menselijke prés salés reepjes met ouderwetse mayonaise en worcestersaus zou er zo in fietsen. Misschien opende dit dan perspectieven betreffende het ministerschap van Amfibieën en Reptielen. Er zat muziek in dat departement. 

Alladin was oppermachtig want alleenheersend. De mensenjacht was dus open. Zilte en de vijf verankerde strafdorpen werden ogenblikkelijk tot jaagkolonie uitgeroepen. De Afstandelijk Gouverneur Ermin Debruwaene loste er het probleem van de overbevolking aldaar mee op. Aan dat asbest en die vissensterfte zou later nog wel iets gedaan worden.

Nog diezelfde dag vernamen Joplini Van Wesemael en Danny Darcq het nieuws.
‘De vaarwateren naar Zoutenisse zijn zelfs reeds vrijgegeven’, zo klonk het uit de Waterstaat Cloud. ‘De vergunning voor een halve dag mensenjacht kost 6 aq. Die is aan te vragen bij de Zuil van Topus op het Dobbermanmeer of bij uw persoonlijke Straatwaterverantwoordelijke. Na Waterdag wordt dat 8 aq. Jagen op vissen wordt voorlopig nog toegelaten op eigen risico. Er kunnen gezondheidsproblemen rijzen na het nuttigen van vis.’
‘Mm… Voor mij een bil van een ouderwetse katholiek’, zei Danny likkebaardend. ‘Traag gegaard, met za’atar bereid.’
‘Doe mij maar een portie schroeivlees van zo’n caravansocialist’, zei Joplini. ‘De beide lendenstukken graag. Geflambeerd in Brûm. Op naar de zoute wateren! Ik ruik menschenvleesch!’