18-04-17

MOESKOPPER

MOESKOPPER


Ebenezer Moffaert was een beminnelijk mens, maar dat werd voor een flink stuk ontsierd door zijn hebzucht. Steeds minder mensen roemden hem om zijn  beminnelijkheid.
Moffaert E. – zo prijkte het op zijn naambordje onder zijn bel in residentie Old Brussels vijf hoog boven brasserie Hot Stone. Sommige van de steeds schaarser wordende bezoekers wezen hem op dat euvel. Of hij zich misschien in het leger waande? Of hij zijn eigen voornaam verloochende? Of hij een Hongaar was? Of hij zich de zoveelste minkukel in de pikorde van de menselijke soort voelde?
Ebenezer Moffaert aka Moffaert E. haalde dan gespeeld mistroostig zijn schouders op. Het naambordje hing er al jaren en vervanging zou misschien centen kosten. Zijn gierigheid was de keerzijde van zijn hebzucht.
‘Zo vinden ze me rap’, placht hij dan te zeggen.
‘Waarom moet je rap gevonden worden?’
‘Ik wil maar zeggen.’
Niemand moest Ebenezer Moffaert vinden. Tot op zekere dag iedereen Ebenezer Moffaert wou vinden: de man van wie beweerd werd dat hij in een stad aan de zee was komen wonen omdat hij dacht dat de gemeentebelastingen er gehalveerd waren – het was immers maar een halve stad; de andere helft was water.

Ze vonden inderdaad zijn naambordje rap.

De 47-jarige vrijgezel en hulpbibliothecaris Ebenezer Moffaert droomde ervan de lotto te winnen of zo rijk te worden als de zee diep was. Ongeduldig wachtte hij (als enige nazaat) op de dood van zijn beide verwekkers, van wie hij nog op zaterdagvoormiddagen het volkstuintje onderhield achter het bejaardenwoonerf in het hinterland van de Vlaamse oostkust. Zijn eigen bescheiden kapitaal groeide ondanks de crisis van de prille jaren van de 21ste eeuw gestaag dankzij een saai, voorspelbaar, veilig en omzeggens autistisch bestaan. Hij betaalde geen cent belastingen te veel, likte nooit een ijsje, woonde nooit trouwfeesten bij, ging nimmer op reis, scheurde constant bonnen en coupons uit kranten en magazines die hij in wachtkamers en op openbare plaatsen aantrof en at elke middag in het restaurant van het stedelijk OCMW of het ziekenhuis. Warenhuisprijzen vergeleek hij nauwgezet. Holland was vlakbij: hij gunde zichzelf wel eens een winkeluitje naar een van de grenswarenhuizen, waar de prijzen ‘gierig’ waren – een zelfspottende slogan van het koopmansvolkje.

Honderd jaar nadat het verdwenen was, werd andermaal urtogein gekweekt in Vlaanderen. Onderzoekers en veldwerkers van de universiteit van Gent waren er in geslaagd een proefveldje van deze vergeten plantgroente op te zetten, na een turbulente periode van genetisch gemanipuleerde aardappelen annex de nodige heisa. De planten waren al vijftien centimeter groot. Ebenezer Moffaert las er in de krant over, die hij elke dag gratis raadpleegde in de tijdschriftenafdeling van de bibliotheek. Daarna googelde hij wat, onder andere met Street View.    

Urtogein: ooit een peperdure Vlaamse eetbare plantgroente, voor het laatst gespot omstreeks 1915 in de omgeving van Eeklo. Inmiddels geheel verdwenen. Rodekoolkleurige bloemloze plant met tweevoudig geveerde, diepgezaagde bladeren, telkens vijf per stengel. Alleen de stengels waren eetbaar. De vier seizoenen rond mogelijke teelt in binnen- en buitencultuur, waarbij ganzenmest de hoofdrol speelde. Bevatte 0,03 % orobanche (bremraap), 0,04 % arsenicum en 0,01 % cicuta maculata ofte gevlekte musquashroot (waterscheerling). Intens neteleffect bij aanraking met de bladeren, alleen in ochtendzon tot en met 12 uur. De openbare teelt van urtogein was eigenlijk bij wet verboden, want de combinatie van orobanche, arsenicum en cicuta maculata werkte in deze verhouding verslavend en ‘bewustzijnsverruimend’. Vakkundig bereid en goed gebruikt sorteerde urtogein wel degelijk een speciaal effect, maar het bleef oppassen geblazen met de verhoudingen. Onachtzaam gebruik kon ook de dood veroorzaken. Was zeer gegeerd bij de chef-koks in de bekende restaurants uit die tijd (urtogein bleek in combinatie met ganzenlever een genot voor de smaakpapillen te zijn), in kunstenaarsmiddens en voor medicinale doeleinden in de farmacie en de heelkunde (extracten uit de stengels van de wonderplant konden meer en vlugger dan andere middelen of medicijnen pijn stillen, wonden helen, bloed stelpen en euforisch verdovend werken). Over urtogein deed een stadslegende de ronde. Wie zich netelde aan een blad (en dat prikte behoorlijk vinnig), voelde helemaal niks meer onmiddellijk nadat hij op het betreffende blad van de plant wat grof zeezout had gestrooid. Niet op de hand dus!

‘Peperduur’.
Dit woord bleef nazinderen bij Ebenezer, na het eenzame ledigen van een halve fles goedkope cognac op zijn appartement. Het werd tijd voor eigen kweek. Hij zou voor een primeur zorgen. Het  volkstuintje van zijn ouders, waar ze zelf nog nauwelijks verschenen, was de ideale plek. Het proefveldje van de universiteit bevond zich op het Galgenveld in het dorpje Afsnee, op enkele steenworpen van de Oost-Vlaamse provinciehoofdplaats Gent. Moffaert Ebenezer stak op een late zomeravond zijn vouwfiets in de koffer van zijn auto en begaf zich naar het ingedommelde Afsnee.

De proefvelden van de universiteit lagen op het Galgenveld in Afsnee alle samen op een terrein dat gehuurd werd van een land- en tuinbouwschool uit Melle. Je kon er met de auto tot vlakbij. De kwestie was natuurlijk er op dit uur binnen te geraken (en weer buiten met de buit). Een hoog ijzeren hekken vormde de hoofdingang, waardoor de toegang op het voorportaal van een begraafplaats geleek. Een brede zijingang vijftig meter verderop, voorzien op tuinbouwwerktuigen,  was afgesloten met een blinde poort die blijkbaar elektronisch werkte. Voor de rest was het domein omheind door een brede droogstaande greppel van wel twee meter diep, waarachter zich een drie meter hoge beukenhaag verhief die al jaren innig verstrengeld was met pinnige Vlaamse afrasteringdraad. Parkeren kon onopvallend: diverse buurtbewoners maakten in deze kalme zomerperiode gebruik van de mogelijkheden op de brede parkeerstroken naast de greppel en het fietspad aan de voorkant en aan een van de zijkanten van het proefdomein, zodat hun eigen opritten vrij bleven voor hinkelhokken, buurtbarbecues en straatpalaver.

Moeskoppen of moeskopperij is de diefstal van groenten, fruit, gewassen of een (deel van de) oogst. Het veronderstelt het plukken, afrukken, afsnijden of uitgraven van de vruchten. De Belgische strafwetgever heeft geoordeeld dat het wegnemen van groenten van het veld, het plukken van appels of druiven, niet moet bestraft worden als een wanbedrijf maar als een overtreding. Artikel 557 Sw. heeft het over: Zij die veldvruchten of andere nuttige voortbrengsels van de bodem die nog niet los van de grond zijn, roven. Alle andere vormen van diefstal, eventueel ook het wegnemen van een appel uit de winkel, worden wel beschouwd als een wanbedrijf, met zwaardere straffen. Als de veldvruchten in groep geroofd worden of 's nachts, dan is het ook diefstal. Ook het oprapen van een gevallen appel is geen moeskopperij, maar een gewone diefstal. De basisstraf voor moeskopperij is één tot vier dagen gevangenis en/of een geldboete van 5 tot 15 euro (te vermenigvuldigen met 6). Met ingang van 1 april 2005 is moeskoppen uit het strafwetboek gehaald en dus gedecriminaliseerd. Steden en gemeenten die dit wensen kunnen moeskoppen opnemen in hun politiereglement en zo opnieuw bestraffen via een gemeentelijke administratieve sanctie. In 2007 dook in België een nieuw verschijnsel op van grootschalige moeskopperij. Vele tientallen hectaren maïsveld werden machinaal door dieven geoogst en weggevoerd. Doordat het in groep en 's nachts gebeurde kon het toch vervolgd worden als diefstal.

Schuilen deed je het best in de openbaarheid: Ebnezer Moffaert parkeerde zijn auto net om de hoek op de parkeerstrook, tussen een Skoda en een mobilhome in. Er stonden nog minstens tien andere auto’s in de zijstraat. De vouwfiets bleek gezien deze meevaller overbodig; het doel was vlakbij. Aan de overkant bevond zich een langwerpige weide bevolkt door enkele ganzen, die nieuwsgierig naderden. Gelukkig hielden ze hun snater. De weide liep honderd vijftig meter verder in een punt toe, waar de huizenrij begon. Geen pottenkijkers dus. Het was ondertussen al goed donker geworden. Ebenezer wachtte een poos. De ganzen waggelden weer weg. Dan trok hij de kap van zijn fleece trui over zijn hoofd, gordde zijn rugzak om met een kniptang en een steekschep erin en verliet via de passagierszit in gebogen houding zijn auto. Even later waadde hij omzichtig door de droge greppel – een donkere gestalte met een bochel. Het was nu zoeken naar en hopen op een dunne kalende plek in de omheining. En misschien vormde die vintage afrasteringdraad ook niet zo’n probleem, gezien zijn ouderdom.         

Het proefproject ‘Snaterkracht’ onder leiding van professor Emma Hasselman van de Gentse universiteit verliep naar wens. De waakganzen handelden precies zoals ze ervoor opgeleid waren. Eerst verkenden ze de (eventueel bedreigende) situatie. Dan trokken ze zich terug om de tegenstand(er)(s) verder in te schatten. Daarna overlegden ze in verband met mogelijke actie en de noodzaak om in te grijpen. Ook de intensiteit van die actie werd bepaald. In combinatie met het proefveld waarop de urtogein werd gekweekt, betekende dit een uitermate geschikte test. Twee vliegen in een klap, zeg maar.

De alfagans met de elektronische nekband opende het poortje van de weide, zoals ze het aangeleerd was door professor Hasselman en haar team. Een peloton van zestien doodstille waakganzen stak omzichtig de straat over. Acht ganzen (peloton 1) haastten zich daarna  over het fietspad naast de parkeerstrook in de richting van de zijstraat; de andere acht (peloton 2) doken geruisloos de diepe greppel in en slopen op z’n indiaans verder in dezelfde richting. Beide groepen vervolgden op hun eigen tempo hun weg, tot ze om het hoekje waren.

Ebenezer dook nog dieper ineen: boven hem zag hij plotseling een aantal ganzenkoppen voorbij stuiteren, zich aftekenend tegen de nachtelijke zomerlucht. Ze gaven geen kik en keken strak voor zich uit. Waren die dan toch uit hun weide ontsnapt? Of betrof deze nachtelijke ganzenpas een zomerse ganzengewoonte? Toen de vreemde stoet gepasseerd was en hij aanstalten maakte om de haag verder op zwakke plekken te controleren, hoorde hij plotseling droog geknap en geritsel achter zijn rug. Verschrikt draaide hij zich om. Toen barstte de hel los. Oorverdovend gesnater vulde eensklaps de greppel, van twee frontlinies komend. Vleugels en poten wiekten en maaiden in een overweldigende mallemolen in het rond. Onder het gewicht van zestien hoogopgeleide waakganzen van de Gentse universiteit tuimelde moeskopper Moffaert E. diep ter aarde neer, frontaal en ruggelings aangevallen en geveld door deze blitzkrieg van boos gevogelte.

Death by a thousand beaks? Nee, hij leefde nog. Het deed niet echt pijn. Maar het voelde aan alsof zijn hele lijf met klemmen vastgehaakt was. Tientallen poten kneedden ondertussen het vlees van dat lijf, heen-en-weer huppend wisselend van plaats, terwijl ettelijke snavels hem door zijn kleren heen in bedwang hielden. Af en toe incasseerde hij een venijnige knauw. Een bepaalde gans trommelde ononderbroken met beide poten op zijn nieren. Hij kon geen kanten op. Gelukkig had hij zich op zijn buik kunnen draaien, zijn vuisten afwerend tegen zijn oren gedrukt. Door de opwinding van de aanval begonnen ook enkele waakganzen zich te ontlasten op het vege lijf van de moeskopper. Weldra zat hij onder de stinkende kledder. De hoofdgans met de elektronische band hield hem in een houdgreep ter hoogte van zijn nekhaar. Met haar beide poten beheerste ze het kloppen in zijn halsslagader. Tot zijn opperste verbazing hoorde Ebenezer elektronische geluiden achter in zijn nek, gevolgd door – godbetert! – de bevelende stem van een mens, waarop – droomde hij? Was dit een nachtmerrie? – de oppergans leek te reageren.

Ondertussen hadden enkele Afsnedelingen hun bed verlaten, gealarmeerd door het gesnater. Iedereen wist hoe de vork aan de steel zat. De waakganzen waren zich naar behoren van hun taak aan het kwijten. Dit betrof wel een primeur. Nieuwsgierig gingen de omwonenden op de haard van de heisa af. Daar troffen ze de gesneuvelde moeskopper aan, volledig onder het gevogelte en onder de schijt. Een halfuur later (een eeuwigheid voor Moffaert E.) arriveerden er een busje van de Gentse universiteit en een politiecombi. Er heerste uitbundigheid omwille van het slagen van het proefproject ‘Snaterkracht’, waarbij gelijk het proefveld van de urtogein beschermd was. Het duurde dan ook geen vijf minuten of er verscheen een lokale medewerker van Het Laatste Nieuws. De teams van de unief en de politie gingen graag in op diens verzoek om even te wachten met verdere ingrepen, opdat iedereen over pakweg zes, zeven uren ten volle van dit kluifje zou kunnen genieten – een neusje van de zalm in komkommertijden. Zowel de hoofdonderzoeker van het urtogeinproefveld als professor Hasselman kregen een kort interview. Ze benadrukten hun uitzonderlijke ecologische vorm van samenwerking. Pas een kwartier later leidden de onderzoekers de ganzen terug naar hun weide (waar die een feestelijke beloning voor hun snater kregen), terwijl het politionele team sanitairverpleegkundige hulp inriep in verband met de toestand van de moeskopper.

Moffaert E., met gebogen hoofd op de rand van de greppel gezeten, zag er uit als Lawrence of Arabia na maanden woestijntochten.

‘Hulpbibliothecaris??’ deed een ondervrager verbaasd. ‘Ge komt wel van ver!’
Ebenezer knikte.
‘Van aan zee’, mompelde hij stilletjes.
‘En wat deed gij hier in een Oost-Vlaamse gracht?’
‘…’
‘Met een kniptang en een steekschep? Hé??’
‘…’
‘Komt gij straks maar eens mee met ons. Maar we gaan eerst die smeerboel van u afborstelen. De cleaning service komt zo. Ha ha.’

De volgende dagen, tijdens een periode van landelijke komkommertijd, haalde Moffaert E. aka Ebenezer Moffaert de voorpagina’s van de kranten. Het begrip ‘moeskopperij’ werd uitvoerig ter sprake gebracht. Ook op YouTube kon een deel van de hallucinante greppelscène bekeken worden, dankzij de elektronische nekband van de hoofdgans. De jonge stagiair die bij ‘Snaterkracht’ betrokken was, kon het niet laten.   

Ettelijke keren ook werd er dwingend aangebeld bij Moffaert E. Ze vonden inderdaad zijn naambordje rap. De tweede nacht na zijn onfortuinlijke expeditie sloop hij naar beneden om zijn naam uit het vaag verlichte bordje te wrikken. De rest van zijn vrije zomerdagen verbeidde hij in afzondering en angst: over twee weken moest hij zich weer in de openbare bibliotheek melden. Er wachtte hem ook nog een politioneel onderzoek. Het openbare leven van Ebenezer Moffaert, ‘Moeskopper van de Kust’,  zou een hel worden.  

De commentaren zijn gesloten.