23-03-17

'ZIJ DIE DE LEGERMACHT ONTBINDT'

‘ZIJ DIE DE LEGERMACHT ONTBINDT'

 

… en Hij hield Zijn leerlingen de volgende gelijkenis voor …

‘Hoe hoger men gaat, hoe lager men valt. Zo was er eens een mooie vrouw, die bekend raakte als De Doodmaakster, toen de feiten die daaraan voorafgingen het daglicht hadden gezien. Zij betrok bijna geheel alleen de woontoren Ra’s Qasr aan de rand van de Nizmennost-woestijn op een steenworp van de zoute zee gekend onder de naam Sabkhat. Twaalf hoog, met uitzicht op de wandeldijk en de zee, woonde er wel nog één appartemens. Hij kwam nooit ofte nimmer naar beneden of naar buiten, maar zat ononderbroken aan het venster. Iedereen die er passeerde (en de wandeldijk kende behoorlijk veel passage) was vertrouwd met het beeld van het bovenlijf plus hoofd twaalf hoog, dat de klok rond de wandeldijk beneden gadesloeg. Ze noemden hem Vensterman.

Om twaalf uur en om zes uur bracht de vrouw van beneden hem zijn dagelijkse kost. Op het gelijkvloerse terras, waar de vrouw woonde, stonden enkele palmboompjes in grote potten. Voor de rest was de appartementtoren onbewoond. Achteraan was, beschermd door een hoge betonnen omheining tegen het woestijnzand, een afgesloten ruimte, geplaveid met magentakleurige steen uit de Nizmennost-woestijn. Daar landden wel eens enkele harpijgieren, die zich dan te goed deden aan het lekkers dat de vrouw daar af en toe deponeerde. Links en rechts van Ra’s Qasr stonden nog enkele woonblokken en –torens, telkens gescheiden door een grote zanderige opening waar de woestijnwind vrij spel in had. Ra’s Qasr paalde dus nergens aan.

Op een dag voer de satan in Lizie Verstraete – want zo was de naam van de vrouw, die later bekend zou worden als De Doodmaakster.

Op zeer geregelde tijdstippen ging zij als een spin in haar web postvatten. Zij hield van het gefluit van de woestijnwind om de woontoren. Soms hief zij even het hoofd, alsof zij in contact stond met de halve Vensterman twaalf hoog. Zij hield er ook van de wandelaars of toevallige voorbijgangers op de dijk met haar verrekijker te bekijken. De zoute zee Sabkhat mocht dan geen toeristische trekpleister zijn (de woestijnwinden speelden hier een bepalende rol in), toch kende de streek enige drukte. Elke dag waren er op de dijk wel joggers of dagjesmensen te bespeuren. De verrekijkster op het palmboompjesterras pikte er de mannen uit.

Soms wenkte Lizie Verstraete er eentje.
Soms ging Lizie Verstraete zelf naar de dijk toe.
En dat was nou net het werk van de satan. Aldus ging zij te werk.

‘Jongeheer? Meneer?’
‘ … ?’
‘Mag ik uw hand lezen, jongeheer, meneer?’
‘Eh… ‘
‘Het kost u niks hoor, helemaal niks. Ik geef er u nog een kopje thee bij, ginds, op mijn terras.’
‘Wablief? Nou ja… Gratis, zegt u?‘
(Variant 1: ‘Eh… ja… ‘) (Variant 2: ‘Eh… even maar, hé.’) (Variant 3: ‘Tja…ik… ‘) (Variant 4: ‘Nee!’)
‘U wilt toch weten… ‘
‘Ik geloof daar… ‘
‘Maar zéker dat u daar in gelooft!’
‘Maar… ‘
‘U zult versteld staan. Kom maar even mee. Het is lekker koel op mijn terras.’
(Variant: ‘Het is lekker warm op mijn benedenverdieping.’)

En zij nam zo’n kerel fluks bij de hand en leidde hem gevankelijk mee. De mooie Lizie Verstraete, die bij zulke gelegenheden minstens de helft van haar lichaam blootgaf, had weinig moeite om mannen te strikken.

‘U hebt echt mooie handen. Hebt u ook een naam?’
‘Zegt u maar Pjotr (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared). En u heet… ?’
‘Mooie naam ook. Het zijn vooral jonge handen, Pjotr. Lizie.’
‘Lizie.
Mooie naam.’
‘Hou je van de zee?’
‘O ja.’
‘Hou je van de woestijn?’
‘O ja.’
‘Waarom verwondert me dat niet? Beetje wilde natuur hé? Dacht ik al. Als u een vrouw of minnares hebt, dan mag deze van geluk spreken. Ik zie… Ik zie… ‘

Lizie zag helemaal niks in de stomme handlijnen, stekeblind was ze voor magie, maar vice versa verzopen de ogen van Pjotr tussen de beweeglijke gouden duinen van de waarzegster, terwijl nu eens zijn ene dan eens zijn andere hand gestreeld en gekneed werden. Van thee was geen sprake meer. Weldra belandde zo’n hand tussen de knieën van Lizie Verstraete, de dijen, op de topjes van haar duinen.

‘Wil je niet even mee naar binnen in de koelte?’
‘Ja… ‘ deed Pjotr verloren. (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared).

De mooie Lizie Verstraete gaf zich dan onmiddellijk en geheel bloot. Nadat zij het mannelijke zaad eruit had geperst en opgeslagen had ergens in haar lichaam, vroeg ze dan:
‘Hebt u de man zien zitten aan het venster op de twaalfde verdieping?’
Soms knikte de uitgetelde kerel bevestigend, soms schudde hij verbaasd van nee, soms antwoordde hij niet door uitputting, want Lizie placht wel eens het onderste uit de kan te halen.
‘Doe me een plezier: trek je kleren weer aan en ga even mee naar boven om mijn man te groeten. Dat zal hij ten zeerste waarderen. De lift is vlakbij.’
‘Je man?! Maar waarom … ’
‘Ja. Hij is verlamd aan de benen en brengt zijn dagen op panoramische hoogte door. Af en toe heeft hij wel behoefte aan een kort gesprekje. Dan breng ik eens iemand mee tot op het twaalfde. Is-ie weer tevreden.’
‘Ah… ‘
‘Vooruit: voor wat, hoort wat!’
‘Oké dan.’

Eenmaal boven maakte de kerel kort kennis met de mindervalide echtgenoot van de waarzegster. In de cederhouten armleuning van zijn rolwagen kerfde die dan met een keukenmes een streepje bij de rest. Terwijl de bezoeker ietwat verbaasd toekeek daarop, nodigde Lizie hem uit om de rolwagen van haar man tot op het achterste balkon te duwen.
‘Dan heeft mijn man eens een zicht over de woestijn. Dat wil hij elke dag wel een keer. Maar dat ding is zo stug te bewegen, hier komen zo weinig bezoekers, ik heb niet genoeg kracht in mijn armen… en voel me uitgeput ook,’ zei ze samenzweerderig, terwijl ze veelbetekenend in de ogen keek van hij waarmee ze daarnet de liefde bedreven had. De bezoeker, onmiddellijk bereid tot deze kleine goede daad, reed het wagentje tot op het balkon, gevolgd door de vrouw, die intussen het keukenmes van haar man overgenomen had.

‘Prachtig… ! ‘ hadden Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared uitgeroepen.

Daarop plofte Lizie Verstraete hun het mes in de rug, wrikte het er met de hulp van de rechterhand van haar man enkele keren in heen-en-weer en opnieuw uit, en gaf de bezoeker dan een stevige duw, alweer met de hulp van haar man. Het slachtoffer kukelde over de lage balustrade van het balkon en stortte beneden te pletter op de restanten van zijn voorgangers. Het duurde telkens niet lang voor de harpijgieren hun weg naar het magentakleurige achterplaatsje vonden.

‘Zo,’ zei Vensterman dan.
‘Zo,’ zei De Doodmaakster dan.

Zij reed haar echtgenoot terug naar het venster aan de voorkant, waste het mes af en legde het weer binnen zijn handbereik.

‘Nog iets nodig?’
‘Nee schat.’
‘Ik breng je straks wat te eten. Chili con carne, is dat goed?’
‘Dat is goed, schat.’

Toen de verdenkingen tegen Lizie Verstraete zich begonnen op te stapelen, zoals ook de lijken zich op het binnenplaatsje opstapelden, duwde zij op een avond eerst haar man over de balustrade van het achterbalkon en vervolgens sprong zij zelf. Zij landde zacht, maar dodelijk. Zij viel op Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter en Jared. Of wat daar nog voor doorging. Dit geschiedde op de Dertiende Avond van de Fluitende Woestijnwind. Zo zie je maar: hoe hoger men gaat, hoe lager men valt,’

… besloot Hij Zijn gelijkenis. En allen gingen tevreden heen …