16-08-16

GEORGE, SERIEMOORDENAAR

GEORGE, SERIEMOORDENAAR

George (neem die vreemde Engelse linkse bocht in de mond bij het uitspreken van de klinker in de naam) was een ongewone seriemoordenaar. Zijn serie betrof namelijk alle series van al zijn collega’s. Dat zat zo: George nam van elke serie zelf één moord voor zijn rekening. In hoogsteigen persoon. Als kameleon en copycat had hij daar het talent voor. Alle seriemoordenaars kregen dus eigenlijk een moord te veel op hun kerfstok gegrift, zo ze al gevat werden en alles bekend hadden. En zodoende bleef George buiten schot, want het kon een seriemoordenaar helemaal niet schelen hoeveel hij er vermoord had. En als het hem wel kon schelen, dan was hij zelfs fier op het grote aantal. Daardoor kon George lang op de arbeidsmarkt actief blijven. Hij bezat als het ware een geheim monopolie. Wat dat betrof: geen recessie voor de kerel. Toch deed één bepaalde moord hem de das om.

Die vlinder was er te veel aan.

Hij kwam ook niet reeksgewijs het leven van George binnenfladderen, zoals die dat gewend was van de mensen. Hij hoefde bij het mensdom maar te plukken uit een serie. Die vlinder echter was een zeldzaam eenmalig unicum. Totaal onverwacht danste hij het bestaan van de menselijke seriemoordenaar binnen. De Vanessa Atalanta Recessionista was de enige bekende volledig zwarte vlinder. Zijn vleugels vertoonden niet het minste teken van kleur of design. Zijn poeder scheen zeer gegeerd te zijn door miniatuurschilders, anesthesisten, modeontwerpers en farmaceutische specialisten. Vooral tijdens periodes van schemering en deemstering, de crisistijden van elke dag, kwam de inktzwarte vlinder tevoorschijn. Toch kon hij ook totaal onverwacht overdag opduiken, gewoonlijk als voorbode op een onweer. Het was een geheimzinnig beestje, waarover nog vele onopgeloste vragen bestonden, net zoals over motten, nacht- en monarchvlinders. Sommige onderzoekers opperden dat de zwarte vlinder een dwaalgast was. Maar waar kwam hij dan vandaan? De maan?

George had de wondere wereld der mooie tuinen ontdekt. Zuid-Engeland, Picardië, Normandië, Vlaanderen: hij bereisde het allemaal. Mooie tuinen trokken mooie vrouwen aan, en vlinders. En George, ex-fotograaf, ex-taxichauffeur, pril in ruste. Nou, rust.

Onrust dreef George naar die parels van flora. In deze biotopen werd het kabbelen van zijn bloed een kolken. Het kon zich voordoen dat wie daar (letterlijk) zijn pad kruiste, in de nabije toekomst een onaangenaam lot beschoren was. De tuinbezoeken van George betroffen studierondes annex rustige achtervolgingsscènes. Wee de goedbewaarde of mooigeweeste vrouw die een dezer lusthoven betrad: zij waagde haar leven in een dodelijk lottospel.

Op een dinsdagnamiddag zat George very English te zijn op een bank bij de Lime Walk in Sissinghurst Castle Garden. Het was eind juni. Bloemkoolbewolking bolde tegen een strakblauwe lucht op. George knabbelde van een gezond granenkoekje. Een twintigtal mensen, vooral oudere koppels, kuierden her en der over de uitgestippelde paden. Plotseling bevroor George halfweg een voedergebaar. Zijn blikken zeilden hongerig over de gazons, paadjes en perkjes. Voelde hij wat? Rook hij wat?

Hij stopte de rest van het koekje in zijn mond en verliet de bank. 

De vrouw die hij plotseling in het vizier kreeg, deed de adem in zijn keel stokken. Een lange zwarte jurk kon niet verhullen dat ze over een lichaam als een kathedraal beschikte. Waarom, in hemelsnaam, koos zo iemand voor zo’n verpakking? Bovenal viel ter hoogte van haar blanke borstpartij – een omgekeerde witte driehoek midden een zwarte zee van haren en textiel – de donkere vlek op. Bij het naderen (George: opzettelijk; zij: onopzettelijk) doemden geleidelijk aan de contouren van een zwarte vlinder op. Hij was volstrekt symmetrisch getatoeëerd op haar borstbeen, vlak boven haar beloftevolle verborgen broden en onder het wurgkuiltje bij haar keel, daar waar bij vele vrouwen vaak iets edelmetaalachtigs bungelt.

Om geen argwaan te wekken, sloeg seriemoordenaar George een zijpaadje in, vlak voor ze elkaar zouden kruisen. De zwarte schubvleugelige had hem van zijn stuk gebracht en bleef op zijn netvlies gebrand. Hij inhaleerde de warme lucht zo diep dat het pijn deed. Toen hij even stil bleef staan en de ogen sloot, warrelde de vlinder doorheen de donkere kamer van zijn hoofd. No design; only painted black. Hij telde 21, 22, 23 en keerde op zijn stappen terug. Ze was nog maar een tiental meter op de Lime Walk gevorderd. Haar rug vertoonde ook een grote blanke V, vlinderloos.

Toen sperde George zijn ogen in opperste verbazing: een inktzwarte vlinder bleef fladderend even boven het hoofdpad hangen, danste wat om het hoofd van de vrouw (die niks leek te merken) en streek dan op haar blanke V neer, waar hij met gespreide vleugels bleef zitten.

‘Soort zoekt soort?’ mompelde George dan half hardop, terwijl hij zijn ogen wat dichtkneep en tot op enkele meters de poedervleugelige vrouw naderde. Visioen van twee schouderbladen waarvan het vlees verwijderd was.

Visioen van twee schubvleugels op de rug van een vrouw.
Visioen van vlindervrouw met gespreide vleugels op een bord geprikt.

Volgens de indianen mocht je een wens doen wanneer je met je rechterhand een vlinder kon grijpen en die weer losliet.

Vlinders waren ook mensenzielen: er was het bekende verhaal van de Engelse regisseur die na zijn dood af en toe zijn schouwburg en zijn toneelgezelschap opnieuw bezocht in de gedaante van een vlinder.

George liet niet meer los. De zwarte vlinder evenmin.

Lime Walk. Elizabethan Tower. Moat Walk. Cottage Garden. Rose Garden. White Garden. Priest’s House. The Orchard. Nog es Lime Walk. Had de vrouw ogen op haar rug gehad, dan had zij haar moordenaar gezien: een schriel kereltje dat al twintig jaar geleden oud geworden was, herodesbaardje zuinig over kin en kaakbeen verdeeld, dunne lippen, vogelkopje, grijs, opzij geharkt haar met hitlerscheiding, likkebaardende oogjes, des winters wellicht halflange regenjas met ceintuur in een knoop.  

Het was nog een poos stappen naar het parkeerterrein in Jockey Lane, Cranbrook. Toen de bloemkoolwolken van kleur veranderden en dreigende gezichten begonnen te trekken, zochten dagjesmensen en seriemoordenaars de parkeerplaatsen weer op.

George begon aan het moeilijkste deel: de achtervolging. Hij verliet de broeierigheid van het parkeerterrein in het zog van de donkergroene Vauxhall met de twee X’en in de nummerplaat – makkelijk herkenbaar. Het spitsuur was inmiddels in volle gang. Kent, The Garden of England, wemelde van de auto’s. High Street. Biddenden Road. A28. Chart Road. Ashford. Van de vele oponthouden en bumper-bumperfases maakte George gebruik om zijn bovenlijf in politieplunje te wurmen en zijn namaaklegitimatie klaar te leggen. Flishinghurst. Glassenbury. So far, so good. Blackbush Wood. Waar woonde die vlindervrouw? George laveerde zijn ouwe Primavera achter de X-factor aan, handig slalommend. Een zonnige dag was ongemerkt en vrijwel naadloos in een bewolkte valavond overgevloeid; boven Kent hing een grijs gedrapeerd dat onweer kon betekenen.  

Hopelijk reed ze niet richting Dover… de boot op… alhoewel… kosten noch moeite spaarde George zich… maar met dit halve fake-uniform… verdorie… misschien moest hij er zich straks weer uit wurmen…

Waar reed dat mens verdorie naartoe? Het werd blijkbaar noch Dover, noch binnenland. Wanneer ze goed en wel richting zuiden gelanceerd was, en George haar van op een afstand moeiteloos kon volgen, verliet ze plotseling de snelweg en koos ze weer voor de richting van waaruit ze gekomen was. Op de snelweg had George haar ook vreemde bewegingen zien maken, duidelijk zichtbaar in het tegenlicht van de zakkende zon. Wuifde ze naar iemand? Danste ze mee op radiomuziek? Zat er een bij in haar auto?

Weer Blackbush Wood. Verdorie. George kreeg het op zijn heupen. Had ze misschien iets vergeten in de Castle Garden tuinen? Hier was de omgeving ideaal om… Dat had hij drie kwartier geleden al gemerkt, in omgekeerde richting.

In een opwelling deed George diverse keren na elkaar zijn lichten flikkeren, in combinatie met stevig kleven. Zijn hart bonkte; hij hapte naar extra adem en kreeg weer dat vlindergevoel in zijn buik. De Vauxhall vertraagde. Hij zag hoe de vrouw even een hand opstak. Ze had het begrepen. Even later pinkoogde ze naar links en hield stil op een uitwijk- en pechzone. George zette zijn auto vlak achter de hare. Hij klemde zijn legitimatie zo stevig in zijn handpalm dat die een snijwondje veroorzaakte. Vooraleer hij het portier weer dichtsloeg, veegde hij het bloed op het pasje aan zijn broek af en likte hij zijn hand schoon. Er kwam nog een auto oprijden. Die hield zo’n vijftig meter verder halt. George temporiseerde even. Een vrouw wandelde met een prul naar een vuilnisbak. Daarna vouwde ze op de motorkap een kaart open. George zette zich in beweging.

Alexandra keek bedenkelijk naar de lucht en besloot de Castle Garden te verlaten. Het briesje dat haar rug even aaide, kon net zo goed het verkennertje zijn van een Engels junionweer op z’n best.

Zijkijkend merkte ze dat ze de Kameleon nog altijd in haar zog had; hij struinde nu ook weer voor de tweede keer over de Lime Walk. Het hele circuit was hij haar gevolgd. Ze voelde zijn ogen zwarte gaten branden in haar rug. Dat zag er oké uit.

In de auto zorgde ze ervoor dat hij haar niet kwijtspeelde. Ter hoogte van Blackbush Wood belde ze de collega’s in hun auto op: DCS Clarke en DI’s Patton en Leary en DS Brooke. Niet de kleinste jongens. Op de snelweg wrong ze zich niet zonder moeite uit haar jurk. Een broek had ze al de hele namiddag aan; de rest volgde: het uniform van de vrouwelijke DSI.
‘De Kameleon krijgt een koekje van eigen deeg,’ flitste het bij dit manoeuvre door haar hoofd. ‘Hij zal vreemd opkijken.’

Ze beschreef de lus terug; hij volgde trouw en begon opvallend te kleven ter hoogte van Blackbush Wood. Toen knipperde hij met zijn lichten.

Achteruitkijkspiegels vormden nu de ogen op haar rug. Ze merkte dat de Kameleon even weifelde. Haar collega’s waren net de uitwijk- en pechzone opgereden. DS Brooke (in burger) ging zoals afgesproken iets in de vuilnisbak gooien en spreidde vervolgens een kaart op de kap open. De Kameleon leek geen onraad te bespeuren. Hij maakte nu aanstalten om op haar auto toe te stappen. Met bonzend hart en haar rechterhand op haar Automag V in de shoppingbag wachtte ze hem op. Ze opende het portier.

Zoals een oude stoomlocomotief een diepe zucht slaakte en een pluimwolk ejaculeerde, zo ontsnapte met een hevig geruis een grote klad inktzwarte vlinders uit de Vauxhall – eerst noodgedwongen langgerekt, dan als van nature samenhangend als een atoom. De turbulente compacte wolk kwam snel op George toegefladderd.
‘Een minitornado!’ flitste het door diens hoofd. ‘Toch bijen?!’

Verbijsterd zag hij de razende bol naderen. Vlak voor die bij hem arriveerde, nam het ding de vorm aan van een reusachtige vlinder met gespreide vleugels. Georges horizon werd inktzwart. Voor hij van de verbazing was bekomen, ontfermde de vlinderwolk zich over zijn vege lijf. Hij werd letterlijk ingepakt. Zijn keel werd dichtgesnoerd. Hij voelde geen pijn, alleen poeder, alom donker poeder. Van onder tot boven werd hij overpoederd. Zijn huid staakte het ademen; zijn hart werd zwart; zijn hersenen ontploften en hij suisde in alle richtingen de kosmos in.

Duizend zwarte zielen hadden wraak genomen op seriemoordenaar George.

Alexandra en haar collega’s constateerden eensklaps hevig vuur. Vlammen zo groot als populierenkruinen dansten verzengend om de Primavera en de man heen. Ze sprongen uit hun auto’s, maar de hitte hield ze op een afstand. Alles leek vuurvleugels gekregen te hebben. Materie steeg ten hemel op en liet vormloosheid op aarde achter. Alles gebeurde pijlsnel. De man richtte zich als een grote vuurvlinder nog eenmaal op. Toen, voorafgegaan door een steekvlam en een doffe knal, ontplofte de hele zaak.