14-06-16

BLACK MUSK

BLACK MUSK

Er moest toch iemand de boekhouding van deze dwaze wereld bijhouden? Dat kon niemand anders zijn dan Edwin Boens. Immers: van jongs af werd zijn schedel door zuinige haargroei getooid. Bijna engelachtig. Tevens torste hij een haakneus, aan weerskanten waarvan een kraaloogje als een blinkend muntje de wereld in de gaten hield. Zo iemand moest wel accountant worden.

Ik had Edwin Boens lange jaren geleden, decennia geleden zelfs, gekend. We speelden ooit in dezelfde volleybalploeg. We studeerden aan dezelfde universiteit, zij het aan totaal andere faculteiten. We verlieten allebei ons geboortestadje, om definitief ergens anders te gaan wonen. Of bleef hij honkvast haperen? Eigenlijk wist ik dat niet. Ik was plotseling zijn spoor bijster.

Soms groeit de behoefte iemand van lang geleden weer te zien of er ten minste wat informatie over te verzamelen. Vaak echter heeft dat geen zin. Zelfs op collectieve gedenkdagen van een generatie veertig-, vijftig- of zestigjarigen voel je het ongemak. Te veel verschillende levens zijn ondertussen harde feiten geworden, waardoor herinneringen weggedrukt zijn. Het is zelfs zinloos om, gewapend met een goed geheugen, dingen uit het verre verleden op te vissen, want de meerderheid van de betrokkenen staart je aan alsof je staat te liegen dat je zwart ziet. Ze zijn een en ander compleet vergeten.

Toen ik op een dag op het grote etalageraam van een fraai kantoorgebouw aan de kust Accountancy Decock, Maes & Boens zag staan, met daaronder Edwin Boens nog eens apart vermeld, toen wist ik dat ik beet had. Ik had me namelijk al die jaren diverse keren afgevraagd: waar is Edwin Boens? Wat doet hij? Is hij rijk geworden? Heeft dat engelenhaar op zijn hoofd de kans gekregen grijs te worden of is het door beurscrashes pijlsnel uitgevallen? Zijn die kraaloogjes van hem gunstig geconverteerd in de Europese munteenheid? Houdt hij ook nog andere boeken bij dan die met getallen en kolommen? Ik schreef haastig straat en huisnummer op en reed door, op zoek naar een boetiek waar ze black musk verkochten: nog iets uit mijn jeugdjaren waar ik naar verlangde. Die oude gevaarlijke geur, weet je wel. Ik wou dat straffe goedje weer eens met mijn vingertoppen achter mijn oorlelletjes aanbrengen, zodat ik het roerige verleden weer op kon snuiven. Ik rook namelijk graag lekker. De kust telde wel een paar van die exotische boetiekjes waar je dergelijke dingen kon vinden.
Thuis googelde ik Edwin Boens. Een en ander werd bevestigd door amper één zuinig item. Hij was het.

Ik besloot een truc te gebruiken om niet alleen Edwin Boens, maar ook een deel van de vroegere reutemeteut uit mijn geboortestadje weer te kunnen zien, zonder zelf verdacht te zijn. Via de werkgroepen die de generaties na veertig, vijftig en zestig jaar leven op deze aardbol ter herdenking op reünies weer samengebracht hadden, verwierf ik diverse adressen. Dat van de hr. Boens zat er niet tussen. Hij was ook nooit op zo’n reüniefeest verschenen. Daarom ook had ik die namiddag aan de kust dat accountancyadres vlug neergekrabbeld.

De volgende stap betrof een oude gekke droom van mij. Ik had die al een paar keer in mijn hoofd geconcipieerd. Nu maakte ik er werk van. Ik zond pakweg vijftig ouwe bekenden ieder een aparte brief. De inhoud en reden van mijn schrijven varieerde naargelang van hun beroep, interesse, leven… en was ondertekend door telkens aan ander pseudoniem. Er ging een uitnodiging mee gepaard, om te verzamelen op een welbepaalde plek op een welbepaald tijdstip. Het betrof telkens een individuele uitnodiging met een welbepaalde reden, plek en tijd. Maar ieder individu kreeg dezelfde plaats en tijdstip van afspraak… zodat ik een samenscholing for old times’ sake kon veroorzaken. Ikzelf zou daar ook zijn, opgaand in de groep, tevens ‘uitgenodigd’. Ook Edwin Boens zou opgaan in de massa. Ik zou hem onverdacht kunnen observeren. Niemand zou in de gaten hebben dat het allemaal voorwendsels betrof. Ik zou mezelf niet verraden. En ik zou me ook na een halfuur mee met de verontruste groep afvragen:

‘Maar wat doen wij hier eigenlijk? Wie is X, Y of Z? Wat gebeurt er hier nog? Is dit misschien voor een programma? Worden we gefilmd? Een immense grap? Toon eens uw brief? De mijne vertelt iets anders. Het is toch hier hé dat we moesten zijn? Of zijn we gemist van dag?’

En ik zou toch enkele kornuiten uit een ver verleden teruggezien hebben, waaronder de heer accountant Edwin Boens. Dat laatste vormde de hoofdreden voor mijn eigenaardige campagne: ik wou per se constateren hoe de tand des tijds Edwin Boens, voorheen schooljongen en student, thans accountant, toegetakeld had.

Twee dagen lang typte, vouwde en likte ik. De voorpret kon niet op.

Hem lokte ik met geldgedoe.

En hij daagde op.

Zesenveertig van de vijftig door mij opgeroepenen, incluis Edwin Boens, verschenen die dag omstreeks of klokslag 19 u op het Lindenplein in de middelgrote stad K., ieder gelokt met een aparte brief. Ikzelf arriveerde ook netjes op tijd.

Waar ik echter niet op gerekend had: enkelen hielden onmiddellijk al mijn brief in de hand. Verbazing en onbegrip haalden immers al vlug de bovenhand. De samenscholing vond zichzelf blijkbaar verdacht van in den beginne. Als een epidemie verspreidde het zich: meer en meer genodigden haalden de brief boven. Om niet op te vallen  deed ik dat dus ook maar, want ook naar mezelf had ik een uitnodiging gezonden. Ik merkte nu hoe sommigen aan hun brief roken. En hoe enkelen hun brieven uitwisselden om er op hun beurt ook aan te ruiken. Ook de chique meneer Edwin Boens stak zijn haakneus in zijn envelop.

Hoewel elke brief neutraal geprint was en zoals gezegd undercover voorzien van pseudogegevens, werd ik na vijftien minuten al door de meute als de dader aangewezen en ontmaskerd. Mijn plezier was van korte duur. Ik werd ter plekke besnoven door mevrouw Liliane Deurynck van parfumerie XxX, tevens door mij onder vals voorwendsel uitgenodigd. Toen die bevestigend knikte, begonnen nog anderen aan hun brief en aan mij te ruiken. Ik werd ondervraagd, afgezonderd, beschimpt, door woedende middenstanders gestompt en geslagen en beduusd op mijn zitvlees op de designkasseitjes van het Lindenplein achtergelaten, op een bed van geurige witte rozen: de tot proppen gebalde brieven van de ontgoochelden. Ik meende in een flits nog Edwin Boens de heksenkring te zien naderen, maar zeker was ik daar niet van. Dat betekende het einde van mijn gigantische practical joke, die ik alleen maar opgezet had om de heer Edwin Boens, voorheen klasgenoot en student, thans accountant, uit zijn tent te lokken.

De black musk had me verraden.

De commentaren zijn gesloten.