03-06-15

WINNETOU

WINNETOU       

 

Winnetou Degrande was noodgedwongen een navelstaarder. Hij zat al jaren in een rolstoel en keek dus nillens willens recht in de buiken en navels van de ‘lopers’, zoals hij de tweebenigen noemde. Vaak zeilden de blikken van die lopers zelf over hem heen. Dat hield twee mogelijkheden in.

1.   Eén: hij had net zo goed iets doods onder hun voeten kunnen zijn.

2.  Twee: ze probeerden luchtig om te gaan met zijn beperking en vooral niet naar zijn wielen te kijken die zijn lamme benen vervingen.

Om hem van een dezer mogelijkheden te vergewissen, diende Winnetou Degrande zelf beaat zijn hoofd te heffen en hen ogenschijnlijk onderdanig aan te kijken, als een hondje dat een koekje is beloofd als het eens gaat opzitten.

Aan de beperking van Winnetou was een ongelofelijk verhaal verbonden, niet zozeer omwille van het verhaal dan wel omwille van zijn naam. Zijn naam was er namelijk eerder dan zijn lot. Een pijl had Winnetou’s onderste ledematen definitief verlamd. Dat gebeurde toen hij elf jaar was. Elf jaar lang heette hij al Winnetou, Degrande. Nou, zo’n jongen met zo’n naam kon het in de jeugdjaren toch niet aan pijl-en-boog ontbreken?

De daders die hem zijn naam hadden berokkend (de vrouwelijke en de mannelijke verwekker, die laatste een Karl-Mayfan) kochten hem voor zijn tiende verjaardag een set van boog-en-pijlen waarop een klant- en kindvriendelijk embleem prijkte. Winnetou en zijn maten werden bedreven in de speelgoedversie van de schutterssport. Zo bedreven dat ze meer wensten. Dus begonnen ze ‘echte’ pijlen te snijden en te kerven in het gemeentepark. Zo’n echte pijl trof de inmiddels elfjarige Winnetou Degrande vol in de rug. Na vele hopeloze maanden in ziekenhuizen kreeg Winnetou dan maar wielen voorgeschreven. Van dan af leidde hij een zittend bestaan.

Op twintigjarige leeftijd werd hij dartskampioen op de Paralympics in Seoel. Hij mocht bij de koning op de koffie. Omdat precisie zijn vak leek te zijn, werd hij ook gevraagd voor het nationale rolstoelbasketbalteam. Dat hield hij even in beraad. Hij hield niet van opspattend zweet en lijfgeuren in volle actie.

Winnetoe Degrande had een grondige hekel aan het etaleren van tatoeages. Niet aan tatoeages op zich. Hoewel. Sommige waren best wel te pruimen als een soort van (hoeveelste inmiddels? tiende?) kunst. Maar het ongevraagde showen van persoonlijke iconen op de huid van vooral armen, benen, ruggen en borsten vond hij een inbreuk op de intimiteit zijn. Als je je op pakweg twintig centimeter van zo’n blote heldhaftige bovenarm of beschilderde kuit bevond, was het net alsof je verplicht werd deel te nemen aan een intimiteit die je zelf helemaal niet wenste. Zo’n tatoeage hoestte je recht in je gezicht toe. Om nog maar te zwijgen over de kijkvervuiling in de meeste gevallen: onbeduidende, niet ter zake doende Japanse kronkels, afzichtelijke draken, belachelijk gevederde indianenkoppen en in het ergste geval de vrouwennamen en de doorpijlde harten.

Dat en het gedwongen navelstaren waren Winnetou doornen in het oog. Hij kreeg er een combinatie van voorgeschoteld op een dartstoernooi in Bournemouth: laaghangende bierbuiken en bovenarmse tatoeages.

‘Hoe komen die linksrijdende eilandbewoners toch aan die gigantische bovenarmen?’ vroeg hij zich herhaalde malen hardop af. ‘Vanwaar die grote vleesoppervlakken, waarop ze hun wansmakelijke gedrochten laten schilderen?’
Beer and biology hé,’ grinnikte Freek, een teamgenoot.
‘En jij bent ook niet van de smalste, na al die jaren karren,’ merkte Jill op, terwijl ze een gespierd gebaar maakte. Zij was de lopende mascotte van dartsvereniging Pickery Club, in de volksmond: de pik erin. De eigenaar van hun stamcafé heette namelijk Ivan Pickery. Hij had het af en toe met recht en reden over ‘mijn PC’, die hij sponsorde middels een tweedehands busje om gooitoernooien mee af te dweilen. Zowel zijn café als het busje waren voorzien op lopers en tweewieligen ofte navelstaarders. Van deze laatste categorie telde de Pickery Club er vier; een mooi staaltje voorwaar van diversiteit en flexibiliteit, de intellectuele modewoorden van de laatste jaren.

Bournemouth beloofde een mooi driedaags uitje te worden. Door veel spaghetti te eten, was ook de kas van de PC gespijsd. Jill had daarbovenop nog asjeblief 300 € gewonnen met een openbare partij strippoker, voor het goede doel. Er kwam zelfs wat subsidiegeld van overheidswege – a posteriori natuurlijk, na het indienen van een dossiertje – omdat het een schoolvoorbeeld betrof van gemixte sportbeoefening en internationalisering. De PC had daar door het vallen en opstaan van alsmaar oude en weer verse regeringen en excellenties handig gebruik van weten te maken.

Mastodonten van mannen en gevaartes van vrouwen namen aan het gooitoernooi deel. Alleen de Bulls uit Exeter telden ook een rolstoelgebruiker in hun rangen, een eenarmige dan nog wel. Zelfs zittend leek hij nog de afmetingen van een reus te hebben.
‘Dat is alvast één getatoeëerde arm minder,’ grinnikte Winnetou tegen Ivan.
‘Ja, maar wij bleekscheten vallen hier wel op door ons blanco velletje hé.’
‘Die Engelsen dragen permanent de oorlogskleuren.’
Winnetou keek strijdlustig om zich heen. In de Pickery Club werd hard op hem gerekend. Hij was immers sedert de Paralympics in Seoel hun kampioen. Na urenlang getok van de pijltjes op de dartborden prijkte PC op de vijfde plaats. Niet mis voor een ploegje van het vasteland, maar het kon beter. Jill wreef Winnetou’s rechterarm en die van de anderen in met een geheime mengeling waarvan ze alleen de ingrediënten ossengal en brollèrt (een Hongaars plantenextract) prijsgaf.

Winnetou kreeg het echter stilaan op de heupen in dit bos van tatoeages op blote basten. Bijna iedereen op dit eiland leek geprikt of geperforeerd. Zowel vrouwen als mannen sjokten met heelder fresco’s op hun vel rond.

Op de derde en laatste dag struikelde zo’n vleselijk gevaarte bij het achteruitstappen over Winnetou en zijn tweewielige vehikel: een kolos met zo’n potsierlijke indiaan in zijn bovenarm gekerfd.
Bloody… !!’
‘Godverdomme… schildersezel!’ riep Winnetou kwaad. Het was even zoeken naar de juiste bewoordingen. De Nederlandstalige omstanders barstten in lachen uit.
Schildersezel!?
Maar het Engelstalige gevaarte – dat langzaam uit zijn bedenkelijke positie weer oprees; hij had even beduusd als een reuzenbaby op Winnetou’s schoot gezeten – gaf geen blijken van goodwill. Hij vatte de schaterbui kennelijk als een belediging op.
‘What did you say, wheelman?’
‘ … ‘
‘Eh?’
Er viel een geladen stilte. De oeros stond nu op drie meter afstand van Winnetou.
‘Come on, man… ‘ probeerde Freek in zijn beste Engels te sussen.
‘You watch your steps, sir,’ voegde Jill hem toe.
‘Fuckin’ wheels… Do we shoot sitting ducks here or what?’

Winnetou’s ogen veranderden in gevaarlijke spleetjes, zoals ze er de fractie voor elke worp uitzagen. Hij kneep hard in zijn bundeltje pijltjes. Ze gloeiden in zijn hand.
‘Bull’s eye!’ riep hij plotseling. Zijn hand rees en hij mikte met volle kracht zijn drie pijltjes tegelijk in de bovenarm van de kerel.
‘Roos!’
De pijltjes boorden zich gezamenlijk in het ene oog op het zijprofiel van de foeilelijke indiaan.
‘Ten points for Belgium!’
Verbouwereerd keek het slachtoffer naar de pijltjes in zijn bovenarm; aanvankelijk vergat hij het uit te schreeuwen.
‘Bastard! Stupid Belgian bastard!!’

Toen waren alle rapen gaar. De eindfase van het dartstoernooi in Bournemouth ontaardde in wat men iets later in de Engelse kranten de DARTS CLASH is gaan noemen. Eén Vlaamse krant bracht het bericht op bladzijde twee, getiteld OP JE VOGELPIK GETRAPT. De volgende dag namen alle andere kranten het bericht over. Er werd duchtig met het woord ‘pik’ gejongleerd. Winnetou Degrande prijkte plotseling op enkele voorpagina’s. De minister trok prompt de beloofde subsidie in. De Pickery Club was geen voorbeeldig ambassadeur in het buitenland geweest, vond zij.
Gevraagd naar een reactie hierop, antwoordde Winnetou:
‘Van een pijlsnelle reflex gesproken.’
Hiermee (en met de hele zaak) scoorde hij bij de bevolking, die hem vijf dagen lang als een Bekende Vlaming beschouwde.

22-04-15

KWANTUM

KWANTUM                        

(Onrust aan de kust)

 

Ik werd vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan. Met ambachtelijke snelheid en precisie ramde iemand met een hamer een stormnagel door het weekste deel van mijn schedel. Het was een aanval in de rug. Ik had mijn moordena(a)r(es) niet horen aankomen. Pas na lang zoeken ontdekte men de roestvlek in mijn haar. En dus mijn doodsoorzaak.

Op de eerste dag van de Week van de Huilende Maan, die ook de laatste week van mijn leven op dit ondermaanse zou worden, liet ik me tatoeëren bij Geraldine aan de kust. Terwijl ze met mij bezig was, las ik een boekje over kwantumtheorie. Geraldine deed daar niet verbaasd over (ze had beroemdheden van over de hele wereld getatoeëerd en behandelde iedereen op gelijke voet) en concentreerde zich op mijn rechterbovenarm, the place to paint. Ik verdiepte me ondertussen in de kwantumwetenschap dat we nog niet veel weten of het op een andere manier beweren te weten. Drie uur later verliet ik, kostbaarder dan ik gekomen was, het tatoepand, weliswaar nog gezalfd en ingewikkeld en gloeiend.

Het was een koperkleurige eindseptembervalavond. De stad lag aan mijn voeten. Omdat een mens maar op één plaats tegelijk pijn kan hebben, voelde ik me bijzonder goed. Eender welke voorbijganger wou ik de hand schudden en feliciteren met zijn of haar bestaan op deze aarde, maar gelukkig deed mijn arm pijn, en belette hij me deze expressionistische uitspattingen. Mijn zintuigen werkten ook op hun scherpst. Wanneer ik een vrouw voorbijstak, of wanneer zo iemand mij tegenliggend tegemoet stapte, inhaleerde ik diep en deugddoend. Ook mannen op mijn pad gedoogde ik welwillend. Ik wierp blikken op de avondlucht, gaf gehoor aan meeuwen en proefde van de avondbries. Moet men wat pijn hebben om zich goed te voelen? De gelijktijdigheid van pijn en niet-pijn: een kwantumgedachte?

Ik kocht in De Kombuis te veel en te grote hoeveelheden vette happen. Slechts één derde van al dat lekkers kon mijn maag aan. Intussen voerde ik een olijke conversatie met de twee door frietvet transparant geworden vrouwen achter de toog. Kwinkslagen vlogen over en weer, maar ik kreeg mijn kartonnen bordjes niet uit. Ze deden daar quasiminachtend over, mijn twee gastvrouwen, tot er verse eters opdaagden en ik hun aandacht verloor. Net op tijd, want ik speelde al met de gedachte mijn ovenwarme tatoeëring te ontbloten. Gelukkig deed deze arm echt wel pijn, nog geïntensifieerd door het gesis van het frietvet. Ik dronk in deze friettempel vervolgens twee bieren kort na elkaar, recht uit de fles in mijn slikgat. Terwijl de vrouwen met de nieuwe klanten bezig waren, kieperde ik een grote hoeveelheid vast voedsel terug in de muil van de vuilnisbak: een mens heeft altijd meer overschot dan de hoeveelheid waarmee hij begonnen is. Vreemd. Ik baande me een weg tussen de nieuwkomers om te betalen, stootte driemaal mijn tatoeage tegen vreemde lijven en dook daarna de avond en de stad in. De zon was verdwenen. Om exact 19 uur 30 schoof een perfecte vollemaan weg achter wolken. De alomtegenwoordige koperkleur werd opgeslokt door het donker.  

Ik vond het jammer dat de schemering achter de rug was. Daarom dook ik de horeca in, op zoek naar vervangkleuren, naar verdere goud- en koperglans. Na drie rappe whisky’s in De Watergeus inspecteerde ik in de pissijnen aldaar even mijn in cellofaan verpakte tatoeage. Alles stond er nog, gloednieuw. Het schroeide als een … nou: als een schroeivlek. Omdat ik kwantummatig nooit lang op eenzelfde plek wenste te vertoeven, trof ik mezelf even later in de Shakespeare aan. Daar was het opvallend rustig (ondanks het ruige karakter van de kroeg), want een dichter was er aan het voorlezen uit Eigen Meesterwerk. Ik verschanste me vlug in een rijtje van vijf aan de toog, articuleerde ‘J&B’, gebaarde ‘zonder ijs’ en luisterde noodgedwongen.

Alzo sprak de dichter:

‘Geniaal gestoord schreed hij langzaam voort’

(Iemand kuchte of lachte kort, dat viel niet op te maken uit het geluid).

 – ‘Al kon hij nog geen vismes van een kromzwaard onderscheiden.’

(Er viel een stilte. Betrof dit humor?)  

Om te beletten dat mijn J&B zou verdampen, dronk ik die in twee slokken uit. Kortstondig voelde ik aldus twee schroeivlekken: in mijn keel en op mijn rechterbovenarm. Simultaan (ik kan ook twee dingen tegelijk doen, al ben ik dan een man, nou: niet-vrouw) keek ik naar de vrouw achter de toog en vroeg me af of en waar ze een tatoeage had. Een roos op de kont? Een draak op de linkertiet? Bij het neerpoten van mijn lege glas (te hard, te opstandig, iedereen keek verstoord om, vijandigheid alom) bezwoer ik mezelf daarenboven daar niét naar te informeren, ook niet na twaalf whisky’s. Alles gebeurt eigenlijk overal en altijd, alle mogelijkheden doen zich permanent voor, hier en ergens anders en nu en later. Als niet-vrouw zou ik daar dus niet naar informeren en tevens zou ik wel en niet luisteren naar die lokaal verdoofde poëet op dat schavotje. (Het is ook altijd uitkijken met podia: op zo’n verhoog kan je het eeuwige leven verwerven of abrupt je leven beëindigd zien, dit even terzijde van het podium). Aldus voortdurend belaagd door kwantumtheoretische gedachten (wie ter wereld had die nu ook?) zag ik mezelf plotseling weerkaatst in de onvermijdelijke gigantische spiegel(s) die vaak in horecazaken onzichtbaar hangen te zijn, vaak tegenover elkaar om diepte te suggereren. Ik draaide me een kwartslag teneinde mijn Geheime Arm in zo’n spiegel stiekem en ten volle te bewonderen. Na tien dagen, had Geraldine me gezegd, en na vele zalfbeurten pas, mocht ik mijn stigma ontbloten en aan de openbaarheid prijsgeven. Het mooiste echter, had Geraldine me toevertrouwd, was daar nooit ostentatief mee ‘bloot’ te lopen, maar te opteren voor een kledingstuk dat alleen maar een uitloper van de tatoeage liet zien. Dan kon een nieuwsgierige desgewenst… etc… etc…

Ik gebaarde nog eens hetzelfde, want het was mijn feestavondje en ik zou in deze kuststad overnachten in hotel Celtic. Intussen murmelde de dichter verder over en uit zijn Eigen Meesterwerk. Ik telde dertien klanten die tot luisteraar veroordeeld waren. Enkelen ervan keken moeilijk. De anderen, zo te zien ruigrockers, keken wanhopig verlangend, en hun wanhoop en verlangen betrof het einde van die godgenagelde spreekbeurt.

Toen brak eindelijk bevrijdend geroezemoes los, de dichter struikelde levend en wel van zijn schavotje en de waardin sloeg strijdvaardig een keukenhanddoek over haar linkerschouder: het volle leven nam weer een aanvang.

‘Wat vond ge d’ervan, hé?’
Ik werd onbevangen aangesproken door een kolos met een hangsnor, waartussen ik een gerolde peuk ontwaarde.
‘Niet mis voor een zwaardvis.’
Ik kapte mijn inmiddels volgende whisky achterover.
‘Zijt ge nu aan ’t lachen?’ informeerde de kerel donker.
‘Wat?’
‘Lacht ge nu?’ (Een klemtoontje dreigender)
‘Bah neen. Ik … ‘
(Ik ontwaarde plotseling enige gelijkenis tussen deze grote man en de dichter: ze waren beiden ros van haren en beiden bereikten een zekere lengte, maar de dichter was mager gebleven).
‘Ge moet het maar zeggen, hé.’
Hij plukte de peuk van tussen zijn snorharen, blies de rook in mijn gezicht en bood me vervolgens een claustrofobisch panorama op zijn rug. Ik eyeballde even gespeeld-verbaasd de waardin, die me een kille, vernietigende blik gaf. Toch kreeg ik op mijn wenken een volgende zuiltje gouden geluk.

Even later schaarde die Snorremans zich met enkele kompanen rond een boomtronk, waar ze om de beurt met een hamer nagels in dreven. Het betrof een geheimzinnig spel, dat ik nooit goed begrepen had. Af en toe incasseerde ik dreigende blikken vanuit die hoek. Ik had de indruk dat die boomtronk mijn kop verbeelden moest. De dichter had inmiddels het pand al verlaten, na door niemand aangesproken te zijn.

Werd het geen tijd voor mij om weer eens te verkassen? Die tijd begon vloeibaar door elkaar te lopen. Ik hoorde de geluiden dikker worden. Ook mijn ruimte nam bij wijlen al eens andere meetkundige vormen aan – met name mijn velden begonnen te variëren en te fluctueren. Net toen ik besloot op te stappen, werd ik eensklaps ingepalmd door de expressionistische gedachte deel te nemen aan dat geheimzinnige hamer- en nagelspel. Ik kon immers beide realiseren: terwijl ik opstapte, even deelnemen, of, andersom, eerst deelnemen en daarna opstappen. Dat betrof een prima gedachte. Ik besloot het sjabloon waarop deze gedachte steunde voor toekomstig gebruik te bewaren.

De Snor viel zowat achterover van verbazing toen ik hem om zijn hamer verzocht 

– ‘Geef een keer hier dat ding’ –

en tot mijn eigen verbazing bevond ik me inderdaad tussen drie ruige kustkerels rond de boomtronk.

‘Wàt?’
‘Geef een keer dat ding.’
Verbazing tackelde woede: ze waren zo overdonderd dat ze me de hamer overhandigden.
‘Kent ge de regels?’
‘Ik klop er niet naast. En ik leef tussen de regels.’
‘Jaja, daar gaat het niet over, zwaardvis.’
‘Er hangt plastiek uit uw mouw.’
Ik propte het cellofaan weer onder mijn T-shirt en besefte plotseling dat ik al geruime tijd geen schroeipijn meer voelde.
‘Hang je-gij met plastiek samen misschien?’
Zeemansgebulder rond de tronk. Van achter de toog de schelle lach van de vrouw. Ik hief de hamer en tegelijkertijd flitste het door mijn hoofd dat ik mijn boekje over kwantumtheorie bij Geraldine laten liggen had.
‘Godverdomme,’ mompelde ik.

Tot driemaal toe zwierde ik de hamer in een baan om mijn hoofd, wetende dat een zwaarder voorwerp zijn eigen tijd en ruimte veroorzaakt. In deze gloednieuwe kortstondige eeuwige ruimtetijd deed zich een visioen aan mij voor waarin een draak op een kont en een roos op een tiet figureerden, terwijl in een coulisse die helle lach versterkt opflakkerde. Dat heelal bezorgde me een opstoot van kracht en energie.

In één klap zag ik het hele interieur verdwijnen, boedel en gasten inbegrepen: mijn hamer had zoveel kracht ontwikkeld dat hij reeds de grote muurspiegel achter de toog versplinterde terwijl ik nog dacht dat ik hem in mijn hand had en de tegenliggende muurspiegel aan de achterwand simultaan deze vernietiging weerkaatste. Postnucleaire stilte gevuld met gesuizel van daarnet neervallende spiegelsneeuw daalde één lange seconde neer in café Shakespeare.

Een flits van luciditeit vertrekkend vanuit het ene hersenspoortje dat nog niet met whisky gecontamineerd was, bood me deze accolade:

* onbekend in deze stad

* onzichtbare tatoeage

* verrassing

RUN

Ik sneeuwde pijlsnel het pand uit.

Pijlsnel sneeuwde ik het pand uit.

Werd ik achterna gezeten? Waren ze te verrast? Was ik te snel?

Ik kwam terecht in een nieuw veld van stadsdreun, duisternis, lichtorgels, geruis van water en ondanks het klonterige gevoel in mijn benen evolueerde ik immer voorwaarts gestuwd als was ik de haas van Baron von Münchhausen die zich op zijn vlucht plotseling op zijn rug draaide en over vier extra poten bleek te beschikken. Maar toen ik uiteindelijk geen snelheid genoeg meer ontwikkelde, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan. 

Ik bleef ook perplex staan.

Perplex bleef ik ook staan.

Maar het volgende ogenblik lag ik te gronde. In deze totaal wanordelijke en pijnlijke constellatie dook die rosse borstelsnor als constante op. Ik werd een schroeivlek op deze aarde, het voorwerp van gewelddadige aandacht, en toch, en toch, het vege lijf kan maar op één plek tegelijk pijn hebben. Verdomde pijn: ik belandde in een duister veld, een dreigend stratenplan dat ik niet herkende, het regende gloeiende sintels, en ondanks dat bereikte ik een troostende straat-zonder-einde die de Negende heette, de slagen en verwonderingen ten spijt. Maar toen ik toch helemaal op het einde kwam, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan.

KWANTUM!

18-03-15

DE HANDEL WAARVAN GIJ SLAPTE VREEST

‘DE HANDEL WAARVAN GIJ SLAPTE VREEST’

Koning Fahd van Saudi-Arabië verliet medio zomer 2005 deze materiële wereld van gouden deurknoppen en champagnedouches. Hij ging de profeet Mohammed groeten, wiens doodskist tussen hemel en aarde zweeft. Ook de benzineprijzen stegen wat.

De dood van koning Fahd was een lelijke streep door onze boekhouding. Wij leverden immers al 23 jaar lang de geluidloze gordijnrails voor zijn paleizen en buitenverblijven (nou: het waren eerder binnenverblijven) wereldwijd. We hadden een patent op die dingen. En op nog andere zaken, waarover straks meer.

Ooit was dat contract opgemaakt hier in onze firma ROEVERSIL te R., hartje middenstands-West-Vlaanderen (Vermandere, Roeselare, Silence). Koning Fahd betaalde ons royaal, een koning waardig. Hij stipuleerde er ook een voorwaarde bij, zoals koningen wel eens vaker wensen plegen te uiten. We moesten ons één exemplaar van de Heilige Qor’aan aanschaffen en dit in onze logeerkamer deponeren, voor het geval hij ooit nog langs wenste te komen. Dat deden we dus. In de Standaard Boekhandel te Roeselare kochten we de Nederlands-Arabische versie. Het was een handig zakformaat. We brachten het onder op de nachttafel in onze logeerkamer, waar de gordijnen ook uitgerust waren met geluidloze rails van ROEVERSIL. Koning Fahd is in levenden lijve echter niet meer bij ons verschenen. Het bleef bij die ene, contractuele ontmoeting in onze firma alhier, 23 jaar geleden. We zagen hem wel af en toe op tv: een streng gedrapeerde heerser,  foureyes, die ogenschijnlijk weigerde ouder te worden.

(De geluidloosheid van onze gordijnrails even terzijde gelaten: dat Fahd een punt maakte van zijn gordijnen, verwonderde ons niet. Hij was zelf permanent omhuld en gedrapeerd. Zijn begrafenis bijvoorbeeld was een explosie van textiel).

De Heilige Qor’aan bleef onaangeroerd in de logeerkamer met de geluidloze gordijnrails liggen. Telkens we de vreugde smaakten gasten te hebben die aan overnachten toe waren, verstopten we het boek in een safe. Daarna legden we het terug, als een magneet voor Zijne Hoogheid Fahd. Helaas, nu was de man van ons heengegaan.

De wahabiet Fahd had een lawaailoos leven geleid. Hij kon over zoveel geld beschikken dat hij stilte kon kopen. Hoewel het er in de moslimwereld vrij rumoerig toegaat, en dit met een stugge regelmaat, heiligde koning Fahd de stilte. Daar heeft hij nu alsnog geen problemen meer mee. Tijdens zijn bestaan op deze aarde hielp onze firma hem daarbij. We hadden hem bijvoorbeeld nog andere opties voor te leggen, mocht hij ooit bij ons opgedoken zijn. Inventieve opties waren het, waarbij volumeknoppen overbodig waren: stille bubbelbaden (water in beweging kan zowel geruststellend als irritant zijn, cf. het geklater van een fontein dat net zo goed gekletter kan worden), stomme keukenrobots (een soort placebo’s voor eunuchen) en zelfs, via de bevriende firma ROVERO-WEST, geruisloze Rolls-Roycemotoren voor zijn mobiele vloot.  Waarschijnlijk had Fahd het verder te druk om op onze nieuwe voorstellen in te gaan.

Het was dus vooralsnog wachten geblazen op de halfbroer Abdullah, die het laatste decennium eigenlijk al de feitelijke heerser over Saudi-Arabië was, getuige daarvan diens buitenlandse zakenreizen. Zou hij een degelijke opvolging verzekeren en ook opteren voor geluidloosheid alom in zijn vertrekken, mochten de oude systemen aan vervanging toe zijn of mochten er nieuwe panden en verblijven ingericht moeten worden?

Ik zat die zomer toch ietwat met de tenen tegen elkaar, in mijn hoedanigheid van zaakvoerder van ROEVERSIL, dat 21 mensen tewerkstelde. Op een ‘onbewaakt’ ogenblik in de zomervakantie – de firma sloot drie weken lang haar deuren – sloeg ik de Heilige Qor’aan op een willekeurige bladzijde even open en ik las:

‘Zeg: “Indien uw vaders en uw zonen en uw broeders en uw vrouwen en uw verwanten en de rijkdommen die gij verkregen hebt en de handel waarvan gij slapte vreest en de woningen waarvan gij houdt, u liever zijn, dan Allah en Zijn boodschapper en het streven voor Zijn zaak, wacht dan, tot Allah met Zijn oordeel komt; Allah leidt het ongehoorzame volk niet”’.

(Attaubah, hoofdstuk 9, vers 24)

Ik wachtte dus.

Ik wachtte in alle stilte.

In de coma van diezelfde zomer nog slaagde ik erin met mijn rechterhand een vlinder te vangen. Dat gaf me recht op een wens, op voorwaarde dat ik hem weer vrij liet, richting Grote Geest, zoals bij de indianen. Zo gebeurde. Ik was op de hoogte van de vlinderlegendes: de Azteken beschouwden ze als teruggekeerde gesneuvelde krijgers, en in Bath Royal Theatre (Engeland) keerde de in 1947 tijdens de repetities gestorven regisseur op gezette tijdstippen in de vorm van een vlinder terug op de bühne. De vlinder bevatte dus een menselijke ziel.

Mijn gedachten vlinderden die namiddag ook even uit naar de periode van de vlinderjuwelen.

De associatie met deze luxeproducten deed zich natuurlijk voor via koning Fahd, zijn dure gewaden en zijn geluidloosheid.

Twee dagen later, ik zweer het u: twee dagen later zag ik op CNN hoe koning Abdullah een bezoek bracht aan het Butterfly Sanctuary in Kuranda, Australië.

Ik vreesde niet langer de slapte van mijn handel.

14-04-13

THE STORY OF MY STORIES

THE STORY OF MY STORIES

                                                                                                            ‘Happy people have no stories’

 

Mijn verhalen publiceer ik doelbewust digitaal. Voorheen verschenen die in papieren literaire bladen en magazines: DW&B, Yang, Nieuw Vlaams Tijdschrift, De Brakke Hond, De Gids, Hollands Maandblad, Lava, Oikos, De Muur, Kreatief, Knack, Passionate, Digther, Apollo, Deus ex Machina, Diogenes, De Vlaamse Gids, Mens & Gevoelens, De Tijdlijn, La Ligne de Temps… en in diverse bloemlezingen in België en Nederland.

Uitgevers zien doorgaans geen brood in de publicatie van verhalenbundels. Ze verkiezen de langere adem van de roman. Nochtans lijkt een verhaal de ideale literaire vorm te zijn in deze jachtige tijden, zowel voor de schrijver als voor de lezer. Vandaar mijn keuze. Terwijl de papieren verhalen in de literaire bladen en bloemlezingen ruimte in beslag nemen, vergelen, opkrullen, verstoffen, weggegooid, samengeperst of verbrand worden in de definitieve vorm die ze altijd hebben gehad, maar slechts zelden een ‘echt’ boek werden, leven mijn digitale verhalen eeuwig verder, niet onderhevig aan ruimte, tijd, zon, regen, wind, brand, Celsius, Fahrenheit, morskoffie, yoghurtblubber, mayonaisemalaise, theeterreur, verhuiswoede, scheurdrift, verlies, ketchupaanslagen, ouderdom… en met kansen op een update zo dat nodig blijkt te zijn.

Vergeef me deze laatste overloaded sentence, die eerder in een langdradige roman dan in een short story thuis lijkt te horen.  

PS Het beeldverhaal ROUGH & TOUGH is getekend door Michèle Millecamps en geschreven door ondergetekende:

Joris Denoo, aka Sjors DNO, Bärbel Urquhart, Eric Otonne, Geraldine Roslare, Erica Wrangel, Bjarne Donderdag, Marius Vanthomme.

Deze verhalen  zijn vreselijk. Dat slaat niet op de taal of de stijl. Men weze echter terdege gewaarschuwd voor de inhoud. Moord, brand, onthoofding, versnijdenis, verdwijning, bloeddorst, vleeshonger, wurging, bedwelming, ophanging, zelfverbranding, betovering, bedrog, verdwazing: de bloedstollende gebeurtenissen en hallucinante taferelen zijn schering en inslag. Zelfs de dieren gaan hier niet vrijuit.

PS bis Recent voegde ik een aantal verhalen toe: Play it (again), Sam, Allojjo, Rouwkop, Frietpeace, Spa, Vaert wel, Essence, Kijkgelijken, Martelaar, Beschaving Waterstaat, Windmolentje, De moord op Killmouski, Woede, High Noon in Nieuw-Vennep, Moeskopper, Blinde vink, De Chinees, Blaesstraat/Rue Blaes, Dood, Verslag gevonden in een linkerlaars gemaakt van hondenvacht, Boren naar olie, Moord in Memory Lane, Jack-o'-Lantern, De waardigheid van het beroep, Acetijd, Weerzien, Lullaby, Waakvrouw en Rise & Shine (... my Shoes). Ook enkele minder vreselijke verhalen vinden hier een onderdak.