23-01-12
Stok
STOK
EEN PUNTIG VERHAAL
Ik had zelfs niet eens laveloos gezopen toen ik die zomeravond begin juli van een barkruk kukelde en mijn rechterbeen op twee plaatsen brak. Ook die verdomde trottoirband vlakbij deed me geen deugd. (We zaten immers buiten aan De Woede der Noormannen, onze stamkroeg).
Ik slaagde er nog in mijn auto te bereiken even verderop en naar huis te rijden. Een mens in nood is tot mirakels in staat. Zelfs thuis de trap op naar mijn bedstee kon nog, maar dan wel als een baviaan. Enkele uren onrustige woelslaap stelden het verdict uit. Ik werd wakker met diverse beperkingen.
De rest van mijn dagen zie ik de wereld ietwat meer in beweging dan voorheen. Het is echter niet de wereld die meer beweegt. Ik ben het. Ik mank. En ik lijk te blijven manken, na lange fases van gips, krukken en een stok. Ik vrees dat ik als gewoon loper afgedaan heb. Ik voeg me bij het leger der mensen met een beperking. Mijn kinderen noemen me soms ‘puntkomma’. Ik laat dit aan uw taalkundig-ritmische verbeelding over.
Stokoud.
Een stok wordt dus met ouderdom geassocieerd.
Toen ik een tijdlang een stok gebruikte om te stappen, merkte ik dat vooral kinderen me anders bekeken. Ikzelf was er vroeger ook bang voor, toen ik nog een uk was: voor die combinatie van grote mens plus stok. Driebenigen straalden dreiging uit. Die stok wees niet alleen op hun gebrek (god weet wat ze hadden uitgespookt om dat gebrek te verwerven!), maar ze konden met dat ding ook uithalen en slaan. Die ouwe Gusta uit het Visstraatje bijvoorbeeld plantte bij elke vermaledijde stap die ze op deze planeet zette de punt van haar stok pal voor haar scheve rechterpoot. Die trefzekerheid was op zich al verdacht en bedreigend. Daarenboven staken haar voeten altijd in pantoffels. Ook buiten. Misschien was ze een seriemoordenares.
Stokheer.
Een woord van troost voor de verstokten.
Een stok kan ook hoge cultuur betekenen en wijzen op een flamboyante levensstijl. De agrarische schrijver Stijn Streuvels was lid van de Avelgemse stokheren: een zootje dat van zichzelf vond dat ze de betere middenstand waren. En beschikte de Vlaamse oud-beroepsmilitair/dichter Hugues C. Pernath ook niet over een wandelstok uit diens fraaien kop hij middels een schroefdop op tijd en stond een neutje nuttigde?
Halfstok.
Een mens die zich noodgedwongen met behulp van een stok voortbeweegt, hangt halfstok. Hoe dan ook valt een zekere droefenis niet te ontkennen, hoe sympa en schrijverig zo’n stok er ook uit mag zien.
Stokvis? Geen geleuter.
Eierstokken. Vaak meervoud. Zoals kinderen en hoenderen.
House M.D.? Het bekende stokpersonage uit de zoveelste gelijknamige ziekenhuisserie? Laten we de tv maar voor wat hij is.
Ik had Johan & cie (zijnde zijn tweede gezin: verse vrouw annex grote kinderen aan ook andere lendenen dan de zijne ontsproten) al een tijdlang niet meer gezien. Hij was na zijn scheiding verhuisd naar een middelgrote binnenlandse stad en frequenteerde daardoor minder dan vroeger De Woede der Noormannen, van oudsher onze stamkroeg in Ҫeule-sur-Heulbecq, randgemeente van Kwatricq. Ons wederzijds enthousiasme bolde die zomeravond begin juli dus wat extra op. Vroeger hadden we wel al eens verbonden gesloten: we bekokstoofden samen openbare fratsen (de zogenaamde ‘stoten’) ter gelegenheid van het jaarlijkse dorpsfeest en we leukten lange tijd elke donderdagavond (zegge en schrijve: nacht) onze stamkroeg op. We publiceerden zelfs een hilarisch boek over onze biotoop en de Ҫeulenaars: ik leverde de hoogst onnozele teksten, hij tekende voor holbewonerachtige illustraties.
Een blij weerzien dus. Maar ik hield er een dubbele beenbreuk en een waggelgangetje aan over. Ik kukelde pardoes van die kruk. Mijn rechterbeen werd een hefboom, maar die kon mijn vege lijf niet kon torsen in deze houding. Bijna iedereen was toen weer aan de toog gaan plakken. Alleen Jean-Pierre kon me helpen, een vaste klant van De Woede der Noormannen, die sedert de betutteling van politiekers buiten op het trottoir moest gaan roken. Hij hielp me op een gewone stoel op het trottoir en bezwoer me niet zelf meer naar huis te rijden. Toen hij even ging plassen, deed ik dat toch, want niet de drank had me overmand. Ik had een eenmalige aanval van epilepsie gehad.
Terwijl ik juli en augustus horizontaal en strak ingegipst thuis doorbracht, ontsproten aan mijn brein en laptop twee avondvullende toneelstukken. Een over bloeddoping in de wielrennerij en het reilen en zeilen in een hotel, een over teambuilding en slecht leiderschap.
‘Puur winst uit je verlies,’ dacht ik. ‘Vergeet de vakantielanden en de stranden en ga thuis aan de slag, comfortabel liggend voor een scherm met vele zenders, mocht het al aan inspiratie ontbreken.’
Aldus geschiedde.
Het werd voorwaar nog een mooie zomer. Ik verlangde zelfs niet eens naar bezoek, tenzij men chocolade of whisky mee zou brengen. Ik leerde mijn krukken voor veel andere doeleinden gebruiken. Ik opende en sloot er de overgordijnen mee. Ik sloeg er eind augustus de druiven mee af die welig langsheen de muur maar net buiten mijn lichamelijke reikwijdte tierden. Ik bediende er de knoppen mee van de afstandsbediening die onveranderlijk buiten mijn onmiddellijke bereik rondslingerde. Ik hengelde ermee naar allerlei voorwerpen. Kortom: die hulpstukken betekenden een echte hulp.
Medio juli liet ik me door een van mijn dochters in de auto naar een kruidenierszaak brengen, waar ze twee repen chocolade kocht die ik stante pede in de auto verorberde. Medio augustus kwam een bevriend koppel me een peperdure fles whisky toeleveren in ruil voor een boek over de wereldbekende wielrenner Merckx, dat ik in opdracht van de uitgeverij geredigeerd had. Het waren twee hoogtepunten in mijn gipszomer, en ik kon er voldoende tevredenheid uit putten. Mijn beide theaterstukken werden ook prompt geregistreerd en uitgegeven door mijn theaterbureau en literair agent in de grote stad Antwork. Winst! Winst! Break a leg!
En zie. Voorwaar.
Begin september kon ik mijn krukken weer inleveren. Een stok zou alsnog volstaan. Ik vloog zelfs even later met mijn vrouw en zoon naar Turkije, voor een week vakantie tussen de Russische toeristen. De stok bood me overal voorrang in het poepchique hotel Rixos. Ik las er voor de derde keer een biografie over Dylan Thomas, schreef er een verhaal over Dylan Thomas en dronk er een aardig stukje weg in de richting van Dylan Thomas.
Terug thuis kon ik zonder noemenswaardige hindernissen mijn taken opnemen, hoewel de stok een noodzaak bleef. Ik veroverde een privéparkeerplaats vlak bij de toegang tot de hogeschool waar ik letterkunde en taal doceerde. Ik gebruikte uitsluitend de lift. Ik kon hinkend te vroeg of te laat ergens toekomen. Ondertussen ondervond ik ook de beperkingen die mensen met een beperking in openbare gebouwen ondervinden. Zij worden daardoor dubbel beperkt. Veel gebouwen werken niet echt mee in dat verband.
Begin november liet ik meestal mijn stok in de auto achter. Ik had van de specialistische traumatoloog een dubieus verdict gekregen. Goed en slecht nieuws, dat eender luidde: je hoeft niet geopereerd te worden/een operatie in fases ware misschien wel aangewezen/de slaagkans is gezien uw leeftijd een vraagteken/ik zal dus niet opereren//
De herfst kwam dus in het teken van kinesitherapie en steunzolen te staan. Terwijl het gebladerte der ouwe soldaten over straten en pleinen warrelde, krulde ik om de twee avonden als een vraagteken van pijn op de tafel bij Claude M., een kneder met de handen van een dokwerker ten tijde van de Boelwerf.
Nadat de nepfeesten van Halloween, Sint-Maarten en Sint-Niklaas achter de rug waren, en er geen verse mirakels gebeurd waren, en we een halfjaar verder op de kalender waren, informeerden steeds minder mensen naar de stand van manke zaken. Ik was dus zoetjesaan ingelijfd in het leger der mankepoten. En ik kon ook naar believen met mijn stok jongleren, zonder dat daar nog breukgedachten aan verbonden werden.
(Ik had er me altijd al over verwonderd hoe snel nieuws slijt en hoe slecht het geheugen van veel mensen werkt. In die tijd bijvoorbeeld verhuisde zesvoudige moordenaar Freddy Horion van gevangenis: hij verruilde Brugge voor Hasselt. In de berichtgeving was het van ‘meneer’ Horion. Godverdomme: ook na jaren verdient zo’n sujet toch dat ‘meneer’ niet? Analoge en andere voorbeelden legio!)
Ik had me ondertussen een hulpstok eerste categorie aangeschaft voor de ronde som van € 150. De ‘oude’ stok verhuisde naar de afdeling ‘Noodlottigheden’.
Hoe het nieuwe ding er niet uitzag?
Vurige vlammen die eromheen likten. (Te veel House M.D., zie televisie)
Een slang die zich kronkelend een weg naar de handgreep baande. (Ook alweer een te medicinaal cliché).
Een leeuwenkop als handgreep. (Te voorspelbaar).
Hoe dan wel?
Mijn steun en toeverlaat in manke dagen was vervaardigd uit azobéhout, oorspronkelijk chocoladebruin, maar ‘à la vintage’ aan het vergrijzen. De handgreep was een purperrood gekleurde bescheiden berenklauw. Ik had het gevoel hand in hand met een beer te lopen. In die handgreep zat een kokertje waarin ik mijn dagelijkse portie pastilles mee kon nemen: om hooikoorts voor te zijn, om mijn bloed te zuiveren, om gezond en rustig te blijven. Het uiteinde van dit hulpstuk zag er niet ziekelijk uit. Wel sportief. Hij kon wedijveren met bergstokken en de poles die bij nordic walking worden gebruikt.
Het Rattenkasteel was een mooie gastronomische biotoop net aan de periferie van randgemeente Ҫeule-sur-Heulbecq. Zelfs in het nabijgelegen chique Kwatricq hadden ze zoiets niet. Het Rattenkasteel was omwald en bebost. Het lag op een boogschot van het dorpscentrum, met zijn bloeiende cafés, warenhuisjes en pitazaken.
In de herfst en de winter afficheerde Het Rattenkasteel een zestal palingfestivals op vrijdagavond. Reserveren gewenst.
Op een avond in De Woede der Noormannen kregen Anje, Heloïse (twee vrouwelijke stamgasten) en ikzelf een palingdroom. We zouden ons gedrieën inschrijven voor zo’n vrijdagavond, eind november. Aldus geschiedde.
Die bewuste avond had ik eerst nog een afspraak bij kinesist Claude. Om de pijn van de behandeling te verbijten, dronk ik alvast bij voorbaat twee volwassen glazen whisky. Gesterkt door die hemelse nectar en het palingvooruitzicht strekte ik me op de marteltafel uit. Ik had geluk: Claude moest die avond nog uitrukken voor een patiënt. De foltering duurde iets korter dan gewoonlijk. In een opperbeste stemming verliet ik de kneed- en masseercatacomben van Claude M. Ik ging me thuis wat opfrissen, trok verse kousen aan en dronk nog een whisky om wat open te bloeien: ik vermoedde dat er veel volk op het palingfestival zou arriveren en wapende me daarom nog even met wat babbelwater. Ik was namelijk geen kampioen in begroetingen en wiewedaarhebben’s. Vervolgens reed ik, vergezeld van mijn nieuwe stok, naar Het Rattenkasteel. Daar had ik met Anje en Heloïse afgesproken om kwart voor acht in de bar.
Het was guur maar gezellig weer. De laatste lichting bladeren verliet in okeren sneeuwbuien de boomkruinen. Omdat ik niet al te stipt wou arriveren en me wou oefenen in het beleefde te laat komen, stuurde ik mijn auto via een ommetje eerst nog even naar café De Raaf. Op tien minuten zou het niet aankomen. Mijn nieuwe stok liet ik in de auto; een vorige versie had de laatste tijd al genoeg het gespreksonderwerp bepaald.
Ondertussen was de wind tot storm aangewakkerd. Het autoportier werd er bijna afgerukt toen ik het met mijn goede been verder open stompte teneinde me uit de auto te hijsen. Mijn rechterbeen functioneerde nog verre van normaal.
Freddy en vriend (een zachte jongen uit Bulgarije) verwelkomden me hartelijk en blij. Er waren drie vroege avondklanten. Het waren de laatste weken van café De Raaf.
‘Je houdt het binnenkort voor bekeken?’
Freddy knikte: ‘36 jaar jaar, maar nu is het sop de kolen niet meer waard. Een nuloperatie. We kochten een ‘gesloten’ burgerhuis in het centrum van Ҫeule-sur-Heulebecq. We hebben ook nog een appartementje in Bulgarije. Ik ga nog wat kleren voor de mensen ontwerpen.’
Ik dronk twee glazen bier hoog in de versnelling, terwijl iedereen het alweer over dat rookverbod in de cafés had. We rookten alle vijf om ter hardst; alleen patron Freddy was niet nicotineverslaafd. Gezelligheid sloeg op korte tijd zo stevig toe dat ik het bijna jammer vond dat ik in een zee van volk paling zou gaan verorberen. Ongetwijfeld zou Het Rattenkasteel barsten van de fijnproevers. Zoals gewoonlijk werd ik alweer door volksvrees beslopen, die groeide naarmate het tijdstip der afspraak naderde. Een kwiek afscheidsglas aangeboden door Freddy zelf kon ik natuurlijk niet afslaan. Misschien hielp dat. En wie weet was dit mijn laatste visite aan De Raaf.
Terug in de auto en onderweg naar het palingfestival schrok ik me in de eerste bocht die ik nam een bult door een hevige dreun vlakbij. Ik gooide mijn voet op de rem, verbeet de pijn en kwam slingerend tot stilstand. Het was die vermaledijde stok, godbetert. Hij was van de passagiersplaats gegleden en had met de handgreep een flinke klop tegen het portier veroorzaakt. Beeldde ik me in dat ik hierbij wat fluitend gesis hoorde? Vloekend zette ik me weer in beweging, me gelukkig prijzend dat er geen achter- of tegenliggers waren.
Tussen de bomen langsheen de omwalling en rond Het Rattenkasteel flonkerden lampen en lichten. Ze zwiepten dronken in de stormwind. Een festival van paling verdient voorwaar ook zijn festijn van licht.
Ik griste mijn bewusteloze stok van tussen de zetel en het portier en haastte me naar binnen, een halfuur te laat. Alomtegenwoordig geroezemoes wolkte me tegemoet. Ik las van de gezichten van Anje en Heloïse af dat ze mijn verlate entree niet fijn vonden. Ze zaten namelijk niet aan de bar (die blijkbaar niet in gebruik was), maar aan het meest centrale tafeltje in de zaak. De lege zitplaats leek te schateren en ieders aandacht te trekken.
‘Sorry … kinesist … ‘ mompelde ik, wat luchtkussen wisselend. Gelukkig werd hun aandacht wat afgeleid door mijn azobéhouten stok, die ze wel mooi vonden. Ik ging naast Anje zitten, waar bestek gereed lag. Heloïse zat tegenover haar.
‘Echt schrijverachtig,’ klonk het leukste oordeel.
‘En waar is de oude?’
‘In het haardvuur. Hij heeft zwetend en sissend de geest gegeven.’
‘Is dat een klauwtje? Hoe aardig! Mag ik es voelen?’
‘Een berenklauwtje, ja. Misschien slijp ik er onderaan nog een punt aan, om mee te schrijven, of om scampi’s en gamba’s aan te prikken op recepties. Geef beer es een handje.’
Ik jongleerde wat met mijn chocoladebruine vergrijzende aanwinst.
‘Haha.’
‘Opzitten en pootje geven. Straks komt de vis.’
‘Allez: tijd voor paling.’
Die chique stok wou echter helemaal niet tegen de tafel geleund blijven staan en kletterde voortdurend om. Negen belendende palingeters voerden daardoor gelijktijdig identieke hoofdbewegingen uit. Ik legde het stugge ding na vier keer dan maar onder de tafel. Pas daarna verkende ik glurend de omgeving. Gelukkig bestond Het Rattenkasteel uit diverse niveaus, zaaltjes, hoeken en kanten. Wijzelf zaten dicht bij de inkomhal en toiletten. Iedereen moest ons dus wel voortdurend passeren, maar we zaten niet echt in het vizier van de grotere ruimtes. Opgelucht nipte ik van mijn ‘maison’.
De landmeter, zijn vrouw en diens gezelschap, familie van de uitbaters, troonden op een voutenverdiepinkje. Ze deinden ietwat op en neer in mijn vizier toen ik ze gezamenlijk wat toewuifde ten teken van groet en herkenning. In de verte zag ik ook Mick en Pia zitten, die een bloeiende groenten-en-fruitzaak dreven in het centrum van Ҫeule-sur-Heulbecq. Hoe meer ik om me heen keek, hoe meer bekende dorpsgezichten ik ontwaarde in hoeken en kanten. Er was naast het palingfestival nog een ander feest aan de gang. Het Rattenkasteel was er groot genoeg voor.
Eerst was er bouillabaisse. Een goede zet.
Ik duwde met mijn goede voet mijn stok wat opzij, waardoor Heloïse even opkeek.
‘Sorry.’
‘Ik dacht: wat voel ik daar nu?’
Anje keek me even onderzoekend aan. Toen knikte ze begrijpend: ‘Ah, de berenstok. Ligt hij niet in de weg?’
‘Het is een zaak te gronde,’ sprak ik. ‘Hij ligt daar goed.’
‘Oh!’ deed Anje dan.
‘Ah!’ bevestigde Heloïse.
‘Anders moet ik er voortdurend uitleg bij geven. Het halve dorp heeft me de afgelopen weken al zien hinken.’
De heer en mevrouw dokter Brandt kwamen eraan, toch een opvallend uurtje te laat. Langzaam evolueerden ze door het complex, zegezeker op weg naar hun gereserveerde plaatsen. Opzij, opzij: paling voor de medicijnman!
‘Hij heeft nog consultaties gehad, zeker?’
‘Ja, een docteur is nooit … ‘
Er volgde nog een derde persoon als een aanhangwagentje. Die had zijn halflange grijze haar in een krulstaartje en groette veel minzamer dan dokter Jef Brandt zelf, die zich al lang geoefend had in een passeergrijns die als begroeting door kon gaan. Log bewogen ze doorheen mijn kijkveld.
‘Ze komen ook paling eten.’
‘Dat, Heloïse, is een volstrekt overbodige mededeling,’ wees ik haar streng terecht. ‘Je bête idolatrie voor het beroep van huisarts ofte geneesheer moet gegispt worden!’
‘O, krijg ik van de stok?’
‘Pas maar op voor the claw!’
‘Kijk, die klaploper is er ook weer bij, die Luc.’
‘Ja, een vriend des huizes. De dokter heeft graag een hielenlikker in zijn zog.’
‘Het schijnt dat die daar elk weekend zit.’
‘Of heeft hij niet genoeg aan zijn madame misschien?’
‘Oei oei oei … ‘
‘Hihihi … ‘
Ik vermoedde dat Anje naar Heloïse benen probeerde te schoppen, want ik hoorde mijn stok verschuiven.
Ondertussen begon ik aan mijn tweede portie bouillabaisse; mijn beide tafeldames wimpelden de kelnerin af. Een verse kelnerin kwam er alras aan.
‘Het wemelt hier van de kelnerinnen,’ glimlachte ik.
De drie dames keken me even verbaasd aan.
‘Wat drinken jullie bij de paling? Er is gebakken paling, à la provençale en in ’t groen. Met frietjes.’
‘Zullen we dan maar voor wit gaan?’ stelde ik voor. ‘Wit is altijd schoon.’
‘Witte wijn? In orde.’
‘Voor mij bubbels, niet plat,’ zei Anje.
‘In orde, mevrouw.’
Ik lepelde mijn bouillabaisse verder op. Even later deponeerde men een goedgevuld glas witte wijn voor mij neer. Mijn gezichtsveld begon kleiner te worden; ik gluurde al minder om mij heen en zag ook niet langer diverse kelnerinnen komen aanrukken.
Er verstreek weinig tijd tussen de gangen door. Plotseling werden drie dampende potten paling op onze tafel neergepoot: gebakken, in ’t groen, provençaals. De frites volgden onmiddellijk daarop.
‘Hier zit voorwaar tempo in,’ zei ik.
‘Ja, ze zijn hier rap.’
Een minuut lang hevelden we diverse potten naar elkaar over. Toen de carrousel stilviel, vielen we op de waterlekkernij aan.
Ondertussen hield ik met mijn voet af en toe even contact met mijn stok op de grond. Anje en Heloïse waren wel vaker te vinden voor een frats of een grap. Je wist maar nooit met ze. Het was ook het openbare debuutoptreden van mijn hulpstuk. Alles moest naar wens verlopen.
‘Ik vind dat ik mijn nagelnieuwe stok onheus bejegen,’ zei ik. ‘Door hem zomaar onder tafel op de grond te deponeren.’
‘Ja, hij verdient meer.’
De small talk werd verder vooral bepaald door de palingvariëteiten en de heen en weer passerende mensen op weg naar de toiletten of het rokersafdakje. Ik luisterde verstrooid naar de vrouwenpraat van Anje en Heloïse en genoot ervan. Misschien moest ik me nog meer oefenen in het spreken via automatische piloot.
Het tempo van de bediening bleef hoog. We kregen al heel vlug een tweede voer paling voorgeschoteld en zeer geregeld kwam men ook naar de stand van de wijn informeren. Ondertussen was ook Anje op de witte wijn overgeschakeld.
Mijn volksvrees nam zienderogen af. Ik had al een keer ‘Wie we daar hebben’ gezegd en minstens twee vijanden uitbundig begroet. De wereld was goed; de mensen een zegen: het moest altijd vrijdagavond zijn, tot in der eeuwigheid.
Omstreeks halftien vernauwden Heloïses ogen zich voor de eerste keer tot spleetjes. Ze begon op een tijgerin te gelijken. Hoe het met Anje gesteld was, kon ik minder goed detecteren, want die zat naast mij. We keken tien seconden later allebei tegelijkertijd verbaasd op, want we hadden duidelijk gehoord dat Heloïse even kreunde.
‘Gaat het, Loïs?’ informeerde Anje.
Heloïse sperde even haar ogen, glimlachte als in trance en knikte: ‘Ja hoor. Een opstootje van geluk. Lekkere wijn, gladde paling, de juiste mensen.’
‘Santé.’
Even had ik een kort visioen van een berenklauwtje dat zich een weg baande tussen de billen van Heloïse.
We klonken voor de zoveelste keer. Het geroezemoes om ons heen vertoonde her en der al scherpe uithalen en onverwachte pieken. Wijn begon de gemoederen te beroeren en te flamberen. Lachbuien dansten af en toe door de ruimtes. Er was ook drukker sanitair verkeer.
‘Wat zou iedereen nu aan elkaar vertellen?’
‘De helft ervan is ondertussen al niet meer waar.’
‘Met diezelfde mond eten ze paling.’
‘Ze zeven hun woorden met alcohol.’
‘Nee: spoelen.’
‘Look who’s talking.’
‘Gladde paling!’
‘Santé!’
‘Santé mijn ratje!’
‘Kijk, Andrea gaat nu al voor de derde keer haar neus poederen.’
‘Haar neus?’
‘Hihihi.’
‘Zie ze lopen; ze is aalvlug.’
Even haperde mijn blik aan een vochtvlek tussen zoldering en wand niet ver van mij vandaan. De vlek leek aanvankelijk de vorm van een vlinder te hebben, maar dat veranderde zienderogen en gaandeweg werd het een gedeukt gezicht. Ik hoorde Heloïse nu hardop neuriën. Ik stootte Anje aan, een beetje harder dan ik gepland had.
‘Steuntje nodig?’ vroeg ze.
‘Sorry. Te heftig. Kijk: zie jij dat ook? Net een … ‘
Ik knikte in de richting van de vlek.
‘Hm … een teken aan de wand. Ze is al zat hé?’
Dat laatste stukje siste Anje tussen haar tanden recht in mijn gezicht. Ik knikte van ja, weer in de richting van de die vlek. Belendende palingeters begonnen ook nieuwsgierig naar boven te kijken.
‘Frank De Winne zien passeren misschien?’ hoorde ik olijk opperen.
Ondertussen dook de beweeglijke heerlijke Heloïse even opzij, onder de tafel. Ze graaide naar mijn stok en zwierde er even wild mee heen en weer, als een majorette het ding in het midden vasthoudend. Op dat ogenblik zeilde de vrouw van dokter Brandt voorbij. De berenklauw trof haar midscheeps, ergens tussen lever en rechternier.
‘Ai! Ver … ! Au!’
De stok die mij rechtop hield, vouwde Mevrouw Brandt dubbel. Geschrokken dirigeerde Heloïse mijn stok weer richting grond, maar daarbij maaide ze onze wijnglazen van tafel. Alle drie. Die kukelden splinterend aan gruzelementen. De hele wereld keek om.
Onze biotoop stond nu in rep en roer.
Palingeters van aanpalende tafels sprongen op. Er strekten zich ettelijke handen en armen uit om de onfortuinlijke mevrouw Brandt naar de toiletten te loodsen. Kelnerinnen snelden toe en organiseerden omleidingen opdat niemand in de glasscherven zou trappen of over de witte wijn uit zou glijden.
Heloïse deponeerde mijn stok weer onder tafel en leek onder de vernietigende blikken ineen te schrompelen op haar stoel. Anje en ikzelf – medeplichtigen, zo leek het – pareerden de over en weer vliegende opmerkingen met spijtige ‘ja’’s, vergoelijkende ‘dat gebeurt’’s en machteloos schouderophalen. We leken wel alle verzamelde aandacht uit het hele Rattenkasteel naar ons toe te zuigen.
‘Wat was dat daar zo plotseling?’
‘Een robbertje schermen?’
‘Wiens ding is dat?’
‘Best dat er niet veel meer in was.’
‘De stukken vlogen tot hier!’
‘Beetje onder de olie, de madam, ja?’
‘Wie begint er nu zo in ’t wilde weg te … ‘
Dokter Brandt kwam nu ook poolshoogte nemen.
‘Ah! Er is een dokter in de zaal!’ riep een olijke palingeter.
Ik probeerde de hele reutemeteut en hun onnozele reacties te abstraheren door mijn aandacht weer op de vochtvlek te richten. Twee kelnerinnen dweilden ondertussen de vloer op dit ondermaanse.
De vochtvlek grijnsde me toe als een geest die door de wanden heen Ebenezer Scrooge op komt zoeken. Ik hoorde hoe Anje zich over Heloïse ontfermde. Die was in iets losgebarsten dat het midden hield tussen een slappe lach en een dronkenmanshuilbui.
De paling werd koud in de kommen. De charme van de aalvlugge lekkernij was verdwenen. De mensen speelden plotseling weer de hoofdrol. Dat wil zeggen: ze draaiden hun koppen weer, keken sporadisch nog eens om, en vezelden er verder duchtig op los. Onze tafel bleef een tijdlang het hoofdonderwerp van de gesprekken. We kregen verse glazen witte wijn.
‘Voor mevrouw ook?’ vroeg een van de kelnerinnen vinnig aan Heloïse.
‘Had ik maar mijn been niet gebroken, hé Heloïse?’ zei ik.
Ze glimlachte treurig en nipte van haar wijn.
‘Ik wou gewoon even de maat slaan van een geslaagde avond,’ zei ze. De invloed van de alcohol op haar articulatie kon niet worden ontkend.
De orde in Het Rattenkasteel was hersteld.
Plotseling hoorden we een eigenaardig fluitend gesis. Het kwam van onder onze tafel. Heloïse en Anje bewogen niet. Ze leken betoverd en wiegden bijna onmerkbaar heen en weer. Verbaasd sloeg ik het tafelkleed om en gluurde naar beneden. Mijn stok bleek als een cobra heen en weer te wiegen voor de benen van mijn tafelgenotes. Uit het berenklauwtje kwamen panfluitachtige tonen.
Met een kop als een biet dook ik weer boven water. Heloïse glimlachte verleidelijk naar me. Anje zat haar beaat aan te kijken.
‘Mijn gekreun van daarnet … ‘
Ik knikte begrijpend.
‘En dat dolle gezwaai met mijn stok daarna?’ wou ik nog weten.
‘Dat was om te vieren. Het is nog nooit zo lekker geweest.’
‘Ja, paling hé,’ glimlachte ik.
13-12-11
Something red, something yellow
SOMETHING RED, SOMETHING YELLOW
Zoals gewoonlijk sijpelden ze ’s ochtends met z’n tachtigen het grote gebouw van productiehuis ?CAKEJE? binnen vanuit diverse invalshoeken.
Daardoor merkten ze het eerst niet van elkaar. Pas toen zoals elke dag groepjes en groepen ontstonden en de eerste noodgedwongen samenscholingen (‘vergaderingen’) zich voordeden, begon het ze op te vallen. En dat zorgde voor onuitgesproken verbijstering. Nochtans betrof het geen ‘speciale’ dag, pakweg Valentijnsdag of Secretaressedag.
Veel vrouwen droegen die dag iets roods, zes vrouwen droegen iets opvallend geels en een paar uitzonderingen liepen er doodgewoon bij. Nog een andere uitzondering betrof Loredana, die uitdrukkelijk zowel iets roods als iets geels droeg, maar helemaal niks met Spanje of een furie te maken had. Alleen Michèle was natuurlijk weer met saai blauw omhuld.
Er heerste dus duidelijk verbijstering. Dat kon je vooral aflezen aan de katachtige blikken waarmee de roden naar de gelen loerden en de gelen naar de roden. Het hele gamma van felle gevoelens kwam stilzwijgend aan bod: spot, meewarigheid, misprijzen, verwondering, haat, nieuwsgierigheid, woede, leedvermaak, jaloersheid, onrust. Loredana vertoonde een zweempje van triomfantelijkheid. Maar (en dat was bekend) die kon goed acteren. Er werd echter vooral gezwegen over kleren en kleuren.
De mannen constateerden dat kleurgedoe natuurlijk ook. Maar omdat ze een vrouwelijk complot vermoedden (waarbij de vrouwen zelfs in twee kampen opgesplitst leken te zijn), durfde niemand van ze hardop te interpelleren. Je wist maar nooit dat het hier oorlogskleuren betrof, waarvan de niet-vrouwen het slachtoffer konden worden. Of een gigantisch-gedurfde weddenschap. Daarenboven was er vanavond een receptie gepland. Alleen redacteur Jahweh durfde het aan even bij researcher Sheree te informeren of er vandaag misschien iets in Tibet stond te gebeuren. Ze keek hem schuldig aan en schudde van nee.
Alle roden, gelen, rood-gelen en neutralen droegen echter eenzelfde iets op zich of met zich mee. Het was een brief. In het hemelsblauw uitgeprint.
Lieveling
Ik hoop dat ik je zo aan mag spreken. Vergeef me deze te korte brief waarin ik zoveel zou willen zeggen. Reeds lang verlang ik naar jou. (Vergeef me ook de herhaling). De wanhoop nabij schrijf ik je deze brief. Schrik niet; oordeel niet. Ik heb het beste met je voor. Het zit zo: ik ben een gezonde kerel met een goede smaak. Dat meen ik te mogen stellen. Die goede smaak is er de oorzaak van dat ik mijn oog op jou heb laten vallen en daar niet meer van af raak. Ik zie je bijna elke dag op het werk. Het is geen droom; je bent echt. Maak mijn dromen ’s nachts ook waar. Ik gooi het eruit: ik zie je graag. Wil je met mij naar bed? Draag nu donderdag iets opvallend geels als je dat wil. Een duidelijk rood signaal betekent nee. In het eerste geval maak ik me diezelfde dag nog kenbaar bij jou. Je zult het je niet beklagen. In het andere geval blijf ik een van jouw vele stille aanbidders hier in de firma en loop ik mijn verdere leven met een donkerrood bloedend hart rond. Je bent immers de Vrouw van mijn Leven. Ik hoop op geel!
Een hopeloos verliefde collega X
De hele verdere dag verliep onder hoogspanning. Er was immers ook een avondreceptie op til: redacteur Camiel verliet ?CAKEJE? voor een televisiezender. Hij zou met drank en hapjes uitgewuifd worden. Diverse ploegen en researchers trokken eropuit, maar keerden ook zo vlug mogelijk naar de uitvalsbasis van ?CAKEJE? terug. Arendsogen alom.
In de kantine zat Jahweh omstreeks het derde middaguur met chirurgische aandacht in zijn koffie te roeren. Hij had de indruk dat er in diverse kleinere kliekjes al verstolen over het kleurrijke thema gedebatteerd was. Périnne bijvoorbeeld was vanmiddag roodgloeiend van woede (?) de refter uit gestoven. Loredana werd wenend in de toiletten aangetroffen. Vandaag vielen ook de puur mannelijke samenscholingen op, weshalve er ook puur vrouwelijke ontstonden. Verder dan ‘De vrouwen zijn weer bezig’ was men echter niet gekomen.
De saaiblauwe Michèle kwam ook een takefiveje nemen. Er trok weer bewolking over het gezicht van koffiemadam Machteld toen Michèle zoals gewoonlijk een cappuccino vroeg.
‘Dat is het ontbijt voor de Italianen, de echte,’ merkte ze voor de tiende keer vinnig op. ‘Het is verdorie drie uur in de namiddag.’
‘We zijn hier in België, en ik kan dat woord nog correct schrijven ook,’ repliceerde Michèle, uitdrukkelijk naar de gelamineerde prijslijst wijzend.
‘Seut,’ dacht Machteld, maar ze slikte dat in en boog zich over de scheikunde van een cafetariacappuccino.
‘Ha, Michèle,’ deed Jahweh. ‘Niet in het rood? Niet in het geel? Weet jij wat er gaande is vandaag? Mis ik iets? Of is dat allemaal voor de receptie van Camiel?’
‘Niet morsen op je mooie jurkje,’ mompelde Machteld daartussendoor.
Even liet Michèle haar blikken over haar eigen saaie blauwe outfitje glijden. In scholen of kloosters zou ze helemaal niet opgevallen zijn.
‘Dat moet lukken hé, Jahweh, dat iedereen vandaag zo van diezelfde kleuren draagt … allez, de meesten toch.’
‘Ja … eigenaardig. Jij niet? Weet jij van niks?’
‘Niemand heeft wat gezegd. Eh … ‘ Michèle onderbrak zichzelf om haar cappuccino van de toog te gaan plukken. Ze ging tegenover Jahweh zitten.
‘Ja?’
‘Misschien vertel ik het toch beter niet.’
‘Eh … wat? Ik eh … ik kan zwijgen hoor. Is er iets aan de hand? Het is een weddenschap hé? Heb ik gelijk?’
Michèle roerde de smurrie door haar koffie en glimlachte wrang.
‘Of heb je zwijgplicht? Sarah heeft je verboden er iets over te zeggen zeker? Is het zo?’
‘O, nee … ‘
Toen haalde Michèle in een opwelling de brief boven. Die zat zo klein mogelijk gevouwen in een van de geheime plooien van haar outfit. Van achter haar horecaverschansing spiedde Machteld als een roofvogel mee; ze had natuurlijk alles gehoord.
‘Lees maar.’
Michèle streek het ding wat glad en gaf het aan Jahweh.
‘Waw,’ deed Jahweh na lectuur.
Het bleef wel een halve minuut lang stil. Machteld was gestold in haar laatste gebaar. Michèle keek naar niets, naar buiten, haar blikken zwevend over een saai gazon. Jahweh, die zelfs bij de aanschaf van een notenkraker rekening hield met de wetten van de fysica, dacht er niet aan haar te laten gaan vooraleer hij het fijne van de zaak wist. Bedachtzaam stak hij haar de brief opnieuw toe, terwijl Machteld honderd foto’s ontwikkelde in de doka van haar hoofd.
‘Eh … er heerst hier vandaag een oorverdovende stilte,’ poneerde hij dan. ‘Men zwijgt hardop. Veel vrouwen hebben blijkbaar eenzelfde anonieme brief gekregen. Gebeurde dat met de post? Waar is … ?’
‘Ja. De enveloppe ligt thuis.’
‘Geen afzender natuurlijk? Nee. Zal wel niet. En de poststempel?’
‘Hier in de stad verzonden. Gisteren.’
‘Tja … wat denk jij zelf, Michèle?’
‘Ik … Ik doe daar niet aan mee. Zoals je ziet.’
‘Zoals ik zie,’ beaamde Jahweh.
(En hij dacht erbij: Knoop jezelf in hemelsnaam eens op een andere manier op, Michèle, blauw is zo … zo blauwkousachtig. En dat voor een productiehuis!)
‘Het is nog ver van 1 april hé.’
‘Nee. Ja. Heeft iemand je vandaag er al over aangesproken? Soms is een dader … eh, ik zal het anders stellen: wie met veel gesnuif naar de dader informeert, heeft zelf de scheet gelaten.’
‘Maar ze lopen zelf allemaal op eieren! Meer dan de helft kleurt verdorie rood of geel! Er loopt zelfs een rood-geel kieken tussen!’
‘Maar rood betekent toch … eh … heb je er geen opmerkingen over gekregen? Jij hebt immers helemaal niks roods aan hé. Vrijwel de enige … ‘
‘Wie zegt dat mijn tanga niet rood is?’ sneerde Michèle totaal onverwacht. Daar had Jahweh even niet van terug. Hij vermeed angstvallig zijn blikken tot op bedoelde hoogte (nou: laagte) te laten zakken. Het bleef even stil. ‘Ik denk toch dat Camiel er voor iets tussen zit,’ zei Jahweh dan.
‘We zullen het misschien rap te weten komen, hé,’ antwoordde Michèle. ‘Ik moet er weer vandoor nu .’
In een ijltempo slurpte ze haar cappuccino halfleeg en verdween als de wiedeweerga.
Het feestelijke uur der gouden zuiltjes geluk was aangebroken, ter gelegenheid van het vertrek van redacteur Camiel. Het atrium in ?CAKEJE? liep omstreeks 17 u 30 al vlug vol: niemand had zich na de officiële werkuren nog naar huis gespoed in verband met andere kleren. Het atrium kleurde dan ook intens rood en geel.
Zou er nu nog iets kleurrijks gaan gebeuren?
Was een dader(es) zich nu grondig aan het verkneukelen?
Was er misschien candid camera in het spel?
Zou iemand plotseling op een stoel klauteren en verkondigen dat hij/zij een leuke weddenschap had gewonnen?
Men hield feestvarken Camiel in de gaten, maar van die kant kon het blijkbaar niet komen. De man werd geheel in beslag genomen door afscheidnemende vrienden en vijanden die schouderklopjes uitdeelden en toespraakjes hielden en door interpellaties over de televisiezender waar hij voor zou gaan werken.
De receptie verliep zoals de aard van het receptiebeestje was, met name: de mens. De toegepaste meetkunde van de sociogramwetenschap (een apocriefe afdeling van de betweterkunde ofte betuttelanis) draaide weldra vierkant in het rond. Natuurlijk zorgde de liquide daarvoor: een aanvaardbaar en betaalbaar afgeleide van echte champagne, want het waren oliecrisistijden. Minkukeltjes probeerden te zeggen waar het op stond tegen hun onmiddellijke chefs. Omhooggevallen hoofddrollen lieten zich bediening door hun pluimstrijkers en slijmjurken welgevallen. Onafhankelijke vrijbuiters fladderden van groep tot groep in de waan dat ze populair waren. Maar de spanning bleef voelbaar. Ook de grote bazen bleken geen vat te hebben op het kleurengedoe.
Jahweh Desimpel, lid van de exclusieve en geheime weddenschapclub IDYOM (I Dare You Owe Me) keek op zijn horloge. Omstreeks 19 uur zouden de clubleden Herman Cappoen en Akkemay Vandecasteele arriveren om poolshoogte te nemen van het percentage roodgeelheid. Ze waren hier nog nooit geweest. Hij grinnikte: zijn 500 euro waren binnen. En Akkemay zou dus ook als stripteaseuse moeten optreden. Ter plekke. Het beloofde nog een leuke avond te worden.
Tussen de ruggen door wadend, zijn glas als een splijtzwammetje voor zich uit torsend, zocht Jahweh de saaiblauwe Michèle weer even op. Toen hij bij haar groepje aanmeerde, vroeg ze:
‘Scheet gelaten, Jahweh?’
10-11-11
KLKN
KLKN
Alleloeja was misschien wel niet thuis.
Maar het was toch vrijdag? Jezebel belde nog eenmaal aan, zette twee passen achteruit en tuurde naar boven. Geen beweging, geen geroep, geen sleutelbos die pijlsnel naar beneden daalde. Het leeuwenkopje linksboven in de deur, van wie de tong de beldienst uitmaakte, leek haar spottend aan te kijken. Jezebel plukte de kauwgum van tussen haar tanden en plakte die op de tong van de koning der dieren. Daardoor ging de bel andermaal over, maar Jezebel keek niet eens meer om toen ze zich terug naar haar Skoda haastte. Op de voicemail van Alleloeja’s mobieltje weerklonk zoals gewoonlijk de mededeling ‘Ik ben er geweest. Spreek uw boodschap in na de bieptoon.’ Zuchtend gaf Jezebel het op.
‘Godverdomse bidsprinkhaan! Zeker weten dat je thuis bent!’
Met een vinnige beweging mikte ze haar gsm in de boodschappentas. Verstrooid en verstoord gaf ze gas.
Veilig verscholen achter de overgordijnen volgde Alleloeja met pretoogjes haar aftocht, tot haar auto goed en wel uit het zicht verdwenen was. Daarna controleerde hij proefondervindelijk of die kalkoen wel in zijn oven kon. Dat lukte. Hij pakte zijn mobieltje en sms’te een blijde boodschap.
Op het ogenblik dat Takkenaas ter hoogte van speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek de Trekvogelstraat overstak, kreeg hij een aanval van doodsangst. Die kwam er andermaal door plotse gedachten aan zijn leeftijd (57), aan hoelang hij nog maar te leven had (?) en aan de sluipmoord van sigaretten. Daarenboven constateerde hij elke dag dat zijn gezicht meer en meer op dat van zijn opa op diens laatste foto begon te gelijken. Dergelijke aanvallen kreeg Takkenaas de laatste tijd wel vaker. Hij knipte zijn peuk weg en hoestte kort. Er golfde een rilling over zijn ruggengraat, alsof iemand onaangekondigd over zijn graf liep.
De Skoda probeerde bruusk af te remmen. Het snerpte door merg en been. Geschrokken keek Takkenaas opzij, naar het verbijsterde vrouwengezicht achter de voorruit, dat hij onmiddellijk thuiswijzen kon. Even stolde en stremde het verkeer in dit segment van de straat. Alles en iedereen versteende een seconde. Door de naweeën van de vaart gleed de auto als een dronken robot door, schepte Takkenaas op, vermaalde die met splinters en scherven, gooide hem in de lucht en ving hem dan weer met een doffe bons op het dak van het monster op, waar hij als een kapotte ledenpop bleef liggen. Pas daarna kwam de Skoda tot stilstand. Even verder lag een zieltogende sigarettenpeuk te roken. Gesmoord gegil weerklonk nu in de auto.
Terwijl Takkenaas door de lucht buitelde en zijn laatste seconde op deze aarde beleefde, ontving zijn mobieltje een sms. Het ding kletterde op straat. Een tegenwoordige van geest raapte het op en constateerde craquelé op het schermpje. Collateral damage. Een nabestaande van het slachtoffer zou later het bericht claimen. Het zag er als volgt uit: thnx4KLKNcupw
De gebeurtenis in de Trekvogelstraat kreeg nog een extra dramatische toets, want eensklaps begon hevige regen neer te sauzen, totaal onaangekondigd. Bakken hemelwater kletterden in een oorverdovende percussie uiteen. Niemand had dat zien aankomen, want er was niet eens een alarmerende wolkenkudde aan voorafgegaan. Het was nochtans eind december.
Blauw zwieplicht kleurde de waterval van regen. Paraplu’s groeiden als paddenstoelen uit de grond. Oranje politielinten wapperden als serpentines om de plaats des onheils. Ter hoogte van de speelgoedwinkel Tjoek-Tjoek in de Trekvogelstraat had zich een stadsinfarct voorgedaan.
Jezebel had haar eigen broer doodgereden. Nonkel Alleloeja droeg de begrafenismis op. De rouwmaaltijd bestond uit kalkoenrollade met kroketten.
‘Had jij maar de deur opengedaan, moordenaar!’ brieste Jezebel na haar tweede bel cognac.
01-10-11
Trio
TRIO
Ik vulde een bescheiden reistas, harkte de overgebleven haren op mijn hoofd naar achteren en vertrok op bedevaart naar de meest zondige stad die ik kon bedenken: Hamburg. In de auto belde ik Lotte op: dat ik effectief vertrokken was. Het woei stevig en ook ik gaf gas. In mijn aanloop naar het netwerk der autostrada sneuvelde een bermkip onder de wielen van mijn inktzwarte Saab; haar veren warrelden als een sneeuwbui in mijn achteruitkijkspiegel. Op tien kilometer van de zondige havenmetropool kon ik nog net een egel ontwijken, dacht ik, maar in een flits merkte ik dat hij al doodgereden was. Ik was over lijken gegaan en bereikte eindelijk Hamburg, havenstad en ook deelstaat op zich aan de Elbe, met meer water dan Amsterdam of Venetië.
Het toekomen op een vreemde bestemming vervult mensen gewoonlijk met vreugde. Samen met de walm van samengeperst mensenvlees kolkt bij het openschuiven van trein- en vliegtuig- en busdeuren ook blijde verwachting naar buiten. Men knippert tegen het licht, haalt diep adem en ledigt de blaas teneinde zich vlot te kunnen verplaatsen in de stad of het land dat men gaat bevolken. Ikzelf echter legde bij aankomst in Hamburg mijn moede hoofd op mijn stuurwiel, ten prooi aan parkeerwanhoop. Ik had al acht rondjes gedraaid in iets waarvan ik vermoedde dat het een vicieuze verkeerscirkel was en hoopte keer op keer dat de verkeerslichten op rood zouden huppen zodat ik enkele minuten respijt en rust zou krijgen. Dat komt ervan als je onvoorbereid reist.
In mijn beste combinatie van Neder- en Hoogduits vroeg ik uiteindelijk via opengedraaide autoramen hulp aan een Skoda vol met Turken. Ik hield er nekkramp en een straatlegende aan over, waardoor ik via een ontsnappingsroute uit dit spinnenweb toch een parkeergarage ontdekte niet ver van de wijk Altona.
En zie, voorwaar: drie kwartier later was ik op vrije voeten. Ontdaan van mijn Saab en mijn reistas en gründlig ingecheckt in hotel Columbus, struinde ik door de havenstad. Het duurde geen halfuur of ik had alweer dubbelgangers van diverse kennissen van mij tegen het lijf gelopen. Af en toe diende ik zelfs mijn blijken van herkenning te bevriezen en onderweg een onvoorbereid neutraal afleidingsmanoeuvre uit te voeren, teneinde niet als een straatidioot beschouwd te worden, zo treffend was soms de gelijkenis. Er waren op deze wereld blijkbaar geen verse modellen meer beschikbaar. Ook niet in het land van de Lebensborn Vereniging.
Hamburg … waarom was ik hier? Vertrokken op een donderdag, terugkerend op een dinsdag? De reden voor mijn reis lag niet voor de hand. Hij was negatief: ik ontvluchtte met voorbedachten rade de nationale politieke zondagsverkiezingen in mijn vaderland. Helaas zouden de rechtse nationalisten die met verve winnen. Ze zonden asjeblief eenentwintig verse nieuwbakken parlementairen naar de hoofdstad. Mijn schuld. Was ik maar in eigen land gebleven. Of niet?
Niet. Mijn buitenlandse ‘zakenreis’ vrijwaarde me ervan de Vlaamse leeuw in de schorre keel te moeten kijken. Stemmen hoefde niet, want ik was (zelfs voorbehoedend al) gewapend met bewijsmateriaal in verband met mijn alibi: ik diende ergens anders te zijn. Daarenboven betekende ik een weldaad voor mijn land (binnenkort deelstaat?) omdat ik een ‘businesstrip’ over de grenzen heen ondernam. Af dus, flaminganten! Laat de stemloze met rust!
Gezellig dolend door welstellend, vrijzinnig, liberaal Hamburg belandde ik in Pakhuisstad in het vermaarde Specerijenmuseum. Die ervaring kende wat mij betreft zijn gelijke met enkele bewustzijnsverruimende fuiven die ik in de beginjaren zeventig meegemaakt had. Mijn zintuigen lagen namelijk aangenaam overhoop toen ik weer buiten stond.
Het was een goede wereld met bovenstebeste mensen in.
Ik inhaleerde de koopmanslucht diep en vervolgde mijn tocht. Ook hier woei het hard. De wind harkte de haren op de koppen steil achterover. Ik was ook best tevreden over mezelf. Immers: bij mijn vertrek had ik maar eenmaal mijn handen gewassen en slechts driemaal via gemorrel gecontroleerd of de voordeur wel degelijk dicht was. Ik had mijn kastdeuren niet meer open en dicht gedaan. Ik was niet tot driemaal toe weer de trap opgerend. Amper één keer extra had ik de sleutel in het slot van de achterdeur een zwik gegeven om te voelen of die rotdeur echt wel gesloten was. De huisschildpad in haar afgebakende territorium had ik maar twee keer aangeraakt, geen drie keer. Toch zou ze blijven leven. Wel had ik onderweg een zevental keren gecheckt of mijn handrem zich wel degelijk in de neutrale stand bevond. Ook van de aircoknop kon ik moeilijk afblijven, hoewel die niet geactiveerd diende te worden.
Ik was dus genezen, bevrijd en opgelucht, in een land dan nog wel dat ooit mijn eigen land bezet had. Dat verdiende een Gorbatsjov-wodka. Dus dook ik de Thomas Read in, een veilige drankzekere pubhaven waar ook ter wereld. Na anderhalf uur al stond ik er bekend als de kerel die zijn papiergeld in vieren vouwde en dit nauwgezet in de compartimentjes van zijn portefeuille schoof. Het geld echter dat ik verbraste, hoefde ik niet langer op te vouwen. Een goede Duitse ziel wees me daar op. Zo kwam het dat ik luttele uren na mijn aankomst in havenstad Hamburg onder invloed van specerijen en alcohol mijn herhalingsdrang kon botvieren door een dozijn wodka’s na elkaar in de krochten van mijn keel te kapseizen. Ik was boos omdat er verkiezingen waren en blij omdat ik die ontvlucht was. Dus werd er geleidelijk aan om mij heen door de valavondmensen dapper gedronken, het vaakst op mijn kosten. Mijn Nederlands grensde meer en meer aan het Neder- en Hoogduits. Vouwen deed ik ook al minder en minder. Plooien zou ik misschien weldra doen, maar vooralsnog maakte de G-wodka van mij een wereldleider die in vele talen sprak. Vooraleer echter de fases van dazen en wazigheid aanbraken, doemde de mooiste vrouw aller tijden in mijn gezichtsveld op. Ze zat amper tien meter van mij verwijderd op een barstoel aan de toog, met niemand ertussenin. Ik had haar niet eens binnen zien komen, en klaarblijkelijk had ook niemand er aandacht aan besteed. Hoe kon dat nu. Het zijzicht was adembenemend. Abrupt sloot ik mijn klep voor de duur van een paar minuten. Mooie vrouwen maken van mijn mond een eindstreep waar mijn woorden halt houden, sneuvelen, neerzijgen. Zinsverduistering, kortom.
‘Wie is dat daar?’ vezelde ik dan in een of andere taal tegen de barman.
Het antwoord kwam fluks: ‘Dat is Vanessa Bradt, stadsdetective, bijgenaamd Blonde Arendsoog. Bradt, dt. Ze beheerst zes verdedigingssporten en vier talen. Zonder haar is Hamburg reddeloos verloren. Samenhokkend met een baanrenner. Goeie coureur. Geen coureur locale, nee.’
Ik keek de kerel diep in de ogen om sporen van sprookjes of ironie te detecteren, maar hij zwierde bloedernstig zijn handdoek over zijn linkerschouder en ging alweer vlug aan de slag.
‘Braadworst,’ mompelde ik plompverloren en stil genoeg om niet gehoord te worden. En dan, iets harder: ‘Mag ze wel drinken tijdens de diensturen?’
‘Wie zegt dat ze nu dienst klopt?’
‘De valavondshift misschien.’
Dit betrof mijn laatste conversatie met het klantenbestand waar ik tot nu toe over beschikt had, want ze vertrokken plotseling allen naar huis (‘Is er een avondklok ingesteld?’ riep ik ze nog na) en daarenboven was ik van plan me tot de bloedmooie stadsarend van Hamburg te wenden. De Thomas Read bevatte momenteel dus alleen ons beiden plus een barman.
Ik spoelde even mijn Duits en mijn ouderwetse naamvallen om in enkele grondige slokken wodka, oefende mijn arendsblik op de spiegel voor mij en keek dan uitdrukkelijk opzij, met de bedoeling een conversatie op te starten. Ook zij keek nu opzij. Even werd mijn adem afgesneden en bijgevolg bleef mijn woordenklep andermaal gesloten: de hoofdvogel van Hamburg keek bij nader inzien een behoorlijk stukje scheel weg. Maar dat kleine gebrek aan perfectie trok me – zoals gewoonlijk vooral bij vrouwen – heel erg aan. Het vakwoord is strabisme, als ik me niet vergis: voor mijn part een lekker bekkend woord voor iets leuks als bedroomeyes.
Was ze misschien undercover?
Ik voelde dat de barman me van in de verte in de mot hield. Ontwaarde ik nu een zweem van een grijnslach op zijn gezicht? Ik besloot hem in de zeer nabije toekomst compleet te negeren. De klant was immers koning. Toen ik weer van hem wegkeek, ontdekte ik hoe het kwam dat Blonde Arendsoog daarnet ook opzij geblikt had, en tegelijkertijd kukelde ik van verbazing zowat van mijn stoel: eensklaps waren twee identiek gelijke schepsels in de bar verschenen. Mijn verbazing betrof niet alleen hun onderlinge gelijkenis, maar ook en bovenal hun gelijkenis met de vrouw aan de toog. Alle drie keken ze lichtjes scheel. Een drieling? Er was geen enkel verschil tussen de drie, tenzij de kleren. Mochten hun kleren niet verschillend zijn, dan was dit waanzin. Waanzin die ik misschien aan de wodka wijten kon. Maar nee. Deze identieke drievuldigheid deed zich wel degelijk hedenavond in de Thomas Read in Hamburg voor. Ze stapten op de vrouw aan de toog toe en er werden wat zoenen gewisseld.
Drie, godgenageld!
Ik nam een diepe duik in mijn wodka en gebaarde naar de barman om nog eentje. Die stond duidelijk te triomferen.
‘Hebt u mij iets wijsgemaakt daarnet?’ vroeg ik scherp, maar toch bij voorbaat vergoelijkend.
‘Dat is dus Vanessa Bradt met haar zussen,’ verduidelijkte de man.
‘Ja, dat merk ik,’ probeerde ik cynisch te antwoorden. ‘Een heel arendsnest. Hebben ze ook een naam, deze fotokopieën?’
‘Manon en Melisje.’
‘Uw wodka, meneer. Wellicht de laatste? U hield een dapper tempo aan. Bent u met de auto?’
Godverse gründlichkeit.
‘Geef de drievuldigheid eentje van mij,’ gebood ik gul. De wodka had inmiddels alle dijken in mij gesloopt; ik was bereid zelfs met een hondje met een hoedje op te communiceren. De man keek even bedenkelijk in de richting van de mooie dwarskijkers.
‘Zou je dat wel doen?’
‘Hoe geraak ik anders in gesprek?’
‘Ze drinken peperduur.’
‘Geeft niet; ik kom net van het pepermuseum, haha.’
‘Vooruit dan maar. Wodka nummer elf voor jou?’
‘Uitkiepen die handel.’
‘Ik vraag het nu even aan de Bradt-zusjes hé. Zeker weten, meneer?’
‘Zeker weten, andere meneer.’
Zeven seconden later keken de drie gratiën me eensklaps in zesvoud aan. Er lag – hoe zal ik het vertolken – belangstelling in hun blikken. Dat meende ik althans te ontwaren. Daarna onderhandelden ze even kort met de barman, wellicht in verband met de keuze van hun drankje dat ik ze aangeboden had.
Wenkten ze?
Ze wenkten!
Ik griste wodka nummer elf van de toog, ontrafelde me van mijn barkruk en begaf me gezwind naar de zussen.
‘Dag meisjes … vrouwen … dames … Hoe mag ik jullie … (Dat verdomde Duits ook. Heissen? Was dat noemen? Heten? Verhitten?) Ik ben Bregwin. Eh … hoe … jullie?’ ‘Melisje, Vanessa, Manon,’ klonk het. ‘Bradt. Driemaal Bradt.’
Ze antwoordden door elkaar heen, zodat ik niet wist wie wie was, want de zus die daarnet alleen aan de toog gezeten had, had al plaats geruild met … tja: met wie? ‘Bregwin dus. Drinken jullie wat van mij?’
‘Dat komt eraan hoor,’ antwoordde wie van de drie.
‘Eh … wie van de drie is nu Manon?’
‘Ik.’
‘En wie is Melisje?’
‘Ik.’
‘Dus jij bent Vanessa?’
Blonde Arendsoog, nu rechtopstaand op benen die niet leken te eindigen, knikte: ‘Tenzij we onderling weer vlug van plaats verwisselen.’
‘Haha.’
Even had ik het gevoel in een spiegeltent terechtgekomen te zijn, waar niets nog was wat het scheen of leek te zijn. De blikken van de zusjes Bradt zeilden alle kanten uit. Drie dure totaal verschillende cocktails rukten nu aan, begeleid door een brede grijns van de barman.
‘Zo, meneer, dat schrijf ik er dus even bij? Alstublieft, dames.’
‘Waw,’ deed ik, eerder door het visioen van het grote gat in mijn portefeuille dan door de aanblik van de potsierlijke glazen apezuur.
‘Bent u een Hamburger?’ informeerde wie van de drie in alle ernst.
‘Eh … nee.’
Even aarzelde ik in verband met een voor de hand liggende grap betreffende fastfood.
‘Geen Hamburger. En ook geen Habsburger. Gewoon Bregwin, uit België.’
‘Ah! Justine! Kim!’
‘Eh … ja. En jullie? Hamburgerinnen?’
‘Alleen Vanessa hier,’ knikte een van de drie, die dus blijkbaar een van de M&M’s moest zijn. Wat keken ze toch alle drie op goddelijke wijze een beetje scheel! Ze toostten me nu toe en nipten van hun kleurrijke parapludranken.
‘En jullie?’
Ik bestreek met mijn blikken ieder van de drie in vlugge volgordes en keek ook een ietsepietsie dwars, om te verbergen dat ik niet goed wist tot wie me te richten.
‘Wij wonen in Australië,’ antwoordde M. ‘Onze vrienden rijden hier de Zesdaagse.’ ‘Vrienden?’
‘Liefjes, mannen, lovers.’
‘Ah ja. Eh … allebei? Of … ’
Ik herinnerde me dat de barman me gezegd had dat ook Blonde Arendsoog met een baanrenner hokte. Hoe zat dat hier?
‘Alle drie. De drieling Tuelson: Graeme, Bradley en Quinty. Alle drie bekende Australische baanrenners. Ook een drieling. Toeval hé?’
‘Maar … ‘
Ik inspecteerde weer even de barman, die van aan het uiteinde van de toog op het spektakel toekeek. Wat was dat nou? Tuinde ik ergens in? Was dit een numeriek complot? Betrof dit een gigagrap? Speelde de Gorbatsjov-wodka me parten?
‘Dus … ‘ vervolgde ik, ‘dus … jullie zijn een drieling, en jullie vrienden zijn een drieling, en die … die draaien rondjes hier in de Zesdaagse van Hamburg?’
‘Klopt.’
‘Zo is het.’
‘Australië?’
‘Wij wonen in Canberra,’ beaamden M&M, ‘We zijn onze mannen gevolgd. Maar we zijn geboren in Hamburg hoor. Alleen Vanessa is hier gebleven. Met Graeme. Die zelf hier achtergebleven is na een eerste Zesdaagse met zijn broers. Ze is chef van de stadswachten. Nietwaar, zusje?’
Het Europees gebleven zusje glimlachte stralend. Dat was dus Blonde Arendsoog. ‘Waw. Een drieling plus een drieling. Intercontinentaal. Zijn het goeie renners?’
‘De Tuelson-broers zijn eh … de subtop, laten we zeggen.’
Ik knikte en vond na een vlugge scan in mijn geheugencompartiment nergens een aanwijzing dat ik ooit over het flitsende aussie-driespan had gehoord of gelezen.
‘Koersen ze dan samen?’
‘Gedrieën? Zelden. Meestal rijden ze in aparte wedstrijden.’
‘Maar soms ook eens tegen elkaar, als het zo uitkomt.’
‘In ploeg zijn ze te duchten.’
‘Dat zal wel.’
De barman kwam nu een kasticket over de toog in mijn richting schuiven.
‘Op hotel, Bregwin uit België?’ informeerde wie van de drie.
Ik knikte niet ontkennend: ‘Een korte citytrip. Tot na het weekend. Zo ontloop ik de verkiezingen in mijn land. Businesstrip, weet je wel.’
‘Foei foei.’
Ik stond vooralsnog op mijn beide benen, maar toch bood een onopvallende handgreep aan de toogrand me een veilig houvast.
‘Zeg, ooit had je in Zweden de vier gebroeders Pettersson, ook renners,’ doceerde ik met een luie r.
‘O, was er eentje van gay?’
‘Waarom?’
‘Voor het geval dat ze een drieling zouden ontmoeten.’
‘Haha. Eentje op overschot. Haha. Gelijken de Tuelson-broers ook zo goed op elkaar? Zoals jullie?’
Mijn vraag werd met driewerf ja-geknik beantwoord.
‘Zorgt dat dan niet voor verwarring?’
(Bijtijds censureerde ik het woord kloon; onder geen beding kon dit woord hier in stelling gebracht worden).
De zusjes begonnen nu wat te deinen in mijn blikveld, en soms kantelde er eentje uit mijn vizier weg: de wodka deed zijn werk in mijn lichaam als een kathedraal.
‘Je praat funny Duits, Belg,’ merkte Melisje, Manon of Vanessa op. Alleszins een Bradt, dt.
‘Dat is … ‘ wedervoer ik, maar een plotse dwingende aandrang ter hoogte van mijn geslachtelijk feit joeg me ijlings naar de toiletten, die ik het afgelopen anderhalf uur al drie keer bezocht had. Ik voelde zes divergerende stralenbundels in mijn rug convergeren.
Na omstandige lozing van wodka-afgeleiden verscheen ik weer in volle glorie in de gelagzaal van de Thomas Read. Wederom sloeg verbazing toe: de perfecte mannelijke drieling in glanzende maatpakken draaide zich als één man naar mij toe.
De Tuelson-kloons!
Tweemaal drie identieke mombakkesen, dat was te veel voor mijn perceptie. Iets in mij knapte. Ik kon het niet indijken: ik barstte in een onbedaarlijke lachbui uit. Het panorama op het zestal werd nog stripmatig doorflitst met wapperende tekstserpentines, en gecombineerd met de golfslag van wodka in mijn lijf werd het allemaal nog erger: THE DALTONBROTHERS ARE BACK! HAVE MERCY ON THE ANDREWSISTERS! ZESLING GEBOREN TE BLANKENBERGE! Had ik me daarnet niet ontlast van giftige overtollige liquide, dan zou ik nu wis en waarachtig …
Ik had godverdomme het harige mormeltje in de vuurlijn tussen bar en sanitaire vertrekken niet zien zitten.
Toen ik na duisternis, wazigheid en wegebbende ruis weer bij mijn positieven kwam, opzittend als een hondje dat een koekje is beloofd, bleek dat ik over dat pietepeuterige kefmormel gekukeld was. Het was godgenageld zo groot als een mier. Het ding zat een paar meter verder de schok te verwerken.
‘Gaat het weer, meneer?’
De barman trok me recht aan mijn uitgestoken hand, zoals voetballers plegen te doen na een aanslag.
‘Gaat wel.’
Ik voelde vooralsnog niks. Het duurde wel even voor mijn blik weer bijgesteld was.
‘Mijn hondje heeft de slechte gewoonte hier in de weg te liggen. Ik kan het haar niet afleren.’
‘Niet gezien.’
Ik glimlachte schaapachtig naar Vanessa Bradt, die aan de toog … verdorie.
‘Waar zijn … ?’ begon ik, om de aandacht van mijn tuimelpartij af te leiden.
‘Pardon?’
‘Maar … eh … ‘
‘Nog wat dizzy, Bregwin?’ informeerde Vanessa bekommerd. Ze maakte een gebaar in de richting van mijn voorhoofd, maar dat gebaar verstarde en haar hand keerde onverrichter zake terug naar af. Ik zeilde met mijn blikken het interieur van de Thomas Read af. Twee oudere mannen zaten op een bank in een hoek, en aan het verste uiteinde van de toog hing een jong koppel. Diepe peilingen van mijnentwege in de ogen van zowel Vanessa als de barman leverden geen informatie op. De drieling en twee derde van de andere drieling bleken foetsie te zijn. Hoewel mijn verbazing groeide, liet ik verder niets meer blijken.
‘Een wodka van het huis?’ bood de barman aan. ‘Maar eh … Vanessa hier wil wel dat dit je allerlaatste is.’
‘Oké,’ knikte ik. ‘Hier stopt het.’
‘Hier moet het stoppen,’ beaamde Vanessa. ‘Echt geen pijn gedaan? Het leek zo … zo echt.’
Terug in hotel Columbus hadden Lotte en ik het grootste plezier.
‘Als dat geen rollenspel was hé!’
‘Onverbeterlijke zuiplap die je bent. En … Bregwin! Waar haal je dat in godsnaam vandaan! Maar dat verrekte hondje! Dat was toch niet voorzien of inbegrepen bij die 20 euro die ik de barman had gegeven!’
‘Het realiteitsgehalte was toen bijzonder hoog. Als twee honden vechten om een been … Ik was even te enthousiast.’
‘Maar … een drieling!?’
‘Wie droomt er niet van een drieling … twee drielingen.’
‘O, triootjes? En dan nog baancoureurs, potverdorie! Ik had gewoon verbale seks verwacht.’
‘Surprise, darling, surprise. Toch een stukje meer fun dan één op één hé. Maar je speelde er prima op in.’
‘Waw, dat was echt de max.’
‘Vlotte treinreis gehad?’
‘Viel mee.’
‘En het bijzitterschap? Niet bang voor een boete?’
‘Een buitenlandse zakenreis valt makkelijk te bewijzen. Bewijskrachtige documenten in overvloed.’
‘Nou: een nummertje?’
‘Met al die wodka in je lijf, Pieter?’
‘Wie zegt dat de barman wodka schonk?’
‘O, dubbel spel? Die kerel moeten we morgenavond zeker nog een bezoekje brengen, om hem te danken voor zijn medewerking.’
‘Dat zal niet op de agenda ontbreken, Blonde Arendsoog. Kom hier met je tweeling. Of zie ik dubbel?‘
15-08-11
Als het hert spreekt
ALS HET HERT SPREEKT
Aan de muur boven de deur hang ik, Rudy de hertenkop. Er steken zachte ogen in, maar er staat ook een gewei op dat bijvoorbeeld mensenvlees open zou kunnen rijten. En ja: de muren hebben dus oren. Met deze hoofdrol in een Vlaamse huiskamer ben ik niet erg opgezet. Een tochthond als hoofddrol bij de scheur onder de deur heeft het ietwat beter, want hij behoudt tenminste het overzicht over zijn lijf. Ik niet. De rest van mijn lekker lijf is al jaren geleden verspreid over enkele kerstdiners. Dieren met kerst: kijk uit! Ik ben voor driekwart opgesoupeerd. Een ondernemende chef-kok vermaalde zelfs mijn hoefjes ten behoeve van dure heren die na de maaltijd misschien van bil wensten te gaan met een aanpalende tafeldame. Te wijten aan de wijn kwam het er niettemin nooit van. Anders had ik dat wis en drie gevoeld. Mijn edel hertenvlees gecombineerd met de weldaad van dieprode nectar hadden alle energie uit de genodigden doen vloeien, al zag de beweging er toen omgekeerd uit: ik ontnam ze hun kracht, maar zij aten mij. Mijn ziel echter heeft geen sterveling ooit weten te bemachtigen of te slachten: die blijft hunkeren in het schrijn van mijn opgezette kop, zeg en schrijf maar: hoofd. Quasi-wezenloos staar ik, Rudy het Ardense hertenhoofd, de Vlaamse meubeltjes tegemoet: ooit Meurop, later Gaverzicht, nu Ikea. De tijd staat niet stil, n’est-ce-pas. Mijn gewei neemt de kleur aan van de nicotine die bezoekers de lucht inblazen. Ik leef zo intens met mijn omgeving dat ik me macrobiotieker voel. De huid van mijn kop verkrampt in een eeuwige still. Ziehier het hert. Maar mijn ogen blijven zacht en mijn gewei vlijmscherp: erachter en eronder zit mijn ziel.
Eén bepaald jaaruiteinde en –begin werd ik uit mijn donkerbruin gepeins opgeschrikt: het Vlaams moeke des huizes hing verdorie plotseling pinkellichtjes in mijn gewei op. Het batterijtje rustte op het weekste deel van mijn schedel. Wat een vernedering, van 22 december t.e.m. 4 januari! En dat geflikker! Even zelfs voelde ik mijn latent talent voor homofilie opflakkeren, onder herten doodnormaal – een soort van verre herinnering waar mijn lijf geen blijf meer mee wist, eerder een opwelling. In die helverlichte donkere dagen torste mijn hertenkop mijn gewei annex batterij als een encefalogram, ja: doornenkroon. 3 januari gaf het batterijtje de geest; 4 januari werd ik uit mijn lijden verlost. Weer staarde ik quasi-wezenloos het nieuwejaarkezoete in.
Des nachts, wat niemand ziet of weet, geeuw ik de verveling uit mij weg en strek ik mijn gewei breed vertakkend uit. Zo heb ik na maanden oefenen de afstandsbediening van de teevee weten te bereiken. Die blijft soms achter op de sofa. Het allereerste wat mijn dode ogen te zien krijgen, is een kookprogramma. Een kookprogramma, godgenageld. Dat is niet naar mijn zin, ofschoon er met lamsvlees wordt gejongleerd: Pasen nadert ondertussen. Wir haben es nicht gezapt. Maar na enkele nachtelijke zapsessies beland ik ten slotte op een Duitse zender waar ik een tijdlang heel kijkdicht trouw aan blijf: men onderneemt ten behoeve van de slapelozen urenlange treinreizen doorheen allerlei landschappen, te aanschouwen via een camera op de snuit van een locomotief. Op een van die nachtelijke trips ontdek ik zelfs eens een echt hert, wegvluchtend naar een bosrand. Maar ook dat word ik beu. Uit nieuwsgierigheid naar mijn huidige biotoop en omgeving vertoef ik al eens vaker op de streekzender. Die straalt ’s nachts herhalingen uit van de dagprogramma’s, reclameblokken en teletekstinfo. Zo ontdek ik op een nacht in mei dat het huis waar ik hang te koop wordt gesteld. Er wordt een foto bij getoond, en de prijs is ‘overeen te komen’. Bij ontstentenis aan mijn hertenhart begint mijn kop heviger te kloppen. Alle Ardennen op een hoopje, wat krijgen we nu?? Koleire maakt zich van mijn kop meester. Ander volk aan huis? Zonder inspraak van mij? Net nu ik me zowat, nou: thuis begin te voelen? Dat wordt verdorie weer wennen. Of, erger nog: de nieuwe bewoners mochten het eens in hun hoofd halen mijn kop eruit te schroeven en … containerpark? Rommelmarkt? Studentenkot? Ik begin huid en haar te zweten.
Het wordt café De Groene Jager, of all places. Nou, via tussenstations natuurlijk. Drie maanden later hang ik gemengde gevoelens te hebben in de rochelende hoestmist van café De Groene Jager. Ik kon het slechter getroffen hebben, maar ook beter. Het uitzicht bijvoorbeeld kan ermee door: ik prijk nu aan de muur boven de toog en staar aldus in de façades van stamgasten die naar hun drenkplaats zijn afgezakt. In den beginne krijg ik zelf ook wat aandacht: mensenogen. Voer voor vele colloquia, dat wezenloos-wezenlijke gestaar. Nu, het went, het slijt. Aanvankelijk is er ook de onvermijdelijke cafégiller in verband met ‘hertzeer’, maar ook dat verdwijnt. Al vaker kan ik me concentreren op de kauwgumbak onder mij. Ik van mijn kant zou ook een mop kunnen lanceren, mocht ik een stem hebben en die kunnen verheffen. Ik zou gewagen van twee ongelijke kampen in het café: de aangeschotenen, zij dus, en de geschotene, ik dus. Maar een hertenkop zwijgt tot in der eeuwigheid, in alle talen. Ik hang namelijk af – letterlijk zelfs – van de goodwill van Mireille, cafébazin van De Groene Jager. Dus hou ik mijn waffel maar. Ik stel me tevreden met mijn stretchoefeningen na sluitingstijd, als de dronken zielen zijn verdwenen, en ik verken en proef geweigewijs het bos van glazen met restjes grondsop. Soms rook ik zelfs een peuk verder op – ah de langzaam omhoog kringelende rook van een Ardens vuurtje in de pure natuur! Met wat doorgedreven oefeningen bereik ik binnenkort opnieuw de teevee, hoog in de hoek opgehangen. De tijd pelt de kalender dag na dag af en ik leer de stamgasten beter kennen. Armoede zit hier naast rijkdom, dank naast stank, maar drinken doet eenieder dapper. Ik bespaar u verder een bloemlezende opsomming van het kruim der drenkgasten alhier: hun tics, hun roepnamen, hun oneliners, hun seksleven, hun pisbeurten, hun lijfgeuren. Een en ander zal u toch vanzelf duidelijk worden.
Er komt ook wel eens een hond mee naar binnen, vergezeld van zijn baas. Bah, het woord! ‘Hond’! Het is niet eens een afko voor honderd. ‘Baas’! Ikzelf heb nooit een baas gehad. Vroeger toch niet. Altijd was ik baas in eigen bos. Nou, een hond in huis dus. Mijn bedenking luidt in dat geval onvermijdelijk (maar ik kan niet anders dan die voor mezelf houden): ‘Wie houdt hier wie aan het lijntje?’ Zo’n laag-bij-de-gronds huisdier, ex-kuddedier, strekt zich gewoonlijk als een soort van tochthond uit in de omgeving van de reeds hoger vermelde scheur onder de deur, op het vloerkleed bij voorkeur, verlangend om weer naar huis te mogen, zijn gedachten al zo rood gekleurd als de vitrine bij de slager die van Waregem Koerse droomt. Ik zie zo’n beest dan een dubbel leven leiden tijdens zijn aanwezigheid in café De Groene Jager, zoals iedereen hier. Dat bestaat eruit de minste beweging van zijn baas te observeren én tegelijkertijd mijn hertenkop hongerig gade te slaan. Nou, niet dat er in dat laatste geval nog veel beweging in zit. Maar toch, ik zie zo’n springlevende aartsluie loebas mij met zijn ogen ontkleden en verslinden: mijn huid, mijn haar. Mocht die vleesgeworden blafmachine op een onbewaakt ogenblik alleen zijn in het café, zeker weten dat hij dan met zijn foeilelijke snuit op waggelende o-poten nader tot mij komt, die hoofddrol, uit pure domheid, want wat ben ik meer dan vel over been? Maar dat weet u al. Nee, ik wil geen pint van hem. En ook geen kind. En dat hij me daarna verslindt. (Ja, ik ken het driestappenplan bij de toogmensen). Waar het hert van vol is, loopt de hond van over. Volgt u mij, ja?
À propos, nu we toch de erotische zone naderen: het valt me op dat sommige mensenlijven hevig gebalsemd zijn. Ik bedoel: ze verspreiden hier in De Groene Jager opvallende geuren. Zegge en schrijve: reuken. Het gaat in dat verband heus niet alleen over vrouwen. In de ergste gevallen botsen diverse balsems tegen elkaar op, zodat een soort van stank ontstaat. Om het helemaal fraai te maken, ventileert des zomers de luchtschroef die vreselijke parfums het kaffaat rond, tot in de vier hoeken. En je weet wat ze zeggen: hoge herten vangen veel wind. En dan maar zeveren over de tijd van de pruiken, poeders, syfilis, open riolen en grootvaders vakbondskrantje in het schijthuis om je gat mee af te vegen! Dat de mensheid maar eens naar zichzelf kijkt. Of aan zichzelf ruikt, verhippeltjes. Sorry voor mijn overdrive, maar waar het hert van vol is, loopt de mond van over. Déjà-vu? Déjà-lu? Denkt u nu ? Rudy mag dan al geen aars meer hebben, he is all ears! Als hertenkop ben ik natuurlijk ook een en al oor. Ik ben de gedroomde afluisterapparatuur. Dear Mr. Hunter, I know all about you. Ik weet zelfs meer dan bazin Mireille, want het mens kan niet overal tegelijk zijn aan haar toog. De Groene Jager barst, zoals elk café, van de publieke geheimen. De place to be or not be voor publieke geheimen is natuurlijk het café, het kwakhuis, het kaffaat, de kroeg, de drenkplaats, de herberg, deze biotoop van roddel en samenzwering. Niet dat ik nu wil beweren dat Mireille een publieke vrouw is. Nee, want dan ben ik een publiek hert. Maar zoals bacteriën en bacillen het best gedijen in koortsige warmte, zo koesteren zich roddels en publieke geheimen het liefst in zweterige huidplooien van konkelfoezende toogzweren met gloeipijn op hun tong. Mijn kop eraf, zowaar ik Rudy heet: erger soort en ergerlijker soort dan die der mensen heb ik op dit ondermaanse nimmer meegemaakt. Cafégesprekken zijn ware slachtpartijen, onder soortgenoten, over soortgenoten. Afwezigen hebben geen ongelijk. Nee. Wat niet weet, wat niet deert. De aardbol is wel degelijk een blauwe plek in het heelal.
En nu ga ik even op hertenkamp.
(Rudy neemt een slok uit zijn borrelfles).
Bon, weer tegenwoordig: Rudy. Ik mag dan al zelf niet langer over een compleet megalijf beschikken (onder het motto: ‘It’s all in the mind’), ik constateer dagelijks de afgang van de voltijdse menselijke gestelde lichamen. ‘Het begint bij de poten’, beweren zij. Ik zie dat anders. Hier wordt in volgorde van anciënniteit geleden aan en geleuterd over primo tanden, secundo de rug, tertio ogen en brillen (ze zien nu beter waar ze vallen) en sporadisch ook wel steunzolen. Dat zijn dus de exemplaren die tijdens hun actieve leven, zoals een Chinees spreekwoord het voorschrijft, een kind kopen, een boek schrijven en een boom planten. Laat ik die drievuldigheid maar onmiddellijk in ’s mensennaam vertolken: zij wassen, zij krassen en zij plassen. Zij fotokopiëren zichzelf op gemiddeld 2,3 exemplaren, zij schieten voortdurend woorden te kort, zij wringen hun lulletje – dat werkinstrument van hun stamboom – tegen boomstammen uit. Wij, herten, de kopstukken aan zovele muren en wanden, worden door dat herrenvolk als kapstokken behandeld. Eigenlijk zijn het, in vergelijking met ons, kopstukken: lijfeigenen. Van mij kun je dat alleszins niet beweren. Vlees, vet, merg, bloed, zweet, kak, pis: dat is wat de mens is. Een Steak Pretentie. De ergste zijn die met een groen hoedje op hun kop en een pluimpje erbovenop. De gevederde vrienden, jodelahitee!
Af en toe komt hier zo’n exemplaar in De Groene Jager binnen. Hij is zo vreselijk anoniem, plusminus en onbekend, dat hij de vzw Trilschade heeft opgericht om toch maar even in het Staatsblad en de kranten te kunnen staan. Zijn vzw Trilschade telt een viertal misnoegde minkukels die in de omgeving van een spoorweg of een verkeersbult wonen. Zij ijveren voor vergoedingen voor trilschade aan hun huizen toegebracht door voorbijrijdende treinen en auto’s. Deze voorzitter van deze tril-vzw draagt dus constant zo’n zweterig pluimhoedje op zijn schedel. Tiens: De Groene Jager ligt hier ook vlak bij een afgedankt station waar per uur zo’n twaalf treinen heen en weer voorbij denderen. Maar trillen doet de voorzitter daardoor nooit. Nee: hij trilt alleen van opwinding als hij het heeft over de trilschade bij hem thuis. Als zijn trilkompanen – met toestemming van hun trillende echtgenotes – hier samenkomen, dan maak ik een thriller mee waarin ze zelfs niet eens de hoofdpersonages spelen. Als er na verloop van pinten namelijk al iets gaat trillen in hun ogen, dan zijn het wel …
Nou, heb ik u al verteld dat bazin Mireille over twee prachtige vooruitzichten beschikt? Ze durft er wel eens mee in te pakken, als u begrijpt wat ik bedoel. Niks fraaiers dan zo’n stel waarmee net niet uitgepakt wordt. De ogen van die trilbeschadigde vzw’ers krijgen dan steeltjes, en auto’s en treinen worden dan pikdorsers. Als u alweer begrijpt wat ik bedoel. Gelukkig voor Mireille dragen die geilaards geen gewei op hun kop, of ze rijten haar aan flarden. Het zijn hoogstens hoorndragers. Geen familie. Op vrijdagen vluchten ze het café in, om uit te stellen waar ze niet goed in zijn: de verplichte wekelijkse streling van de linkerborst van hun vrouw. Na enkele pinten zien ze dat dan wel weer even zitten; na nog meer pinten weten ze niet meer welke borst in aanmerking komt. En van wie. Nou, allicht schuilen er ook homo’s tussen, zoals bij ons, herten. Filatelie, anglofilie, necrofilie, homofilie: breed is het gedachtegoed van deze homo sapiens. Verhippeltjes, nu ik het over de homo sapiens heb: de allereerste winnaar van de Olympische Spelen was een kok. De cirkel is weer rond. Ik heb iets met koks. Nee: ik heb niéts met koks. Bijna niets meer. Alleen mijn kop, god betere het. Met mijn edel lijf gaan de koks lopen. En ik woon in De Groene Jager, of all places. Mireille kijkt me wel eens aan. Ik zie dan rode bessen in haar ogen. Ik weet het: ik geef haar een kerstgevoel. Naast hondstrouw, kiplekker en poeslief, heb je ook hertroerend. Ik hoor thuis zowel in een bos als op een bord. It’s all in the mind, but beware of the body. Ik sta voor zachtheid, weet u wel. Wie kan met een geweer in de hand mijn ogen langer dan vijf seconden weerstaan? Deerhunters zijn vaak ook doetjes.
Nou, ik apprecieer het ten zeerste dat u even herthorig bent geweest. U was een fijn publiek. Zie: de lucht heeft soms de blauwachtige kleur van wintermelk; soms hangt hij als een muisgrijze zakdoek vol met goddelijk snot klaar om los te barsten. Veel meer variatie steekt er niet in, van hieruit gezien. Het kan eender welk seizoen zijn. Ik weet het niet meer. Ik heb het niet bij kunnen houden. Meer weerpraatjes heb ik niet. Ah, iedereen is weg. Eindelijk weer alleen. Er is werk aan de winkel. Ondertussen hang ik, geheel de uwe, nou, ten minste toch de kop, het geweide hert: Rudy.
07-07-11
Black Musk
BLACK MUSK
Er moest toch iemand de boekhouding van deze dwaze wereld bijhouden? Dat kon niemand anders zijn dan Edwin Boens. Immers: van jongs af werd zijn schedel door zuinige haargroei getooid. Bijna engelachtig. Tevens torste hij een haakneus, aan weerskanten waarvan een kraaloogje als een blinkend muntje de wereld in de gaten hield. Zo iemand moest wel accountant worden.
Ik had Edwin Boens lange jaren geleden, decennia geleden zelfs, gekend. We speelden ooit in dezelfde volleybalploeg. We studeerden aan dezelfde universiteit, zij het aan totaal andere faculteiten. We verlieten allebei ons geboortestadje, om definitief ergens anders te gaan wonen. Of bleef hij honkvast haperen? Eigenlijk wist ik dat niet. Ik was plotseling zijn spoor bijster.
Soms groeit de behoefte iemand van lang geleden weer te zien of er ten minste wat informatie over te verzamelen. Vaak echter heeft dat geen zin. Zelfs op collectieve gedenkdagen van een generatie veertig-, vijftig- of zestigjarigen voel je het ongemak. Te veel verschillende levens zijn ondertussen harde feiten geworden, waardoor herinneringen weggedrukt zijn. Het is zelfs zinloos om, gewapend met een goed geheugen, dingen uit het verre verleden op te vissen, want de meerderheid van de betrokkenen staart je aan alsof je staat te liegen dat je zwart ziet. Ze zijn een en ander compleet vergeten.
Toen ik op een dag op het grote etalageraam van een fraai kantoorgebouw aan de kust Accountancy Decock, Maes & Boens zag staan, met daaronder Edwin Boens nog eens apart vermeld, toen wist ik dat ik beet had. Ik had me namelijk al die jaren diverse keren afgevraagd: waar is Edwin Boens? Wat doet hij? Is hij rijk geworden? Heeft dat engelenhaar op zijn hoofd de kans gekregen grijs te worden of is het door beurscrashes (nou: 'krachs') pijlsnel uitgevallen? Zijn die kraaloogjes van hem gunstig geconverteerd in de Europese munteenheid? Houdt hij ook nog andere boeken bij dan die met getallen en kolommen? Ik schreef haastig straat en huisnummer op en reed door, op zoek naar een boetiek waar ze black musk verkochten: nog iets uit mijn jeugdjaren waar ik naar verlangde. Die oude gevaarlijke geur, weet je wel. Ik wou dat straffe goedje weer eens met mijn vingertoppen achter mijn oorlelletjes aanbrengen, zodat ik het roerige verleden weer op kon snuiven. Ik rook namelijk graag lekker. De kust telde wel een paar van die exotische boetiekjes waar je dergelijke dingen kon vinden.
Thuis googelde ik Edwin Boens. Een en ander werd bevestigd door amper één zuinig item. Hij was het.
Ik besloot een truc te gebruiken om niet alleen Edwin Boens, maar ook een deel van de vroegere reutemeteut uit mijn geboortestadje weer te kunnen zien, zonder zelf verdacht te zijn. Via de werkgroepen die de generaties na veertig,vijftig en zestig jaar leven op deze aardbol ter herdenking op reünies weer samengebracht hadden, verwierf ik diverse adressen. Dat van de hr. Boens zat er niet tussen. Hij was ook nooit op zo’n reüniefeest verschenen. Daarom ook had ik die namiddag aan de kust dat accountancyadres vlug neergekrabbeld.
De volgende stap betrof een oude gekke droom van mij. Ik had die al een paar keer in mijn hoofd geconcipieerd. Nu maakte ik er werk van. Ik zond pakweg vijftig ouwe bekenden ieder een aparte brief. De inhoud en reden van mijn schrijven varieerde naargelang van hun beroep, interesse, leven … en was ondertekend door telkens aan ander pseudoniem. Er ging een uitnodiging mee gepaard, om te verzamelen op een welbepaalde plek op een welbepaald tijdstip. Het betrof telkens een individuele uitnodiging met een welbepaalde reden, plek en tijd. Maar ieder individu kreeg dezelfde plaats en tijdstip van afspraak … zodat ik een samenscholing for old times’ sake kon veroorzaken. Ikzelf zou daar ook zijn, opgaand in de groep, tevens ‘uitgenodigd’. Ook Edwin Boens zou opgaan in de massa. Ik zou hem onverdacht kunnen observeren. Niemand zou in de gaten hebben dat het allemaal voorwendsels betrof. Ik zou mezelf niet verraden. En ik zou me ook na een halfuur mee met de verontruste groep afvragen: ‘Maar wat doen wij hier eigenlijk? Wie is X, Y of Z? Wat gebeurt er hier nog? Is dit misschien voor een programma? Worden we gefilmd? Een immense grap? Toon eens uw brief? De mijne vertelt iets anders. Het is toch hier hé dat we moesten zijn? Of zijn we gemist van dag?’
En ik zou toch enkele kornuiten uit een ver verleden teruggezien hebben, waaronder de heer accountant Edwin Boens. Dat laatste vormde de hoofdreden voor mijn eigenaardige campagne: ik wou per se zien hoe de tand des tijds Edwin Boens, voorheen schooljongen en student, thans accountant, toegetakeld had.
Twee dagen lang typte, vouwde en likte ik. De voorpret kon niet op.
Hem lokte ik met geldgedoe.
En hij daagde op.
Zesenveertig van de vijftig door mij opgeroepenen, incluis Edwin Boens, verschenen die dag omstreeks of klokslag 19 u op het Lindenplein in de middelgrote stad K., ieder gelokt met een aparte brief. Een waar succes. Ikzelf arriveerde ook netjes op tijd.
Waar ik echter niet op gerekend had: enkelen hielden onmiddellijk al mijn brief in de hand. Verbazing en onbegrip haalden immers al vlug de bovenhand. De samenscholing vond zichzelf blijkbaar verdacht van in den beginne. Als een epidemie verspreidde het zich: meer en meer genodigden haalden de brief boven. Om niet op te vallen deed ik dat dus ook maar, want ook naar mezelf had ik een uitnodiging gezonden. Ik merkte nu hoe sommigen aan hun brief roken. En hoe enkelen hun brieven uitwisselden om er op hun beurt ook aan te ruiken. Ook de chique meneer Edwin Boens stak zijn haakneus in zijn envelop.
Hoewel elke brief neutraal geprint was en zoals gezegd undercover voorzien van pseudogegevens, werd ik na vijftien minuten al door de meute als de dader aangewezen en ontmaskerd. Mijn plezier was van korte duur. Ik werd ter plekke besnoven door mevrouw Liliane Deurynck van parfumerie XxX, tevens door mij onder vals voorwendsel uitgenodigd. Toen die bevestigend knikte, begonnen nog anderen aan hun brief en aan mij te ruiken. Ik werd ondervraagd, afgezonderd, beschimpt, door woedende middenstanders gestompt en geslagen en beduusd op mijn zitvlees op de designkasseitjes van het Lindenplein achtergelaten, op een bed van geurige witte rozen: de tot proppen gebalde brieven van de ontgoochelden. Ik meende in een flits nog Edwin Boens de heksenkring te zien naderen, maar zeker was ik daar niet van. Dat betekende het einde van mijn gigantische practical joke, die ik alleen maar opgezet had om de heer Edwin Boens, voorheen klasgenoot en student, thans accountant, uit zijn tent te lokken.
De black musk had me verraden.
22-05-11
Maar ...
MAAR …
Killmouski wandelde onopvallend over het zonovergoten Dennisplein.
‘Wat!? Wat is dat!? Hoe kan dat nu: onopvallend wandelen?? Doe dat eens voor, ja? Vooruit! En zonovergoten graag, dat we het allemaal onopvallend heel goed zien!’ tierde de docent Creatief Schrijven.
‘En nog iets … ‘ brieste hij door. ‘Wie … wie … o boeiende wie mag er dan wel op dat zonnige Dennisplein wonen hé?! Hé, schrijvelaar? Meneer Tennis misschien? In bed met mevrouw Ace? Is het van dat, ja? Laat me niet stikken van het lachen hé! Noem jij dat schrijven??’
‘Maar … ‘
‘En Killmouski? Killmouski!? Is dat een undercovernaam misschien? Ik noem dat een woordspeling met snorharen. Hoe bestaat het!’
‘Maar … ‘
‘Vooruit: opnieuw. Iets anders. Schone lei. Proper doekje. Verse luier. Nieuwe braakbal. Of zijn dat te moeilijke metaforen voor je?’
Vera verft haar teennagels rood. Negen maanden later wordt haar zoontje Brad geboren.
‘Maar waarom in hemelsnaam toch altijd weer van die filmsternamen, verdomme! Het was eeuwenlang Jan en Jantje geblazen, en heden ten dage is ’t van Bent en Brent en Jack en Puck en Suck en Brad en … godgenageld Bad Pritt allemaal!’ oreerde de docent Creatief Schrijven.
‘Maar … ‘
‘Te veel tv gekeken, ja? En waarom die ellendige tegenwoordige tijd gebruiken? Is er iets mis met de onvoltooid verleden tijd misschien? Een slechte jeugd gehad, ja? Ooit een schoothondje uit je kopje melk zien likken en nooit meer klaargekomen met de middeleeuwen uit je leven? Is het van dat?’
‘Maar … ‘
‘En rood … rood! Wie verft nu nog haar nagels rood! Bang voor blauw, pennenridder?’
Toen hij de slaapkamer binnenkwam, rezen zijn haren te berge.
‘Zijn haren!? Zijn haren godgenageld!? Moet er in een slaapkamer godverongelukt niet iets anders te berge rijzen? Wat voor Ikea-gedoe is dat nu weer?’ raasde de docent Creatief Schrijven.
‘Maar … ‘
‘Is dat die Killmouski met zijn snorharen weer misschien? Of ligt er een wijf in bed met baard en snor en zes tenen aan elke poot? Zeven pillen prozac heb ik nodig om dat proza onbeschadigd te doorstaan!’
‘Maar … ‘
‘Te veel Bouquetreeksboekjes verslonden? Is het dat? Gecontamineerd met pulp, ja? Is dat de trend? Een nieuwe Hemingway ben je niet hé vriend. Hoeveel woorden moet ik er nog aan vuilmaken? Zou je je niet beter concentreren op een ander aspect van de papierindustrie? Behangrollen verkopen bijvoorbeeld?’
Ter plekke afgestapt, merkten we dat de wagen met de nummerplaat CEH921 wel degelijk een purperen streep vertoonde.
‘Nu nog beter!’ brulde de docent Creatief Schrijven. ‘Afstappen!? Ter plekke dan nog wel?? Waar zou jij anders wel afstappen, hé?’
‘Maar … ‘
‘En dan die verrekte nummerplaat!’ fulmineerde hij door. ’Een cliché als een kathedraal met duivenstront op! De auto met nummerplaat peut-peut-peut-peut-peut-peut wordt ervan verwittigd dat zijn schroothoop verkeerd geparkeerd is en ter plekke in de weg staat! Getverdegetverdegetver!’
‘Maar … ‘
‘En dat purper dan, godgenageld! Moet je bij de paus op audiëntie misschien? Trek dan alvast maar een bruin remspoor in je onderbroek. En naar het autokerkhof met dat lelijk wrak! Wegslepen die handel! Gezakt voor de keuring. Opnieuw!’
‘Maar ik wil niet opnieuw!’
‘Eh?’
‘Ik wil niet opnieuw. Ik zit … ‘
‘Zeg: je betaalt toch om bij te leren hé!’
‘Maar nee! Mijn … ‘
‘Wil je schrijven of wil je niet schrijven?’
‘Maar ja!’
‘Ewel dan?’
‘Politioneel schrijven.’
‘Eh? Come again?’
‘Mijn directie schreef me in voor een cursus Politioneel Notities Nemen.’
‘Maar … ‘
‘Jaja … Vandaar die nummerplaat hé. En die slaapkamer. De rest was training. Flikkenproza hé.’
‘Sodeju … sodeju … ‘
‘In welk lokaal gaat dat door? Als ik vragen mag?’
‘Godverdegodverdegodver … ‘
‘Niet vloeken, of ik schrijf een proces-verbaal. Dat heb ik intussen wel al onder de knie. En in de vingers. En het is geen fictie! Ik ben in functie!’
‘Maar … ‘ stamelde de docent Creatief Schrijven verbouwereerd.
11-04-11
Bloed & wonden
BLOED & WONDEN
Met de regelmaat van een boeddha dronk ’t Hoofd, pril dertiger, zijn koppen koffie in de steden van occidentaal Vlaanderen. Hij dook op in Oostende, te Kortrijk, in Ieper, te Brugge. Om er maar enkele te noemen en vele te verzwijgen. ’t Hoofd torste een opvallend groot hoofd op zijn lichaam mee. Vandaar de benaming (meestal achter zijn rug gebruikt) waaronder hij gebukt ging. Niet: Kop. Nee: ’t Hoofd. In dat hoofd pleurde hij elk etmaal diverse koppen koffie. Intimi en vrienden spraken hem met ‘Luc’ aan. ’t Hoofd werd zeer weinig met ‘Luc’ aangesproken. Nog veel minder met ‘’t Hoofd’: niet omwille van dat hinderlijke afgekapte bepaald lidwoord ervoor, wat de aanspreekbaarheid verminderde, maar omdat de meeste mensen niet met hem, maar over hem spraken. Gewoonlijk was dat omwille van dat hoofd van hem, want zeer weinig mensen kenden hem persoonlijk.
Eén keer had een nobele onbekende tearoomtijger het gewaagd zich met ‘Hei, ’t Hoofd’ tot hem te wenden. Men poogt nu eenmaal banden te scheppen in de horeca, nietwaar. De kerel wist van niet beter. Een en ander had hij opgevangen uit het gekonkelfoes in een belendend groepje aan de toog. Hij was in de waan dat het om een soort rare achternaam ging, een beetje vriendschappelijk en vertrouwelijk vervormd tot een soortement alias. Deze man kreeg van de onbenoemde Luc op staande voet een kopstoot die de hele tearoom op zijn grondvesten deed daveren. De onverlaat werd met blauw zwieplicht afgevoerd.
’t Hoofd dronk zijn eenzame koppen koffie gezeten op barstoeltjes, bij gebrek daaraan aan tafeltjes, en bij gebrek daaraan op vensterbanken. Bracht hij meer dan twee koppen koffie in een bepaald etablissement door, dan stapelden zich in zijn omgeving de koekjes, chocolaatjes, suikers en melkcapsuletjes op. Geen van deze begeleidende ingrediënten nam hij tot zich. Inktzwart diende zijn droesem te zijn.
Er ging een zekere dreiging van ’t Hoofd uit. Er was niet alleen dat monumentale hoofd, er was ook dat stilzwijgen. Dit zwijgen nam onmiddellijk de proporties van dat hoofd aan, want de enige woorden die deze dooievisjesvreter noodgedwongen uitte, waren:
- koffie
- mm
Opmerkingen betreffende het weer of vragen in verband met de aard van de koffie bleven onbeantwoord. Ook bij het ruilen der euroflapjes of euromunten heerste beklemmende stilte. ’t Hoofd liet de voorwerpen voor zich spreken.
In de horecabedrijven van diverse steden in Vlaanderen gunde men ’t Hoofd – dankzij gewenning – dan ook telkenmale ootmoedig een zitplaats, en bij grote drukte suggereerde men een zitje op een vensterbank of de vooronderste trede van een trap. Na luttele minuten al had de hele reutemeteut op bijvoorbeeld een jolige vrijdagavond of een feestelijke zaterdagavond zichzelf een zwik gegeven zodat de donkere vreemdeling (was hij ziek? leed hij aan iets onsterfelijks?) zichzelf en zijn hoofd neerpoten kon. Dan werd hij een eiland, een mekka van mokka, een heilige plek waarrond men vol ontzag en vraagtekens een omtrekkende beweging beschreef teneinde te gaan pissen. Geginnegap was natuurlijk evenmin van de lucht. Toch liet men hem met rust, want de fameuze tearoomkopstoot was hem en zijn reputatie overal al voorafgegaan. ’t Hoofd begon her en der bekend te geraken, door zijn frequentie van opdoemen, zijn alomtegenwoordigheid in de provincie, zijn sloten koffie die hij met onveranderlijke meetkundige gebaren in zijn grote hoofd gulpte. Zelfs op openluchtfestivals in de zomer sloeg hij toe, schadeloos aanwezig. Waar duizenden jongelui met bijna niets aan volledig uit de bol gingen, daar stond ’t Hoofd gewapend met een festivalkoffie naar de verre poppetjes op het podium te staren. Zo was hij ook al tweemaal in Werchter gesignaleerd, telkens ter gelegenheid van een optreden, nou: aftreden, van de bejaarde ‘Rolling Stones’ (de ‘Rollende Stenen’). En waar men verder ging langs Vlaamse wegen, daar kwam men ’t Hoofd immer weer tegen: straattheaters, foyers van schouwburgen, ouwetante-tearooms, jeugdhonken, clubs, lounges, bars. Iemand beweerde dat hij ’t Hoofd eens een bordeel binnen zag gaan voor een koffie verkeerd. Een andere bron stelde met klem dat ’t Hoofd zich uitsluitend met taxi’s verplaatste. Nog iemand anders meende de contouren van ’t Hoofd herkend te hebben in de boeteprocessie van Veurne, maar toen hij er echter aan toevoegde: ‘Hij liep zelfs op kop’, geloofde niemand hem nog.
’t Hoofd? Een raadsel. Koffiedik kijken.
In het holst van een Vlaamse zomer werd ’t Hoofd betrapt bij het verorberen van een pot mosselen in witte wijn, op het terras van het etablissement De Oude Melkerij, in een middelgroot dorp vlak over de provinciegrens. Mosselen! He washed them down with Chardonnay. Van koffie voor of na was geen spoor te bekennen. Een zotte jeugdige fietsbende op weg naar de Gentse Feesten streek er neer en trof hem daar aan, zodat zijn onbewaakte ogenblikken in rook opgingen. Het was niet onopgemerkt gebleven. Diverse zatteriken onder de cyclisten herkenden hem formeel aan het formaat van zijn hoofd. Enkelen hadden hem vroeger al in hun jeugdhonk gezien.
Had ’t Hoofd zich daar opzettelijk verschanst om ongestoord wat vast voedsel tot zich te nemen? Had hij daartoe even de westelijkste provincie verlaten? Betrof het hier ook een tussenhalte op weg naar de Gentse Feesten en wou ’t Hoofd eerst de innerlijke mens versterken? Scheelde er iets aan de koffie in andere provincies?
Men kon maar gissen.
’t Hoofd gunde de uitgelaten tweewielersbende geen blik. Onverstoorbaar plukte hij met een lege mosselschelp een andere mossel uit de pot en sopte hij friet na friet kopje-onder in een vlootje mosselsaus. Ook het peil in de Chardonnay-fles daalde gestaag. Intussen dronk de bezwete bende in een overmoedig tempo pinten, met gespreide koersbenen achterover leunend in plastic kuipstoelen waarvan in de kontholte de regendroesem van de vorige nacht nog zichtbaar was. Er werd onbevangen geboerd en op gezette tijdstippen waaiden ook vlammende scheten de gastronomische constellatie van ’t Hoofd tegemoet.
Zie: dat laatste hadden ze niet mogen doen. ’t Hoofd was gewend aan veel alcohol en lawaai; in dergelijke biotopen vertoonde hij geen tekenen van irritatie. Maar mosselen begeleid door strontlucht en inwendige opgebruikte luchtbellen … nee. Na zijn voorlaatste mossel en een grote hink-stap-slok, waarbij hij het grondsop van de Chardonnay helemaal soldaat maakte, straalde hij een woedende blik in de richting van de Gentse Feesters. Onmiddellijk werd die blik meervoudig teruggekaatst. Men rook zwakheid. Hyena’s hadden een gewonde hinde afgezonderd.
’t Hoofd van zijn kant voelde zich plotseling beresterk. Hij had immers de hele fles chardonnay als brandstof gebunkerd, en ook het vaste voedsel, dat lekkers uit de zee, was één geworden met zijn vege lijf. Hij bleef dus blikken, het assortiment scheten en boeren leek uitgeput, maar nu stegen openlijk kwalijke spreekballonnen uit monden op. Die bereikten duidelijk de oren van ’t Hoofd, ten westen en ten oosten van zijn hoofd ingeplant. Hierbij overheersten de o-klanken onmiskenbaar.
’t Hoofd kweekte razendsnel een groot debiet aan adrenaline, gemixt met cafeïne. In een opwelling stond hij bruusk op en beende hij vastbesloten in de richting van de pestgroep. Dat was letterlijk buiten de waard gerekend, die van in de deuropening toevallig getuige was van de plotse beweging en die interpreteerde als een vlucht voor de rekening. De wielertoeristen zaten namelijk vlak bij de uitgang van het terras. ’t Hoofd werd halfweg zijn korte parcours bij de lurven gevat door de patron van De Oude Melkerij.
‘Hela man: waar dacht gij naartoe te gaan, hé? Zijt gij niks vergeten?’
Verbouwereerd draaide ’t Hoofd zijn hoofd om, terwijl de fietsbende grijnslachend op zijn totale vernedering toekeek. De patron legde nu een hand op de schouder van ’t Hoofd en hield hem zowaar met een zachte klauwgreep bij zijn hemd vast, als een betrapte stouterik.
‘Maar … ‘ hakkelde ’t Hoofd met een vreemd, hoog stemmetje. ‘Maar … ‘. Hij knikte naar zijn tafeltje, naar de grinnikende bende, weer naar zijn tafeltje, maar de betekenis daarvan ontsnapte de patron volledig. Als een bestraffende schoolmeester schudde hij langzaam van nee, met gesperde ogen als schoteltjes, terwijl hij daarbij uitdrukkelijk het strijkje van de armoezaaier uitbeeldde: hij wreef duim en wijsvinger tergend over elkaar. Daarbij hield hij ’t Hoofd ononderbroken bij zijn schouder vast, of althans: bij diens zomerblauwe hemd.
De fietsende feestneuzen grinnikten en ginnegapten nu onbeschaamd hardop, gebruik makend van bolle klakkeloze Westhoekse klanken en woorden zo vet als de modder van Bachten de Kupe. ’t Hoofd voelde zich zowel in de rug geschoten als frontaal gefusilleerd. De doodsteken volgden elkaar nu snel op.
‘Hei: zijt ge d’er nie bij met uw hoofd?’
‘Moules à la tête à tête !’
Collectief gebrul steeg op. Iemand viel met zijn kuipje achterover, een waaier bier zeilde door de lucht.
‘Ja maar … !’ deed de mosselbaas, zijn greep verslapte, en toen explodeerde een jarenlange opgekropte voorraad cafeïne in ’t Hoofd. Hij stortte zich met een hoge oorlogsgil in de groep, die verlamd was door de drank. De patron, eerst verbijsterd door dat hoge stemmetje dat uit dat immense hoofd ontsnapte, daarna ontzet door de ravage die zich binnen de halve minuut in de groep voltrok, holde ijlings weer naar binnen. Andere klanten waren er niet om bij te springen. In luttele ogenblikken verbouwde ’t Hoofd de slordigheid van het groepsgebeuren tot een verwrongen postmodern tafereel waaruit weldra alleen nog gekreun van stemmen en geschraap van plastic opsteeg. Nog natrillend en bibberend van woede beende hij daarna met grote stappen naar de kleine parking naast De Oude Melkerij …
… waar op dat ogenblik een soepel verend firmawagentje van JANNI’S KOFFIE opgezwenkt kwam en zonder aarzelen de dichtst bijgelegen parkeerplaats invulde. ’t Hoofd stokte in zijn bewegingen, perplex. De Chardonnay klotste aan beide kanten van zijn hoofd nog wat na. Het minivrachtautootje spuwde een kwieke captain of industry uit die onmiddellijk een sigaret opstak.
‘Hoi there! Goed weer hé? Z’ebbe gluk in Giènt!’
‘Mm,’ deed ’t Hoofd.
JANNI’S KOFFIE: wrong time, wrong place.
In een opwelling fabriceerde ‘t Hoofd toen de langste volzin sedert hij op zijn stadhuis ter gelegenheid van zijn nieuwe elektronische identiteitskaart voluit zijn namen en adres had moeten formuleren:
‘Er is daarnet op het terras een dronkemansruzie geweest, ze liggen daar allemaal groggy dooreen en de baas is naar binnen gevlucht, ik ben hier alleszins weer weg!’
‘Hé?’ deed de reiziger in koffie, hij sleurde aan zijn sigaret tot de rook zowat zijn tenen bereikt moest hebben, maar ’t Hoofd had intussen al zijn lichaam in zijn eigen autootje gematerialiseerd en vlamde even later van de plaats des onheils weg. Gereutel steeg zwakjes van tussen de plastic terraskuipjes uit.
‘Het was een kerel met een opvallend groot hoofd.’
‘Leeftijd?’
‘Bah … voor in de dertig, schat ik.’
‘Tongval? Dialect?’
‘Eh … hij zei niks.’
‘Hij heeft hier toch mosselen besteld?’
‘Aangewezen, zo: met zijn vinger.’
‘Jaja.’
‘De wijn ook.’
‘Hij wees welke wijn hij wou?’
‘Ja, op de menukaart.’
‘Was hij dan doofstom misschien?’
‘Nee, toen hij eh … vlak voor hij amok begon te maken, heb ik zijn stem gehoord. Eh … eerder een vrouwenstem.’
‘Een vrouwenstem? De stem van een vrouw?’
‘Of een kinderstem.’
‘Tja, we zitten hier dus duidelijk met een probleem hé: een groot hoofd dat niks zegt met een kinderstem. Auto?’
‘Niet op gelet.’
‘En hij heeft dus niet betaald?’
‘Nee, hij was foetsie na … na die veldslag.’
‘En die groep fietsers … hebben niks meer gezien? Iets opvallends of zo? Kwestie van een signalement hé. Een groot hoofd, dat is zo weinig … ‘
‘Ze zaten met de bibber en ze hadden het allemaal over dat hoofd. Jonge gasten allemaal. Ik heb de dokter van ’t dorp gebeld voor verzorging. Blutsen en builen en zo. Ze hebben samen gelegd om die dokter te betalen. Ze zijn daarna nog doorgereden naar Gent.’
‘Per fiets dus?’
‘Ja. Die waren nog heel.’
‘Ze hadden beter gewacht tot wij hier waren.’
‘Tja … ik denk dat ze toch liever vertrokken. Ze waren nogal eh … ‘
‘Jaja. We zijn mee. Er is dus geen klacht ingediend?’
‘Van zij niet, nee, nee. En die voyageur is ook al weg, jammer. Die kwam net van de parking toen … ‘
‘ … en heeft die geen auto gezien of zo? Er waren toch geen andere klanten?’
‘Ja, maar hij twijfelt tussen zwart of wit, de kleur van zijn auto bedoel ik, die kerel met dat hoofd had hem eerst een heleboel dingen toegeroepen en verdween dan razendsnel … ‘
‘ … ook met zo’n stemmetje?’
‘Eh … ja.’
‘Het kan een dwaalspoor zijn.’
‘Wat?’
‘Ewel: dat stemmetje.’
‘Ja … ‘
‘En je weet dus ook niet welke richting hij … ‘
‘Je kunt hier maar twee richtingen nemen: naar ’t dorp of naar Gent.’
‘Ja, zwart of wit dus weer, allez, goed, eh … geef nog eens het adres van die dokter.’
De arm der wet noteerde deze enige zekerheid, naast het gegeven van een groot hoofd plus een hoog kinderstemmetje.
‘Hoog stemmetje is met twee m’en,’ wees de patron nog even aan.
‘Jaja, rap schrijven hé … Men maakt al eens een fout.’
‘Ik wil mij niet moeien hoor.’
‘Je moet dat maar over het hoofd zien.’
‘Eh?’
Na de kopstoot in de tearoom betekende de veldslag op de terreinen van De Oude Melkerij het tweede wapenfeit van ’t Hoofd. Hij had nu twee strepen op zijn kerfstok. Telkenmale vormde uitlokking de oorzaak van de explosie.
’t Hoofd besloot wijselijk een poos onder te duiken. Hij zou voortvluchtig zijn in zijn eigen huis. Die fietskerels waren immers uit zijn eigen westelijke provincie opgedoken. Hij koos voor een low profile en bleef veilig thuis. Daar rochelden dag en nacht de koffiezetapparaten. Hij had er een in de keuken, een senseo in de woonkamer en een cappuccinotoestel boven in zijn werkkamer. In die laatste ruimte bevonden zich een tafel met een leunstoel, een fauteuil en een honderdtal boeken. Tevens kaarsen: ’t Hoofd placht graag te lezen bij kaarslicht en nacht en ontij. Zijn verzameling boeken omarmde een minicollectie van zeventien diverse uitgaven van Max Havelaar, of De koffieveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, door Multatuli, ofte Eduard Douwes Dekker.
Ik wil gelezen worden.
Ik wil gedronken worden.
In dit mekka van de mokka en beroemde koffieboeken dook ’t Hoofd onder. Asiel in eigen huis. De communicatieapparatuur van de 21e eeuw was er beperkt tot een minimum: een vast telefoontoestel dat zelden zoemde, een mobieltje dat hij nooit gebruikte, een pc waarop hoofdzakelijk een hallucinant wervelende screensaver te zien was, een kleinbeeldtelevisie waar zich op het schermpje al zoveel stof had verzameld als er in de urne van zijn verwekkers aan te treffen was. De radio zweeg permanent.
’t Hoofd zat heel vaak in zijn bovenkamer.
Het raam van die bovenkamer bood zicht op een kleine tuin. Belendend waren er ook bescheiden stadstuinen, gescheiden door manshoge muurtjes. In de rechtertuin was zich een te grote beuk aan het ontwikkelen. Een tak ervan reikte al ver over de scheidingsmuur heen. Bij winderig weer tikte die tak in een tergende, onvaste percussie telkens weer tegen het raam van ’t Hoofds bovenkamer.
Diverse keren al was ’t Hoofd onder het lezen woedend uit zijn fauteuil opgesprongen, aanstalten makend om …
… maar ofwel was het in het holst van de nacht …
… ofwel waren de bewoners niet thuis …
… ofwel stokte hij weer in zijn driftbui omdat hij besefte dat
a. hij nooit zou durven aanbellen
10-03-11
George, seriemoordenaar
GEORGE, SERIEMOORDENAAR
George (neem die vreemde Engelse linkse bocht in de mond bij het uitspreken van de klinker in de naam) was een ongewone seriemoordenaar.
Zijn serie betrof namelijk alle series van al zijn collega’s. Dat zat zo: George nam van elke serie zelf één moord voor zijn rekening. In hoogsteigen persoon. Als kameleon en copycat had hij daar het talent voor. Alle seriemoordenaars kregen dus eigenlijk een moord te veel op hun kerfstok gegrift, zo ze al gevat werden en alles bekend hadden. En zodoende bleef George buiten schot, want het kon een seriemoordenaar helemaal niet schelen hoeveel hij er vermoord had. En als het hem wel kon schelen, dan was hij zelfs fier op het grote aantal. Daardoor kon George lang op de arbeidsmarkt actief blijven. Hij bezat als het ware een geheim monopolie. Wat dat betrof: geen recessie voor de kerel. Toch deed één bepaalde moord hem de das om.
Die vlinder was er te veel aan.
Hij kwam ook niet reeksgewijs het leven van George binnenfladderen, zoals die dat gewend was van de mensen. Hij hoefde bij het mensdom maar te plukken uit een serie. Die vlinder echter was een zeldzaam eenmalig unicum. Totaal onverwacht danste hij het bestaan van de menselijke seriemoordenaar binnen. De Vanessa Atalanta Recessionista was de enige bekende volledig zwarte vlinder. Zijn vleugels vertoonden niet het minste teken van kleur of design. Zijn poeder scheen zeer gegeerd te zijn door miniatuurschilders, anesthesisten, modeontwerpers en farmaceutische specialisten. Vooral tijdens periodes van schemering en deemstering, de crisistijden van elke dag, kwam de inktzwarte vlinder tevoorschijn. Toch kon hij ook totaal onverwacht overdag opduiken, gewoonlijk als voorbode op een onweer. Het was een geheimzinnig beestje, waarover nog vele onopgeloste vragen bestonden, net zoals over motten, nacht- en monarchvlinders. Sommige onderzoekers opperden dat de zwarte vlinder een dwaalgast was. Maar waar kwam hij dan vandaan? De maan?
George had de wondere wereld der mooie tuinen ontdekt. Zuid-Engeland, Picardië, Normandië, Vlaanderen: hij bereisde het allemaal. Mooie tuinen trokken mooie vrouwen aan, en vlinders. En George, ex-fotograaf, ex-taxichauffeur, pril in ruste. Nou, rust. Het was onrust die George naar die parels van flora dreef. In deze biotopen werd het kabbelen van zijn bloed een kolken. Het kon zich voordoen dat wie daar (letterlijk) zijn pad kruiste, in de nabije toekomst een onaangenaam lot beschoren was. De tuinbezoeken van George betroffen studierondes annex rustige achtervolgingsscènes. Wee de goedbewaarde of mooigeweeste vrouw die een dezer lusthoven betrad: zij waagde haar leven in een dodelijk lottospel.
Op een dinsdagnamiddag zat George very English te zijn op een bank bij de Lime Walk in Sissinghurst Castle Garden. Het was eind juni. Bloemkoolbewolking bolde tegen een strakblauwe lucht op. George knabbelde van een gezond granenkoekje. Een twintigtal mensen, vooral oudere koppels, kuierden her en der over de uitgestippelde paden. Plotseling bevroor George halfweg een voedergebaar. Zijn blikken zeilden hongerig over de gazons, paadjes en perkjes. Voelde hij wat? Rook hij wat?
Hij stopte de rest van het koekje in zijn mond en verliet de bank.
De vrouw die hij plotseling in het vizier kreeg, deed de adem in zijn keel stokken. Een lange zwarte jurk kon niet verhullen dat ze over een lichaam als een kathedraal beschikte. Waarom, in hemelsnaam, koos zo iemand voor zo’n verpakking? Bovenal viel ter hoogte van haar blanke borstpartij – een omgekeerde witte driehoek midden een zwarte zee van haren en textiel – de donkere vlek op. Bij het naderen (George: opzettelijk; zij: onopzettelijk) doemden geleidelijk aan de contouren van een zwarte vlinder op. Hij was volstrekt symmetrisch getatoeëerd op haar borstbeen, vlak boven haar beloftevolle verborgen broden en onder het wurgkuiltje bij haar keel, daar waar bij vele vrouwen vaak iets edelmetaalachtigs bungelt.
Om geen argwaan te wekken, sloeg seriemoordenaar George een zijpaadje in, vlak voor ze elkaar zouden kruisen. De zwarte schubvleugelige had hem van zijn stuk gebracht en bleef op zijn netvlies gebrand. Hij inhaleerde de warme lucht zo diep dat het pijn deed. Toen hij even stil bleef staan en de ogen sloot, warrelde de vlinder doorheen de donkere kamer van zijn hoofd. No design; only painted black. Hij telde 21, 22, 23 en keerde op zijn stappen terug. Ze was nog maar een tiental meter op de Lime Walk gevorderd. Haar rug vertoonde ook een grote blanke V, vlinderloos.
Toen sperde George zijn ogen in opperste verbazing: een inktzwarte vlinder bleef fladderend even boven het hoofdpad hangen, danste wat om het hoofd van de vrouw (die niks leek te merken) en streek dan op haar blanke V neer, waar hij met gespreide vleugels bleef zitten.
‘Soort zoekt soort?’ mompelde George dan half hardop, terwijl hij zijn ogen wat dichtkneep en tot op enkele meters de poedervleugelige vrouw naderde. Visioen van twee schouderbladen waarvan het vlees verwijderd was.
Visioen van twee schubvleugels op de rug van een vrouw.
Visioen van vlindervrouw met gespreide vleugels op een bord geprikt.
Volgens de indianen mocht je een wens doen wanneer je met je rechterhand een vlinder kon grijpen en die weer losliet.
Vlinders waren ook mensenzielen: er was het bekende verhaal van de Engelse regisseur die na zijn dood af en toe zijn schouwburg en zijn toneelgezelschap opnieuw bezocht in de gedaante van een vlinder.
George liet niet meer los. De zwarte vlinder evenmin. Lime Walk. Elizabethan Tower. Moat Walk. Cottage Garden. Rose Garden. White Garden. Priest’s House. The Orchard. Nog es Lime Walk. Had de vrouw ogen op haar rug gehad, dan had zij haar moordenaar gezien: een schriel kereltje dat al twintig jaar geleden oud geworden was, herodesbaardje zuinig over kin en kaakbeen verdeeld, dunne lippen, vogelkopje, grijs, opzij geharkt haar met hitlerscheiding, likkebaardende oogjes, des winters wellicht halflange regenjas met ceintuur in een knoop.
Het was nog een poos stappen naar het parkeerterrein in Jockey Lane, Cranbrook. Toen de bloemkoolwolken van kleur veranderden en dreigende gezichten begonnen te trekken, zochten dagjesmensen en seriemoordenaars de parkeerplaatsen weer op.
George begon aan het moeilijkste deel: de achtervolging. Hij verliet de broeierigheid van het parkeerterrein in het zog van de donkergroene Vauxhall met de twee X’en in de nummerplaat – makkelijk herkenbaar. Het spitsuur was inmiddels in volle gang. Kent, The Garden of England, wemelde van de auto’s. High Street. Biddenden Road. A28. Chart Road. Ashford. Van de vele oponthouden en bumper-bumperfases maakte George gebruik om zijn bovenlijf in politieplunje te wurmen en zijn namaaklegitimatie klaar te leggen. Flishinghurst. Glassenbury. So far, so good. Blackbush Wood. Waar woonde die vlindervrouw? George laveerde zijn ouwe Primavera achter de X-factor aan, handig slalommend. Een zonnige dag was ongemerkt en vrijwel naadloos in een bewolkte valavond overgevloeid; boven Kent hing een grijs gedrapeerd dat onweer kon betekenen.
Hopelijk reed ze niet richting Dover … de boot op … alhoewel … kosten noch moeite spaarde George zich … maar met dit halve fake-uniform … verdorie … misschien moest hij er zich straks weer uit wurmen …
Waar reed dat mens verdorie naartoe? Het werd blijkbaar noch Dover, noch binnenland. Wanneer ze goed en wel richting zuiden gelanceerd was, en George haar van op een afstand moeiteloos kon volgen, verliet ze plotseling de snelweg en koos ze weer voor de richting van waaruit ze gekomen was. Op de snelweg had George haar ook vreemde bewegingen zien maken, duidelijk zichtbaar in het tegenlicht van de zakkende zon. Wuifde ze naar iemand? Danste ze mee op radiomuziek? Zat er een bij in haar auto?
Weer Blackbush Wood. Verdorie. George kreeg het op zijn heupen. Had ze misschien iets vergeten in de Castle Garden tuinen? Hier was de omgeving ideaal om … Dat had hij drie kwartier geleden al gemerkt, in omgekeerde richting.
In een opwelling deed George diverse keren na elkaar zijn lichten flikkeren, in combinatie met stevig kleven. Zijn hart bonkte; hij hapte naar extra adem en kreeg weer dat vlindergevoel in zijn buik. De Vauxhall vertraagde. Hij zag hoe de vrouw even een hand opstak. Ze had het begrepen. Even later pinkoogde ze naar links en hield stil op een uitwijk- en pechzone. George zette zijn auto vlak achter de hare. Hij klemde zijn legitimatie zo stevig in zijn handpalm dat die een snijwondje veroorzaakte. Vooraleer hij het portier weer dichtsloeg, veegde hij het bloed op het pasje aan zijn broek af en likte hij zijn hand schoon. Er kwam nog een auto oprijden. Die hield zo’n vijftig meter verder halt. George temporiseerde even. Een vrouw wandelde met een prul naar een vuilnisbak. Daarna vouwde ze op de motorkap een kaart open. George zette zich in beweging.
Alexandra keek bedenkelijk naar de lucht en besloot de Castle Garden te verlaten. Het briesje dat haar rug even aaide, kon net zo goed het verkennertje zijn van een Engels junionweer op z’n best.
Zijkijkend merkte ze dat ze de Kameleon nog altijd in haar zog had; hij struinde nu ook weer voor de tweede keer over de Lime Walk. Het hele circuit was hij haar gevolgd. Ze voelde zijn ogen zwarte gaten branden in haar rug. Dat zag er oké uit.
In de auto zorgde ze ervoor dat hij haar niet kwijtspeelde. Ter hoogte van Blackbush Wood belde ze de collega’s in hun auto op: DCS Clarke en DI’s Patton en Leary en DS Brooke. Niet de kleinste jongens. Op de snelweg wrong ze zich niet zonder moeite uit haar jurk. Een broek had ze al de hele namiddag aan; de rest volgde: het uniform van de vrouwelijke DSI.
‘De Kameleon krijgt een koekje van eigen deeg,’ flitste het bij dit manoeuvre door haar hoofd. ‘Hij zal vreemd opkijken.’
Ze beschreef de lus terug; hij volgde trouw en begon opvallend te kleven ter hoogte van Blackbush Wood. Toen knipperde hij met zijn lichten.
Achteruitkijkspiegels vormden nu de ogen op haar rug. Ze merkte dat de Kameleon even weifelde. Haar collega’s waren net de uitwijk- en pechzone opgereden. DS Brooke (in burger) ging zoals afgesproken iets in de vuilnisbak gooien en spreidde vervolgens een kaart op de kap open. De Kameleon leek geen onraad te bespeuren. Hij maakte nu aanstalten om op haar auto toe te stappen. Met bonzend hart en haar rechterhand op haar Automag V in de shoppingbag wachtte ze hem op. Ze opende het portier.
Zoals een oude stoomlocomotief een diepe zucht slaakte en een pluimwolk ejaculeerde, zo ontsnapte met een hevig geruis een grote klad inktzwarte vlinders uit de Vauxhall – eerst noodgedwongen langgerekt, dan als van nature samenhangend als een atoom. De turbulente compacte wolk kwam snel op George toegefladderd.
‘Een minitornado!’ flitste het door diens hoofd. ‘Toch bijen?!’
Verbijsterd zag hij de razende bol naderen. Vlak voor die bij hem arriveerde, nam het ding de vorm aan van een reusachtige vlinder met gespreide vleugels. George’s horizon werd inktzwart. Voor hij van de verbazing was bekomen, ontfermde de vlinderwolk zich over zijn vege lijf. Hij werd letterlijk ingepakt. Zijn keel werd dichtgesnoerd. Hij voelde geen pijn, alleen poeder, alom donker poeder. Van onder tot boven werd hij overpoederd. Zijn huid staakte het ademen; zijn hart werd zwart; zijn hersenen ontploften en hij suisde in alle richtingen de kosmos in.
Duizend zwarte zielen hadden wraak genomen op seriemoordenaar George.
Alexandra en haar collega’s constateerden eensklaps hevig vuur. Vlammen zo groot als populierenkruinen dansten verzengend om de Primavera en de man heen. Ze sprongen uit hun auto’s, maar de hitte hield ze op een afstand. Alles leek vuurvleugels gekregen te hebben. Materie steeg ten hemel op en liet vormloosheid op aarde achter. Alles gebeurde pijlsnel. De man richtte zich als een grote vuurvlinder nog eenmaal op. Toen, voorafgegaan door een steekvlam en een doffe knal, ontplofte de hele zaak.
14-02-11
Geen genade
GEEN GENADE
(‘Door hem, met hem en in hem’)
‘Als ik mijn baard een paar dagen laat staan, voel ik me vuil,’ zei Daniël E. Veelbetekenend monsterde hij mijn tronie. Meer dan dertig jaar later zou ik me laten ontdopen. Daniël E. was toen al dood, maar hij zat er toch voor iets tussen, zonder dat hij dat ooit had durven of kunnen hopen, geloven of zelfs maar beseffen.
Als een gevangene hield ik streepjes bij in een notitieboekje. Eigenlijk doorstreepte ik streepjes. De voldoening was groter. Het leek op schrappen. Van de 22 moest ik er nog 5 schrappen. Ietwat voorbarig deed ik dat met het laatste maandagstreepje. Ik stopte boekje en potloodje weg en vroeg:
‘Baard?’
De maandagtrein wiegde ons richting Brugge.
Daniëls dubbelhartige opmerking vatte ik eigenlijk als een compliment op. Ik was een laatbloeiende jobstudent van 20 met een onweerstaanbare drang om een baard te hebben, wat maar dunnetjes lukte. Twee weken al had ik me niet geschoren. Het werd dus blijkbaar al iets.
‘Ach, de jeugd,’ meesmuilde Daniël E.. Hij begon droevig uit het raam te staren, weg van mijn kingewas, naar niets, naar het niets dat hij al decennialang voorbij zag glijden, op weg naar Brugge-de-Dode, het Venetië van het Noorden.
‘Che Guevara!’ lachte ik. Geknars van wisselsporen smoorde mijn woorden. Daniëls grijsblonde lok hupte geschrokken op zijn voorhoofd toen hij even naar mij keek.
Op perron 9 van Brugge splitsten zich onze wegen elke ochtend klokslag 07:45. We mompelden wat en spoedden ons heen. Hij haastte zich met gebogen rug te voet naar een kantorencomplex waar het waanzinnige woord ‘kadaster’ heilig was. Aan zijn rechterhand zwiepte een kleine tas heen en weer: de pendel van de administratieve underdog. Ikzelf holde zo de sissende muil van een stadsbus in, die me naar een muffe kantorenverdieping in de Clarastraat bracht. Wat ze daar in hemelsnaam uitvraten, heb ik nooit goed geweten. Ik werd er in de zolderarchieven ondergebracht en sleet er een maand lang de dodelijkste uren van mijn leven. Daar leerde ik mijn heilige woord van die zomer: ‘compensatiekas’. Van al het roemrijks dat Brugge eeuwenlang was overkomen, ontwaarde ik alleen maar welgeteld 46 dakpannen, tenminste als ik al op de tippen van mijn tenen stond. Voor de rest staken honderden ladekasten om de haverklap hun tong naar mij uit, telkens als een bediende naar boven kwam om een dossier op te halen of weer af te leveren. Een praatje kon er zelden af, want op elke verdieping hokten kapo’s, gewapend met polshorloges.
‘Welk lot is treingezel Daniël E. beschoren, al die jaren al? Is dat het bestaan op aarde, leven genoemd?’ dacht ik soms, wanneer de gruwel van stofsneeuw in namiddagzon en een secondewijzer in slow motion midscheeps toesloeg. ‘Wat doet hij daar om den brode op die kadasterdiensten? Waarom wil deze oude vrijgezel op die manier zijn geld verdienen? Ik heb er hier omwille van de centen een maand opzitten en sterf bijna ter plekke.’
De laatste drie werkdagen van augustus diende zich een bloedmooie vervangster voor mij aan. Ik kreeg instructies om haar in te wijden in de geheimen van het zolderarchief. Ze zou daar de maand september doorbrengen, want ze was een vooralsnog werkloze pas afgestudeerde politicologe, wier pa iets beduidends betekende ter hoogte van het begrip ‘compensatiekas’. Ze had geld nodig voor een grote reis. Plotseling wemelde mijn zolder van mannelijk ongedierte.
‘Twee-, drieëntwintig, schat ik,’ deelde ik Daniël E. op mijn voorlaatste werkdag mee, als antwoord op zijn vraag naar de leeftijd van mijn vervangster. ‘Een politicologe zonder werk. Blond.’
Ik keek hem onderzoekend aan, om te controleren welk effect dat laatste woord bij hem sorteerde, maar hij deed weerkaatsend krek hetzelfde, zodat we geen van beiden een spier vertrokken.
‘Ja, het is moeilijk om werk te vinden heden ten dage,’ zei Daniël dan zuchtend. ‘Ook voor vrouwen, zelfs met een diploma.’
Hij wendde zich naar het raam teneinde er weer eindeloos droevig doorheen te staren. Of monsterde hij stiekem zijn eigen weerkaatsing? Zoals ik dat vaak deed? Kon Daniël E. op zijn leeftijd nog op ijdelheid worden betrapt?
En de zomer denderde voorbij ‘als een trein geurend naar hout en teer’. Ik scheidde van mijn studentenwerkplek en van de werkloze politicologe als een hond van zijn drol. Op de allerlaatste heenreis met bestemming Brugge drukte ik op perron 9 Daniël E. de hand ten afscheid. 22 augustusochtenden hadden we tegenover elkaar in de trein gezeten. Ondanks het verschil in leeftijd en een totaal andere leefwereld hadden we het best wel met elkaar kunnen vinden, al bespeurde ik af en toe wat wrevel bij hem. Tot mijn eigen verbazing deed het me wat toen ik zijn gebogen rug en grijsblonde hoofd dobberend op de pendelaarszee zag verdwijnen. Vanavond zou hij net zo gebogen terugkeren, op weg naar zijn thuis: een kamer in het huis van zijn zus, die drie kinderen had en een man met een druk beroep.
Bij mij thuis kenden ze Daniël E. ook. Mijn ma had ooit nog met die zus van hem in een naaiatelier gewerkt. Ze waren vriendinnen gebleven. Het publieke geheim van Daniël betrof het feit dat hij ooit voor priester had ‘gestudeerd’, maar dat er zich onderweg een ernstige kink in de kabel had voorgedaan, zodat hij de studies verbroken had. Wat die carrièreknobbel juist inhield, kwam ik niet te weten. Zijn zus kwam nog geregeld bij ons aan huis: een supernerveuze vrouw die razendsnel sprak en schichtig bewoog. Haar broer daarentegen had ik leren kennen als de kalmte zelve.
Door het aanbreken van het nieuwe academisch jaar verdween Daniël E. al vlug uit mijn gedachten. Ik associeerde hem immers vooral met een saaie eindeloze maand studentenwerk. Er lagen leukere dingen in het verschiet. Ik begon aan een actief leven met alle bekende ingrediënten. Beroepshalve kwam ik nog in mijn geboortestadje, maar wonen deed ik er niet meer.
Enkele decennia later las ik Daniëls overlijdensbericht bij mijn bejaarde ouders thuis. Het was een wereldlijke kennisgeving, waarop elk spoor van een kruis ontbrak. Ik woonde in naam van mijn ouders de afscheidsdienst in het crematorium bij. Ze keken opgelucht toen ik het ze voorstelde, want een teraardebestelling moest volgens hen eerst een kerk passeren. Ook met verassing hadden ze problemen.
De reeds fel door de tijd getekende zus van Daniël deelde gedachtenisprentjes uit. Op de foto was Daniëls grijsblonde lok niet meer zo uitdrukkelijk aanwezig. Toen iedereen de keerzijde van het prentje begon te lezen, golfden er schokken van ontzetting door het kleine gezelschap. Gelijk begon de zus hartverscheurend te wenen; ze werd onmiddellijk door haar zoon naar de auto geleid. We bleven met een twintigtal nabestaanden als aan de grond genageld achter.
Daniël E. had in een zelfgeschreven summiere tekst de Kerk en zijn dienaars met enkele pijnlijke welgemikte slagen aan het kruis genageld. Hij kende geen genade voor de rukkende biechtafnemers, kwijlende huichelaars, zwartgerokte verkrachters en met bloed en zaad bevlekte soutanedragers die de mensen verplichtten op de mooiste ogenblikken van de week naar hun kille kerken te komen om boete te doen en die op de topmomenten van zovele mensenlevens met hun geile poten de zaak meenden te moeten bekruisen in de naam van een vage god. Hij besloot met de publieke ‘bekentenis’ dat herhaalde verkrachting door een zwartrokdocent aan het seminarie er de oorzaak van geweest was dat hij ooit zelf de priesterstudies gestaakt had. In naam van de mensheid en de menselijkheid walgde hij van het beroep van eredienaar van de heer, waarbij hij geen heilige hoofdletters gebruikte.
Daniël E. had zijn daad gesteld toen er nog geen sprake was van de misdaden die de kerk met vals zalvende bezweringen en mantels van huichelarij en vergoelijking en vergetelheid en ontkenning en verjaring toedekte.
Elk jaar bezocht ik het nieuwe kerkhof in mijn geboortestadje. Het lag vier kilometer buiten het centrum, op weg naar de kust. Honderden identieke witte grafstenen stonden er in een streng gelid, als het gesneuvelde leger van god. Ik had de gewoonte mijn doden eens per jaar te gaan groeten. Toen ik de zomer na de verassing van Daniël E. op weg naar de kust weer even halt hield ter hoogte van de stedelijke begraafplaats, stond ik andermaal voor een verrassing. Op zijn gedenkplaat in een van de vele zuilen prijkte in duidelijke hoofdletters die tegen weer en wind bestand waren: GEEN GENADE.
‘Goed zo, Daniël,’ mompelde ik, en ik wreef grinnikend over mijn stoppelbaard.
Enkele jaren later liet ik me ontdopen. Ik deserteerde met volle verstand en bewustzijn uit dat ridicule leger van god met zijn dubbelzinnige metaforen, hautaine retoriek, valse nederigheid en gelijkhebberige voorschriften. Het was in de tijd van algehele ontreddering. De golf van seksueel kindermisbruik door priesters deed de samenleving gruwen en rillen tot op het bot. De minister van Justitie kwam maanden te laat met maatregelen, het land was politiek uiteen aan het vallen (waar zat ‘mijn’ politicologe om dat te verklaren?), de kardinaal slaagde er niet eens in volmondig openbaar mea culpa te slaan en de bisschop van Brugge (of all places, Daniël!) was ver weg gevlucht ‘in het verborgene om zich te bezinnen over zijn leven en toekomst’, want de zaken waren verjaard. Onkunde, pretentie, valse nederigheid: hoog wapperden ze in de nationale tricolore.
België stevende ijlings op ontbinding af. Het druilerige driehoekje met zijn zovele regerinkjes van paljassen en charlatans werd onregeerbaar, terwijl het in het buitenland vooral bekend stond voor zijn zedenschandalen. Het werd een leeuwenkuil, waarin mensen als Daniël levenslang aan het sterven waren, een bestaan op later en dood uitzittend.
Voor mezelf staat het vast: na het ontdopen volgt het emigreren.
14-01-11
Percussie
PERCUSSIE
Perikles Vandewoestijne gooide de kap over de haag, ging ’s avonds deeltijds lesgeven aan volwassenen die vroeger op hun schoolbanken nooit goed hadden opgelet (eufemismen dienaangaande: Avondonderwijs, Open Universiteit, Tweedekansonderwijs, Tweede-Levensschool, Levenslang Leren, van dat gesubsidieerd verbaal fraais) en huurde een sociale woning op het woonerf Koornbloem, waar hij een van de ongeveer 300 randstedelingen werd, voldoende onbekend, voldoende bekend, zoals het een bewoner van zo’n woonerf betaamt. Een nieuwe auto veroorzaakte in zo’n biotoop even een rimpeling van nieuwsgierigheid; een nieuwe bewoner sorteerde eenzelfde effect: een rimpel, wat gemompel, een gordijn dat even bewoog. Voor de rest betekende een bestaan op de Koornbloem een leven op later en dood. Je had er altijd het gevoel een beetje levend begraven te zijn, in een massagraf wel te verstaan: de Koornbloem was vooral een slaapwijk aan de rand van veel drukte. Veel piepjonge gezinnen (twee ex-kinderen, twee ukken) hokten er niet. De Koornbloem leek eerder voorbestemd om onderdak te bieden aan nieuw-samengestelde gezinnen met oudere weekendkinderen, veertigers en vijftigers in de wacht gezet op het komende grootouderschap, failliete yuppies met een ‘lange arm’ bij stad en bouwmaatschappij en een aantal partnerloze pechvogels. Een seriemoordenares, een spijtoptant in een beschermingsprogramma of een kroongetuige from out there zouden er een perfect anoniem leven kunnen leiden.
Ex-priester-leraar Perikles Vandewoestijne was op zoek naar zo’n leven: rustig, gelijkmoedig, dicht genoeg bij een stad (apotheker, bieb, wassalon, tearoom), op schootsafstand van de boezem van moeder natuur (wandelingetje, stilte, maïs, leeuweriken). Hij wou zich oefenen in anonimiteit, grijsheid, veiligheid, doorsnee, onbekendheid, na het verzaken aan de roep des Heren en aan het haken van scholieren naar kennis van Frans en Latijn. Perikles Vandewoestijne wou boeken lezen, een aperitiefdrank brouwen en later misschien zelf een boek schrijven.
Hij had echter buiten de vijftienjarige Yuroslav Vanwijnsberghe gerekend, die zich ook wou oefenen: in lawaai op ritme, percussie met name. Onder de inwoners van de Koornbloem gezegd en niet gezwegen: drums. Die woorden alleen al! Percussie perforeerde je trommelvliezen; drums deed iets met je grondvesten.
Uitzondering op de Koornbloem-regel: Yuroslav was levendig lid van een kroostrijk eenoudergezin. Het vijfkoppige stammetje werd geleid door een moeder: een veertigjarige ‘goedbewaarde’ vrouw wier man jaren geleden in de Eerste Golfoorlog verdwenen was. Deze moeder torste nog altijd lange, ravenzwarte haren en twee prachtige vooruitzichten.
Elke dag, op vakantiedagen tot twee-, driemaal toe, weerklonk omliggend het geroffel, gebonk en gedreun in de beste traditie van vele drummers ter wereld: die van eeuwigdurende egostrelende zelfbevlekkende solo’s. De jongen wist van geen ophouden. En het ging crescendo, samenvallend met het opdagen van een moedervrijer in het huis. Blijkbaar nam Yuroslav ook lessen: geleidelijk verfijnde zich zijn geklop. Keerzijde van de medaille: de sessies verlegden zich nu naar de ochtenden en de avonden.
Toen leek er plotseling een kentering te komen. De middelste juliweken verliepen geluidloos, althans wat deze vorm van muziek betrof. Perikles Vandewoestijne, en met hem een aantal wijkbewoners, haalden opgelucht adem. Deze opluchting was echter kortademig: tijdens de ochtenden en de avonden van deze rustige midzomerweken werd de buurt, althans de binnencirkel omheen het dekselse drumhuis, vergast op een partituur van gekreun, geschreeuw, gehijg en somtijds gegil. Waar dit nodig was, lokten de mensen hun kinderen weer naar binnen, want ze hadden al vlug door dat het hier de nagelnieuwe minnaar betrof die tekeer ging met zijn kersverse buit. Beiden onderschatten blijkbaar de kwaliteit van de isolatiematerialen op de wijk Koornbloem.
‘Of net niet,’ weidde een dichte buur verder op dit thema uit. ‘Omdat ze weten dat iedereen hier altijd alles hoort. Ze kunnen zich gewoon niet inhouden tot de jongen terug van zomerkamp is. Die werd verplicht om drumlessen te nemen en elke ochtend en avond van bil te gaan op zijn trommelvellen. Valt het jullie niet op dat dat geklop begon met de intrede van dat nieuw lief van haar? Enfin: harder geklop toch. Uit goede bron (mijn stiefdochter volgt fagot in de academie hier) weet ik zelfs dat hij maar 55% haalde voor zijn boenke-boenke examen. Maar hij moet ermee doorgaan van de moeder en haar nieuwe vent, en wel op deze tijden van de dag, want ze kennen de bedenkelijke kwaliteit van de isolatie op de Koornbloem, en ze weten allebei ook dat ze zich onmogelijk … ‘
Voor een keer schaterde een buurtkliekje het uit, Perikles Vandewoestijne (die ook voor de eerste keer naar buiten was gekomen) inbegrepen, midden in de zomer, midden in het verhaal van de dichte buur, terwijl ze op het binnenpleintje genoten van de avondzon. Voor een keer barstte geschater los op de Koornbloem, en geen geklop of gedreun of gebons. Daarna werd het weer stil en spitste iedereen de oren met een brede glimlach om de mond, ex-priester-leraar Perikles Vandewoestijne inbegrepen.
‘Wanneer komt de jongen terug uit vakantiekamp?’ vroeg hij dan, om het ijs te breken.
02-12-10
Split
SPLIT
Op het ogenblik dat Erica Blankenbergh op vrijdagavond in sfeercafé De Woede der Noormannen een tomatensap aan het uitschenken was voor de schepen van Sport, begon de aarde in tweeën te splijten.
De aarde, synoniemen: wereldbol, aardkloot, blauwe planeet, wereld, Moeder Aarde, het ondermaanse. Dat ging aanvankelijk gepaard met een onhoorbaar gekreun uit de diepste ingewanden van deze Moeder, dat alleen op de schaal van een dichter te registreren zou zijn. Die vrijdag vloeide ongemerkt over in een zaterdag, zoals dat al eeuwen het geval was geweest. Maar die zaterdag woei het overal ter wereld opvallend hard, ongeacht of het daar dag, nacht, zomer of regenseizoen was. Het was een teken aan de wand. Achtenveertig uur later liep er een totale breuklijn over de gehele aardkorst, van oost naar west, heen en terug de wereldbol omspannend. De breedte ervan bedroeg vijftien centimeter. Alsof de Grote Kaasmeester van het Heelal met Zijn kaasmes door de klont was gegaan en Noord- en Zuidkaas onherroepelijk van elkaar had gescheiden. De breuklijn liep zelfs dwars door Maagdenburg, of all places. IJlings werden peilingen uitgevoerd, en die wezen op het onvoorstelbare: de aardbol was inderdaad middendoor aan het splijten. Over een week zou men een polsstok nodig hebben om van de ene naar de andere helft te huppen. En weldra zou men aan beide kanten van een brede grand canyon naar elkaar staan schreeuwen. Reeds kolkte in bepaalde streken een kleine hoeveelheid magma naar boven. De aarde kookte inwendig hevig. Het eigenaardige was dat zeeën en oceanen als kokend water in de diepte verdwenen, hoe smal die breuklijn aanvankelijk ook was. Gigantische lege kommen bleven achter, althans: leeg van water, want ze waren voor een derde volgestouwd met menselijk afval van een paar eeuwen welstand. Ook die kommen vertoonden op hun bodems craquelé, tot ze uiteindelijk net zo goed in tweeën spleten en de aldus ontstane geul ( … in het verlengde van de aardgeul … ) geleidelijk alle afval opslokte die in die richting af gleed. Oceaanwater en eeuwen afval verdwenen voorgoed in de kosmos, losgelaten door de aarde, waarvan de beide droge helften zich steeds verder van elkaar verwijderden.
‘Zo, dat is dus het fameuze einde van de wereld,’ constateerde Erica Blankenbergh nuchter. Ze was een van de miljarden mensen op aarde die niet in god of ‘een’ god geloofden. De ovenwarme kloof van de aarde liep als een evenaar door De Woede der Noormannen. Erica hupte over de inmiddels dertig centimeter brede spleet, sigaret in de ene, glas rode wijn in de andere hand. Eigenaar Ernie zat mistroostig naar de scheuren in zijn muren te staren. Hij geloofde wel in de ene God van hemel en aarde.
‘Waarom moet uitgerekend De Woede der Noormannen getroffen worden?’ vroeg hij zich hardop af.
‘En zeggen dat die breuk ook door de Colruyt loopt,’ antwoordde Erica. ‘Uitgerekend hier door De Woede en door ‘mijn’ Colruyt verdorie.’
‘Zelfs door Maagdenburg, heb je het gelezen?’ zei Ernie droevig. ‘Dit is erg.’
De wereldpers bivakkeerde natuurlijk overal ter wereld langsheen de breuklijn, aan beide kanten ervan. Elke extra centimeter opening werd nauwlettend geregistreerd en becommentarieerd, in alle denkbare meeteenheden van de wereld, nou: werelden. Mensen die langsheen of op de aardbreuk woonden of werkten, werden geïnterviewd. Vooral Maagdenburg kreeg de persmeute over zich heen. De halve bollen zaten nog onlosmakelijk in het collectieve geheugen.
‘De kloof wordt steeds groter,’ rapporteerde men wrang, een cliché opduikelend uit de non-profitsector, die het vaak had gehad over de welstandskloof tussen Noord en Zuid.
Ook barmeid Erica Blankenbergh was al ondervraagd, in drie verschillende talen. Of zij voorheen in de omgeving van De Woede der Noormannen iets eigenaardigs opgemerkt had? Iets gehoord ondergronds? Een raar gevoel had gehad? Voorgevoel misschien?
‘Nee, no, nein,’ had Erica geschud. ‘Only the sudden wind on that Saturday, that global wind, you know. Es war so … ’
‘And you are a waitress?’
‘Yes I am.’
‘Do you think this is the end of the world?’
‘I think it’s the beginning of two worlds.’
‘May we have your full name for the records?’
‘Erica Blankenbergh.’
‘Thank you, Erica.’
Sfeercafébaas Ernie werd met rust gelaten, want die beheerste alleen maar zijn dialect.
Toen de breuklijn via de spleetfase echt een kloof van anderhalve meter breed was geworden, werd het verbijsterend duidelijk dat Moeder Aarde op een bestaan in twee werelden aan het afstevenen was. De Woede der Noormannen en de Colruyt een kilometer verder werden ongenadig in tweeën gesplitst en dienden onverwijld hun lucratieve werkzaamheden te staken. Dat gebeurde overal ter wereld in de concreet getroffen etablissementen en op openbare plaatsen: kerken, musea, scholen, parlementen, ziekenhuizen, kazernes, markten, sportterreinen, vliegvelden, … In Maagdenburg vergaderde ijlings een Wereldraad van Wetenschappelijke Wijzen; de afko WWW kreeg hier een andere dimensie. De helft van de geleerden werd er per vliegtuig aangeleverd. Die WWW had geen goed nieuws te melden. Doemdenkers voorspelden dat de aarde verder in kwartjes opgedeeld zou worden, zoals een sinaasappel. Vooralsnog echter bleven op de beide helften de consistentie en de zwaartekracht zich handhaven. Bijgelovigen gooiden munten in de spleet. Verzekeringsmaatschappijen van een ene helft richtten ijlings filialen op de andere helft op. Die geloofden ook nog in een god: die van het geld. Geologen gooiden trapladders naar beneden, maar werden op een bepaald dieptepunt gepocheerd, gebraden, gekookt of geroosterd. De kloof spuugde ze geradbraakt weer uit. Langsheen de hele breuklijn verrezen aan beide kanten hoge afrasteringen, want meer en meer hopelozen bestelden hun lijf ter diepte.
Werd het tijd voor overbruggingen voor de beide werelden? Rekbare of rekkelijke bruggen in de hoop dat de kloof op een bepaald punt of ogenblik niet te breed werd, stagneerde, ja: zelfs weer minder zou worden? In Maagdenburg was dat een van de vele discussiethema’s onder ingenieurs, geologen, fysici en chemici, naast de panieksessies van de humaanwetenschappers. Misschien moesten de beide helften zelfs met grote middelen weer aaneengehecht worden, middels gigaharpoenen bijvoorbeeld, of reuzenenterhaken, of miljoenen kiepwagens ‘colle tout’.
Erica Blankenbergh (ondertussen niet meer werkzaam in sfeercafé De Woede der Noormannen wegens noodgedwongen gesloten, nou: gespleten) dacht thuis na over een mogelijke redding van de werelden, die weer één bol moesten worden. Bestond er een ei van Columbus tegen deze vreselijke splitsing? Erica was niet zo kinderlijk dwaas om, zoals Albert Einstein, Gods gedachten te willen kennen. Diens zogenaamde schepping was immers gespleten. Van relativiteit gesproken.
Uit Maagdenburg – nu gesitueerd op één welbepaalde wereldhelft – kwam nog altijd geen goed nieuws. Er kwam zelfs helemaal geen nieuws. De wereldbol was als een okkernoot netjes doormidden gekraakt en niemand leek daar iets aan te kunnen doen. Had de inhoud van deze beide helften genoeg van elkaar? Moest de remedie dan ook daar worden gezocht?
Diezelfde avond – de kloof was al achtenveertig uur lang niet meer breder geworden – begon niet alleen Maagdenburg op zijn grondvesten te daveren. De hele werelden deden dat. Ook Erica’s borsten lilden eensklaps duchtig. De beide wereldhelften bleken plotseling voortdurend door elkaar aangetrokken en van elkaar afgestoten te worden. Zwitserse onderzoekers van CERN (Europees Centrum voor Nucleair Onderzoek) hadden namelijk in een uiterste wanhoopspoging een hoeveelheid zo moeizaam verkregen antimaterie in de kloof gegooid. Er bestond een waterkans dat een ontploffing energie vrij zou maken, waardoor helend wereldcement aangemaakt zou kunnen worden. Die antimaterie gedroeg zich echter helemaal niet zoals verhoopt. Er volgde geen ontploffing. Wel bonkten nu de werelddelen onophoudelijk tegen elkaar, tweemaal per seconde.
Alsof een grappige god de twee helften van een okkernoot tegen elkaar klepperde. Dat was nefast voor alles en iedereen. Wat bonkt, maakt brokken. Erica Blankenbergh ging ten onder in vuur en vlam, samen met 6.886.266.753 aardbewoners.
01-11-10
Mama
MAMA
‘Je bent wat je eet’. Mensen met iets ergers dan een opinie, namelijk een overtuiging, proberen je dat wijs te maken. Goed, als dat zo is, dan ben ik een bijzonder zoete, zachtaardige jongen. Ik ben verslaafd aan chocolade. Niet eens de echte fondant, maar wel de schijtbruine nepchocolade. De zoetste dus, niet de bitterste. Als ik echter aan rauwigheid doe, dan heeft dat niets met eten te maken, maar alles met drank. ‘Drank’ zijnde metafoor voor alcoholhoudende drank. Dan ben ik misschien wat ik drink. Ik sta dan heel ver van de huisbelprofeet, die op zaterdagmiddag verkondigt: ‘Zeewier eten is erg gezond’. (Eigenlijk verwoordt hij het Bijbelser: ‘Het eten van zeewier is gezond’). Dan verkoop ik zo iemand bijvoorbeeld een verbale dreun, zowel voor de inhoud als voor de verpakking van zijn boodschap, en ook voor zijn slechte timing. Dan gedraag ik me zouteloos. Dan staat rauwkost tot mij zoals olie tot vuur, Saddam tot Bush. Ik kan de gezondheid van betuttelaars ernstige schade toebrengen.
Mijn moeder heeft jarenlang met afgewende, alles- en nietsbegrijpende blik naar de verte gestaard. Ook als ze naar ons keek. Door ons heen keek. Naast ons keek. Of als ze midden mompelend, feestend, gekscherend of doodgewoon aanwezig volk was. Na dat lange oponthoud van circa veertig jaar trok weer zoals vanouds woeste bewolking over haar gezicht, dat gelaat werd, ja: aangelaat. Reddeloos gered, opdrachten volbracht, bijna mystiek onthecht, verzandde ze andermaal in de verlichte schemerzone waar dichters met hoge koorts ronddwalen, knettergekke dansers in hoekjes vertoeven en allerlei andere fijne lieden van de Laughing Academy halfopendeurdag houden. Ik heb altijd gehoopt dat ze mij eensklaps haar Russische afkomst zou openbaren, maar het enige wat bij haar echt uit het niet zo verre oosten kwam, was haar viool van Hongaarse makelij. Ze was ooit een prima violiste. Vijf kinderen en een man pakten haar die viool af. Al die jaren bleef het muzikaal stil op haar Titanic. Het is een cliché als een kathedraal met duivenstront op, maar de viool van de moeder belandde op zolder, terwijl beneden het irritante getokkel van ongetalenteerde kinderen op de piano weerklonk.
Tijdens mijn kinder- en jeugdjaren at ik per ongeluk gezond. Geld voor allerlei exotisch, pikants en ongezonds was er niet. Zelfs niet voor doodgewoon veel. Fruit vergezelde brood. Bijna alles wat in de tuin groeide, belandde ook op tafel. Een aardappel was een aardappel, gekookt in water. Melk was goed voor elk. Luxe was voor later. Je bent wat je eet, beweren ze. We waren dus mager. Op dagtrip aan de Vlaamse Noordzee waren we nog magerder. Elk jaar weer keek ik uit naar de herfst, de winter: dikkere verpakking. Iedereen gelijk voor de wet van Celsius, iedereen koud. Op die oude foto sta ik aan de IJzertoren in Diksmuide naast mijn vader vooral veel kleren aan te hebben en meer op de wereld te zijn dan in de dunne werkelijkheid daarbuiten. Die foto verklikt mij. Ik maak me dik. Ik was wat ik niet at. En niet alleen god, maar ook de duivel zit in het detail: ik draag een chapka op mijn hoofd, een soort Oostbloks soldatenmutsje dat toen overal verkocht werd. Russisch bloed, dan toch? Nee, gewoon een stomme kop met een vreemd voorwerp op.
In haar bronstijdperk brandde mama echte kaarsjes in de kerstboom en bakte ze vrolijke pannenkoeken. Ze speelde bakelieten muziekplaten af die in bruinpapieren hoezen zaten. De glazen en wat erin gewalst werd, zagen er duur en feestelijk uit. Ooms, tantes waren jong en wilden wat. De grote overstroming van 1953 bezorgde de lage landen rimpels en rillingen. Met al dat badwater kwam een eerste kind mee aangespoeld. Het oudste kind, ik. Daarna brak de lange duisternis aan. Zomers te zwaar van gemis; winters te scherp van besef. Het elementaire bestaan op aarde werd onvoldoende doordesemd met wat het net aanvaardbaar maakt: geluk, toeval, desnoods respectievelijk stom en dom. Of bijvoorbeeld iets van een hogere orde dat na gebruik toch weer met de glimlach weg kan worden gegooid. Nee, de wereld was een blauwe plek. Kinderen moest je vooral hebben. Kinderen dienden om naar school te stappen. Deze kinderen vormden een archipel van eilandjes. Deze eilandengroep verklaarde de koude oorlog aan de mama. De papa kon alleen maar lijdzaam toezien, met van woede trillende handen, zelf al in volle oorlog met zijn trouwfoto.
Het is niemands schuld dat ik verslaafd ben aan chocolade, gedichten en verhalen schrijf, mensen verbaliseer als ik gedronken heb, een onverklaarbaar heimwee heb naar een land waar ik nooit ben geweest. O, heimwee, ja, zoals eenieder, ‘want bij elke wieg heeft een deur opengestaan, al was het nog zo kort en op een kier, naar wind en licht buiten de tijd’. Mijn mama heeft evenmin aan de goden gevraagd om die mama te zijn, een mama of geen mama. Desgewenst moeder. Ik heb het wel herkend in mijn liefjes: die weerschijn die me aan haar deed denken. De gloed van de pre-mama; de icoon van de avant-moeder. In de ogen van de mensen om je heen loopt alles zo vaak verkeerd af. Maar eigenlijk red je bij wijlen jezelf. Waar ik haar jaren later andermaal ontwaarde, in de gezichten, zeg maar: blikken van de anderen, daar vluchtte ik. Tijdelijk lijfde ik me dan in het leger van de zoetekauwen in, de drinkers, de dromers, de dichters. Ik wou haar niet meer nog eens meemaken. Waar ik als eerstgeborene haar viool afpakte, daar gaf zij als moeder mij mijn poëzie. It was an offer I couldn’t refuse. Het was mijn underground railway. Ik schrijf haar af. Van mij.
Wind, storm, zee, woestijn: onze fascinatie voor ‘slecht weer’ en ‘weidsheid’ was gemeenschappelijk. Objective correlative? Zijn het weer en de natuur zoals we die graag hebben de spiegels van de ziel en het gemoed? Whatever, als het bestaan op deze blauwe plek in het heelal toch maar een langgerekte hoofdpijn is. Laat maar waaien dan. Waar we het, natuurlijk onuitgesproken, totaal oneens over waren: gewicht, omvang van het menselijk lijf. Ik droomde ervan meer op de wereld te zijn, minder mager. Toch vond ik dijen die over stoelzittingen uitdijden afstotelijk. Mama wou dun zijn, worden, blijven. ‘Fijn’, zeiden ze bij ons. ‘Mager’, luidde de feitelijke diagnose. Het was in die vreselijke tijd van voor de woorden ‘slank’ en ‘volslank’ bestonden. Magerzucht, eigenlijk was het meer angst voor dikheid, bepaalde onder andere ook de stillevens op de eettafel thuis. In die tijd deelde ik het lekkerste onder het lekkerste, friet, ook nog eens met Aloysius, mijn teddybeer. Die had een gaatje in zijn holle buik, zoals bij de mensen. De moeder merkte het niet; ze staarde over de tafel heen. Ze was niet dik, dun, mager, slank of volslank. Door erfelijkheid en afstamming was ze van dat alles niets. Ze was fysiek volmaakt en ontnam mij het recht op vet.
De geluiden veroorzaakt door het eten van een appel. Het geschuif van de accordeondeur. Het nachtelijke getamp van een waterzuigpomp in de opgebroken straat. Het matineuze gegil van een stoomfluit. Geroffel van regen op een golfplaten dak. Geprevel van gebeden. Gelui op zondag. Zomers belgerinkel. Soldatenhalfuurtje. De knal bij het doorbreken van de geluidsmuur. Donder, bliksem, geruis van bladeren. Verstikte stemmen. Het zinderen van stilte: sneeuwstilte, hittestilte, ruziestilte, ziektestilte. Oorverdoving van schoolpleinen. Klokhuizen, kleren na regen, pijptabaksrook, chloor, gymzweet, putlucht, warme melk, zure pis, moederspeeksel, de stoppelbaard van een buurman, houtkrullengeur, de kachel. Troost door herfst. Genezing aan zee. Voelen, ruiken, smaken, horen, zien, zwijgen. Mamamia. Schrijven.
Hoe ouder ik word, hoe dichter alles weer komt. In de lichtplas van een oude straatlamp uit de jaren vijftig van de vorige eeuw zie ik steeds beter hoe wazig de foto’s van toen waren en hoe scherp de rest was net buiten beeld. Ouders kijken vaak weg van foto’s. Een van de kinderen neemt zo’n foto, maar de anderen voeren ondertussen iets in het schild. Uitkijken geblazen. Kinderen kijken wel naar het vogeltje, tijdelijk verblind door hooggespannen verwachting. Een foto is een poging in het kader van een eeuwigheid. Mama keek door alles heen. Of gewoon opzij. Geen kader of rand hield haar tegen. Op een foto zie je veel duidelijker dan aan de echte mens hoe goed of hoe slecht de ziel er aan toe is die in beiden huist. Vele ziektes hebben mama nooit bezocht, want zij wou nooit echt op de foto. Haar ziel was al lang vooruit gehold naar een ander bestaan, vanaf de dag wellicht dat haar vioolkist definitief dicht ging. Reddeloos gered dichtte ze zichzelf daarna jarenlang allerlei ziektes toe. Ik, dichter, ben de eerste zoon van een gesmoorde diva.
Je bent wat je eet; je wordt wat je niet vergeet. Met de planken waar ze maar twee of drie keer op stond en de koorts die ze toen bezweren moest, bouwde ze zich een levenskist om levenslang ziek in te zijn zonder te moeten sterven. Ongespeelde vioolmuziek begeleidde haar; de noten werden ontlokt aan een onbestaande partituur. In de plaats van een strijkstok kwam een grimmige wasstok. Aaien, strijken, plukken werden vervangen door slaande werkwoorden. Bijgevolg sloegen de eilandjes op drift: bedplassend, marathonhuilend, verbitterd, vernederd. Toen we begonnen te begrijpen dat een man zijn lul in zijn vrouw moet steken om een kind te kunnen maken, vroegen we ons af of dat bij ons thuis niet totaal anders was gebeurd. Hoe, dat wisten we niet, maar alleszins niet ‘zo’. Nochtans spookten we met z’n allen rond in een tijd waar overal ijverig kinderen werden gekocht. Schoolpleinen waren volgestouwd met snel op elkaar volgende ukken, meestal fotokopietjes van elkaar, met uitzondering van de buitenbeentjes. ‘Mooi’, ‘schoon’, noemden pastoors en opvoeders dergelijke gezinnen. Maar de jaren vijftig en zestig van die oorlogseeuw stonken naar zuurpruimen, zure pis, zure melk, zuur kindervlees. De vaders zogen aan sigaretten zonder filter; de moeders schilden een appel.
In de grote wereld werd er ondertussen ook duchtig wat afgehakt. Men transplanteerde een eerste hart, men kogelde een president neer, op de voorpagina van de krant poseerden negers zonder handen, in ‘Nam’ flambeerden ze de huid van de roden. Het lot dat mama trof, was echter veel erger. Niemand kon dat begrijpen, bevatten. Er bestond geen zielenzalf tegen. Niks hielp: zangkoor, huishoudhulp, gebedsgroep. Vaatdoek en valium voerden het bewind.
Allesvernielende woordenstormen en langdurige balorige stiltes volgden elkaar op. Een oudtestamentische kinderslachting behoorde ons inziens een tijdlang tot de mogelijkheden. We doken onder in onszelf en vertrouwden zelfs mekaar niet meer, broers en zussen. De vader fossiliseerde in zijn pantoffels en ranselde uit pure wanhoop en frustratie op zijn evenbeelden in. Het was nochtans de tijd van de UNO, NATO, BENELUX, EGKS: samenwerking, begrip, verstandhouding, vooruitgang, menselijkheid. Mijn reet, godverdomme. De terreur ten huize van de ‘schone’ of ‘mooie’ gezinnen verminkte menige babyboomerpuber grondig.
Mama kunstenares. Mama middelares. Mama troosteres. De vader was een stuk groter dan zijn vrouw; de moeder kleiner dan ze had gewenst. Het moedergedicht, nou: Moedergedicht van Eerwaarde Heer Hugo Claus moesten wij als student ooit tot op het bot meemaken. Elk woord, elke regel werd omringd door en ingesmeerd met vele uitleggende citaten, teksten, boeken. Nooit, onderweg in dat gedicht, heb ik daarbij ook maar één jota aan u gedacht: mijn mama. Noch mijn pen, noch mijn beenderen hebben bij het lezen vuur gevat. Integendeel: in die tijd schreef ik een vadergedicht. Ik ontdekte de vaderfiguur aan de overkant van een straat, dubbel weerspiegeld via een etalageraam. Ik dichtte hem wat kingewas toe, waarachter hij zich verborg: zo’n kutbaardje dat de mond, dus de woorden camoufleert. Die vaderweerschijn trilde mee met dat etalageraam – weze het door de hitte, weze het door voorbijdenderend verkeer. Fata morgana of doodgewoonheid. Het betrof de etalage van een winkel voor kinderspullen: kleren, speelgoed, aanvankelijkheden. De zuurtegraad was er hoog. Ik zweette.
Je bent wat je eet. Ik ga chocolade kopen. Je wordt wat je niet vergeet. Dag mama.
21-09-10
Schaakmaat
SCHAAKMAAT
Intro (het idee van Tsjech-mate)
De acteurs: 32 stukken van het schaakspel. Uiteraard wit – zwart. Voor elk specifiek stuk moet iets typisch bedacht worden, bijvoorbeeld een scepter voor de koningen, een kroon voor de koninginnen, puntmutsen voor de lopers, hoge hoeden voor de torens en rijlaarzen met zweepje en bijhorend hoofddeksel voor de paarden. De pionnen houden het bij simpel zwart en wit (schmink, maskertjes, …).
Twee spelers: Jurkov versus Spoetin.
Een scheidsrechter.
Het voortbewegen over het bord of het slaan van een vijand gebeurt theatraal; ook hier zijn diverse vondsten mogelijk (koprol, schermutseling, verbale twist, een schot, wegzappen, … De beide koninginnen kunnen zich, gezien hun groot bereik, van een zaptoestel bedienen).
Rekwisieten: een geblokte grond (het Conscienceplein?) en een grote schaakklok of zandloper.
- Koning Wit (breed koninklijk gebaar): Mijn koninkrijk, maar nog voor geen honderd paarden!
- Paarden Wit : (hinniken en steigeren)
- Koning Zwart (breed koninklijk gebaar): Mijn koninkrijk, maar nog in geen honderd jaren!
- Paarden Zwart: (hinniken en steigeren)
- Alle pionnen Wit (zich naar hun koning wendend, eer betuigend): Sire!
- Alle pionnen Zwart (zich naar hun koning wendend, eer betuigend): Sire!
- Alle pionnen samen: Eén voor allen, allen voor één!
- Koningin Wit: Maar dames gaan voor.
- Koningin Zwart (zingend): I am the queen of tonight …
- Pionnen Wit (omkijkend naar hun koningin): Wij zijn geheel de uwe, o koningin. Spreek, preek, wijs en wij bewegen of offeren ons leven op voor u.
- Pionnen Zwart (omkijkend naar hun koningin): Wij zijn maar nederige pionnen op een heel groot schaakberd, uwe gratie. Uw wil geschiede.
- Alle lopers (roepend met handen als toeter voor hun mond): Dat zullen we nog wel eens zien!
- Alle torens (roepend met handen als toeter voor hun mond): Schuinsmarcheerders!
- Alle lopers (smalend): Kijk voor je uit, lijnrechters!
- Alle paarden (pasjes ter plaatse): Leve de tango!
- Alle pionnen (spottend wapperend met rechterhandje voor hun gezicht): Oe! Oe! Oe! De processie van Echternach!
- Koning Wit: Nou, wit begint. Komaan, Jurkov.
(Speler Jurkov, wit, komt op en loopt verkennend-monsterend rond).
- Alle witte stukken: Jurkov! Jurkov! Jurkov! Jurkov!
- Koning Zwart: Spoetin, playtime!
(Speler Spoetin, zwart, komt op en loopt verkennend-monsterend rond).
- Alle zwarte stukken: Spoetin! Spoetin! Spoetin! Spoetin!
(De scheidsrechter komt nu ook op, draait de zandloper om of zet de klok gereed en geeft Jurkov een teken).
- Alle witte stukken: E4! D3! D6! C4! C5! P3! P7! (Korte kakofonie alle stukken wit, die hun eerste pion een paar velden vooruit sturen naar het klassieke veld E4).
- (Idem dito zwart).
Het plan
Sapperloot zweeg eerst ongeveer drie minuten lang. De tijd voor pakweg een kwieke zet – tegenzet. Hij staarde naar de vellen papier die Tsjech-mate volgekrabbeld had. Tsjech-mate: volledig opgetrokken uit slordigheid, maar bezitter van een beeldig handschrift. Dan gromde Sapperloot eindelijk begrijpend en goedkeurend.
‘Ja … ‘
‘Wel?’ drong Tsjech-mate aan.
De beide schaakmaten nipten simultaan van hun neutje.
‘En wij zijn toch de spelers hé? Die eh … die Jurkov en die Spoetin?’
‘Zeker weten. What’s in a name hé, hihihi.’
‘Ja. En de scheids?’
‘Da’s onze regisseur hé. Walter gaat dat wel zien zitten.’
‘Hm, ja.’
‘Het moet lukken tegen dat de toeristen komen, tegen de zomer dus. Misschien tegen de elfde juli al.’
‘En je hebt al een stuk van de rollen zelf uitgeschreven … ‘
‘Ja, maar ‘k zit vast nu. De rest is voor eh … ‘
‘Ja: wie gaat er dat stuk verder schrijven?’
‘Tja, eh .. ik dacht zo: als onze spelers aan het spelen zijn, dat de dialogen zichzelf dan wel wijzen … ‘
‘Bere-idee! En … : van spelers gesproken! Als dàt nu eens geen spelers zijn hé!’ zei Sapperloot, plotseling zichtbaar enthousiast. Als hij vrolijk werd, parkeerde hij overal ‘bere-‘ voor.
‘ … in de twee betekenissen van het woord, ja hé?’
Tsjech-mate en Sapperloot dronken elkaar tevreden toe, waarna Sapperloot onmiddellijk weer het kroontje van de jeneverfles losschroefde.
‘Maar we hebben niet genoeg vaste spelende leden in Ieder Zijn Recht.’
‘Ach, er zitten er bij elke opvoering genoeg in de zaal die zo graag een keer op de planken willen staan! Iedereen is ijdel: acteurs, en diegenen die denken dat ze kunnen acteren, let maar eens op mijn woorden!’
Sapperloot loerde naar het houten schaakberd dat zijn schaakmaat naast de vellen papier had opgesteld. Dan grinnikte hij:
‘En wie is uw koningin, Tsjech-mate? En speel jij met wit of zwart?’
‘Ha! Haha! Dat wordt strootje-trekken hé kameraad!’
‘Kan iedereen van de toneelkring wel schaken?’
‘Dat moeten ze maar leren.’
‘En in open lucht … In de zomer kan het ook regenen hé.’
‘We vragen een zeil aan ’t stad, of een tent, geen probleem. Het zal veel toeristen aantrekken.’
‘Op het Conscienceplein dus?’
‘We gaan dat allemaal regelen. Surplace kan de hokken op de grond schilderen.’
‘Die gaat dan eerst de parkeerstrepen weg moeten doen.’
‘Er is werk aan de winkel hé, maten,’ klonk het. Een derde glaasje werd op het tafeltje neergepoot. De dijen van Sapperloots vrouw kwamen er op de sofa bij zitten, naast haar wettelijk geregelde echtgenoot.
‘Hoe … weet jij dat dan al? Weet jij van iets?’ vroeg Sapperloot verwonderd, hij keek ondertussen een beetje beschuldigend naar Tsjech-mate.
Tsjech-mate, in de fauteuil aan de overkant van het schaakberd op het salontafeltje, keek opvallend niet naar dat duo blanke dijen. Hij knikte:
‘Ze weet er al van, uw vrouwke. Bij de vorige vergadering heb ik me iets laten ontvallen, is ’t niet waar, Daniëlla?’
Daniëlla, dijen, een blozend hoofd van waaruit een waterval van lang zwart haar vertrok, knikte ernstig en goot haar glaasje overvol, zoals het hoorde. Ze nam het voorzichtig op, morste op het schaakberd en bracht het naar haar hoofd.
‘Ah, zo,’ deed Sapperloot. ‘Goed plan hé, Daniëlla.’
Daniëlla knikte als vanzelf, want ze goot met een knik van haar hoofd de jenever achterover.
‘Jaah … ‘ deed ze dan, en ze lachte naar Tsjech-mate.
Sapperloot acteerde olijk: ‘Mijn koningin!’
De voorbereidingen
Toneelkring Ieder Zijn Recht uit Walravebad aan de Noordzee gedijde. Culturele hoogtepunten uit het achttienjarig bestaan van de kring waren opvoeringen van La Cage aux Foll(i)es en een bewerking van een stuk van Dennis Potter geweest. Voor de rest: leuke, ontspannende draken, zo veel mogelijk rollen, tien percent spanning, negentig percent ontspanning. Walravebad, belendend perceel van de grootste badstad aan de Noordzee, kreeg elke zomer een wave van toeristen over zich heen. ‘Jammer,’ opperde het bestuur van Ieder Zijn Recht, ‘dat we dan stilliggen.’
‘Wel, laten we dan in de schaduw van de Koningin der Badsteden even zelf met koninginnen spelen,’ had sterspeler Tsjech-mate voorgesteld.
‘Werk maar een plan uit,’ knikte de voorzitter, ‘er gaan er volgende zomer van ons niet te veel op reis.’
Tsjech-mate, tweede generatie immigranten, een van de eerste Oostblokkers aan de kust, reiziger in ladders, schaker, getalenteerd toneelspeler, drinker en vrijgezel met constante paardrift, broedde op een plan. Schaken met levende stukken! Niet bijster origineel, maar toch wel een goed plan, vond regisseur Walter.
Achtereenvolgens bezocht Tsjech-mate de voorzitter van de kring, de regisseur en vervolgens zijn schaakmaat en toneelkompaan Sapperloot. Het zomerplan werd goedgekeurd. Dat het vrouwke van Sapperloot als allereerste kond werd gedaan van dit plan, moest gezocht worden in de gelederen van de geheime en verboden liefdes. Tsjech-mate zat namelijk niet stil; als reiziger met appetijt was hij ook zeer mobiel. En Sapperloot zat als ambtenaar in de hoofdstad vooral in de trein.
‘Walter: jij moet iedereen warm maken, ze moeten maar voor een keer hun reizen naar Turkije en Spanje uitstellen tot in augustus, of met Pasen gaan, of beter nog: dat ze eens gaan skiën, dan is iedereen vrij voor de repetities vanaf maart – april.’
‘We kunnen het Conscienceplein regelen: dat ligt niet ver van de dijk. Er staan normaal gezien een stuk of zestig auto’s op. Dat moet vrij gemaakt kunnen worden. Surplace kan de schilderwerken voor zijn rekening nemen.’
‘Hoelang? Ik zou zeggen: twee weken, drie weekends. Om de twee dagen een opvoering, afwisselend om 15 uur en om 21 uur.’
‘Iedereen die zich engageert, moet er ook staan hé!’
‘Ja, 32 stuks hebben we nodig, en 2 spelers, en nog een paar nevenfiguren. Iedereen moet zijn familie aanspreken.’
‘ … ja, en een paar van onze vaste toeschouwers, die willen ook wel een keer spelen, hoor ik af en toe.’
‘Moet dat dan een echt spel zijn? Een schaakspel, bedoel ik. Met winst en verlies … ‘
‘Jaja, natuurlijk.’
‘Bere-echt!’
‘Dat kan lang duren, zo’n spel.’
‘Dat regelt Tsjech-mate wel.’
‘Of een schaakklok, ge kent dat wel.’
Tsjech-mate zou alles regelen. Daniëlla, zelf een minimal artist waar het haar eigen kleren betrof, zou voor de kostumering instaan. De beide schaakmaten spraken ook af meer en intenser tegen elkaar in het strijdperk te treden om elkaars koningin af te pakken, kwestie van inspiratie en ervaring op te doen. Method-acting!
De koningin van Sapperloot was gewoonlijk zwart, want Tsjech-mate was een sterke schaker en de winnaar mocht altijd met wit beginnen.
Timing & actie
Er werd een deadline bepaald: tegen de zesde van de julimaand moest alles in kannen en kruiken zijn, want op die dag trok de 43e Garnaalstoet door het andere aanpalende stadje en een aantal Ieder-Zijn-Rechters figureerden daar ook in. (Mevrouw Persoon, secretaris, had op het moederexemplaar van de omzendbrief naar de spelende leden eigenhandig deadline door headline vervangen, maar niets luisterde nog nauw in zulke drukke dagen). Vanaf de tiende juli, twee weken lang, zouden dan de lustige schakers-acteurs om de twee dagen hun territorium op het Conscienceplein in Walravebad innemen, dus een keer te 15 uur en twee dagen later te 21 uur, toeristentijdstippen.
‘Je moet op de affiche te door om vervangen, ze doen dat niet meer. Of weglaten. Weer twee letters gespaard.’
‘Een goeie zet, haha.’
April brak aan. Het donker gedonder van de zee in Walravebad ging over in grijs geruis. Achter mist en nevelen hing de lente te weifelen. De leden van de toneelkring en andere geëngageerden (geen gebrek daaraan!) togen aan het werk. Er werd gerepeteerd in zaal St.-Amandus. Daar tekende Surplace met schoolkrijt een schaakberd op mensenmaat. De rolverdeling kreeg ook vorm.
Daniëlla werd natuurlijk de zwarte koningin. Sapperloot zou met wit spelen. Tsjech-mate had regisseur Walter in dat verband omgepraat. Een groot obstakel vormde dat niet. Tsjech-mate moest dus het vrouwke van zijn schaakmaat gebruiken om zijn eigen zwarte koning te beschermen en uit te rukken op zoek naar de vijandelijke koning.
Sapperloot kreeg als witte koningin een jong ding toegewezen, een studente Communicatiewetenschappen met een indrukwekkend aantal zittijden achter haar naam die van een rol in een film droomde. Men moest ergens beginnen.
Een overijverig lid van het bestuur stelde ook echte paarden voor, eigenlijk pony’s. Hij wist er vier lopen bij boer Ivan in Krulken in het hinterland. Dat plan werd omwille van uitwerpselen afgeblazen. Er waren grenzen, en ze wilden zich door de toeristen niet laten bespotten als boerkens-van-den-buiten. Het moest theater zijn, verdomme, geen soap van schijterij!
Ondertussen was de zwarte koningin Daniëlla ook druk aan het knutselen en het naaien, terwijl ze gewoontegetrouw stiekem en op gezette tijden zelf door Tsjech-mate genaaid werd. Sapperloot, bij daglicht hoofdstedelijk ambtenaar zonder pieken of dalen, leefde op wolkjes. Hij deed het goed met dat Communicatiekind. In zijn dagelijkse treinen ontwikkelde hij visioenen van grootmeesterschap.
Regisseur Walter voerde de repetities op tot driemaal per week, Pasen of geen Pasen, Pinksteren of geen Pinksteren. Alleen communiefeesten en de weeën daarrond vonden genade en begrip. Reizen tot en met eind juli waren verboden. Een engagement was een engagement.
‘Zoudt ge geloven dat ik in drie dagen geen warm eten heb gezien.’
‘Ge ziet er goed uit, Brunhilde, ge zoudt er altijd zo moeten bijlopen.’
‘Jaja Walter, uw ogen staan weer op steeltjes hé.’
‘En ik zie ook dingen op steeltjes staan.’
‘Wat wilt ge daar nu mee zeggen.’
‘Wie haalt er Freya van de trein? Gij zeker, Sapperloot?’
‘Ik ben al weg!’
‘Een koffie op de dijk, Daniëlla? We nemen het script ondertussen nog even door.’
‘Een goed gedacht, Tsjech-mate. Tot subiet hé, Sapperloot. Verlies dat kind niet onderweg.’
‘Haha!’
De klippen
Schaken? Rapper gezegd dan geleerd of gedaan. Je kunt niet in toneelkostuumpjes staan faken in een schaakstuk zonder benul te hebben van deze edele denksport. Dus organiseerde Tsjech-mate voor iedereen een schoksessie schaakleergangen. Enfin: het bleef hangen en horten bij de beginselen van het vooruitgaan en het slaan, want bij veel vrouwen fietste dat er niet zo vlot in, had hij de indruk. De mannen waren al niet veel beter. Het zou papegaaienwerk worden. Nu, acteurs waren dat gewend: nabauwen was hun kunst.
Ondertussen zette regisseur Walter zich aan het schrijven, bij gebrek aan een auteur. De gedachte was schilderachtig, maar eenmaal aan zijn tafel gezeten, ondervond Walter aan den lijve dat schrijven niet gelijk is aan opschrijven. Hij zweette water en bloed. Zijn dialoogjes en clausen dropen van de inspanning. Hij zocht ook een truc (en vond die al vlug, eureka) om het publiek niet te betrekken, want dan waren alle rapen gaar: stel dat er zo’n schaakgenie tussen de toeschouwers stond en zich begon te moeien! Het theaterschaakstuk zou rap afgelopen zijn. Nee: het publiek moest permanent zwijgen; het woord was aan de twee hoofdspelers en hun legertje. Daar moest begrip voor heersen. Misschien kon in dat verband aan een ouderwetse suisse gedacht worden, zo’n kerkbewaker die voor stilte en sereniteit zorgde.
De voorzitter van Ieder Zijn Recht regelde een soort baldakijn bij het stadsbestuur, plus een min of meer overdekte tribune. Surplace mocht op de vooravond van de veertiendaagse zijn hokken beginnen kalken op het tijdelijk verkeersvrije Conscienceplein. Overtollige auto’s werden verwezen naar het schoolplein van de basisschool St.-Amandus. In ruil daarvoor eiste het schoolhoofd, een moeilijk mens met pensioen in zicht, drie permanent voorbehouden parkeerplaatsen annex op de grond geschilderde nummerplaten in de straat voor ‘zijn’ school. Die natte droom kwam eindelijk ook in orde; de burgemeester zou daar dan eind augustus werk van maken, vlak voor het aanbreken van het verse schooljaar.
Bij Daniëlla en Sapperloot thuis was het een komen en gaan van lichamen en lijven die zich in diverse vermommingen, omhulsels, hesjes en textiele werkvormen hesen en wrongen. Sapperloot had nog nooit zo veel bloot op zo korte tijd gezien. En Tsjech-mate kwam overdag op gezette tijdstippen checken hoe ver het stond in de ateliers van zijn geheime koningin.
Waren er nog klippen te omzeilen? Talloze. Mensen haakten af. Vervangers vielen in, maar waren de oorzaak voor vertragingen. Communiefeesten begonnen de repetities toch parten te spelen. Iemand moest toch dringend op reis voor zijn werk. Examens braken aan. Na elke repetitie in zaal St.-Amandus moest decorbouwer Surplace ook weer zijn krijtlijnen verwijderen. Na hen kwamen er namelijk nog die van het zaaltje gebruik maakten. En elke keer opnieuw moest hij dan die hokken weer heruitvinden, voor een nieuwe repetitie. Affiches, uitnodigingen en drukwerk kostten centen. Met de hoed rondgaan na elke schaakpartij zou dat probleem amper kunnen oplossen. Er moest naar extra inkomsten gezocht worden. Een openluchtbar? Broodjes? Weddenschappen op de afloop van elke partij? Maar elke partij liep op dezelfde manier af ! Met dien verstande dat nu eens wit, dan eens zwart won: kwestie van symmetrisch te repeteren en op het laatst wat dubbele acties en dialoogjes in te studeren. Mevrouw Persoon bedong nog een toelage bij het stadsbestuur, in laatste instantie. Het schaaktheater betrof immers ook een toeristisch evenement, en dat was een troef voor Walravebad. Vooral nadat regisseur Walter een keer op de streekzender was verschenen, vormde deze toelage geen probleem meer. Toen de financiële nood het hoogst werd, arriveerden de stedelijke centen op de rekening van de voorzitter. Gejuich alom in de schaakgelederen; er zou misschien zelfs winst gemaakt kunnen worden.
En de zomer naderde ras, buitelde over de duinen en palmde spetterend Walravebad in.
Het hoogseizoen
Walravebad … in de winter een plaatselijk verdoofd zeedorp … geprangd tussen de Koningin der Badsteden en nog een stiefzusje daarvan … in de zomer een refugium voor overspannen gezinnen en stellen die het niet zo voor kuddes en hordes hadden. De bevolking in Walravebad bolde in de maanden juli en augustus bij mooi weer ook wel op tot een twaalfvoud, maar van een invasie van toeristen, zoals in andere badplaatsen, was geen sprake. Dat was te danken (voor sommigen: te wijten) aan het gebrek aan duinen en een ligstrand. De zee kwam in Walravebad namelijk permanent heel dichtbij, tot vlak bij de stenen dijk. Alleen wandelaars kregen er dus een kans. Er waren ook beduidend minder appartementen in Walravebad dan ergens anders aan de kust.
Maar toch dus: een twaalfvoud.
Regisseur Walter zweette tot op de allerlaatste repetitie water en bloed. De meeste van zijn spelers bleken niet over veel inspiratie te beschikken. Hij had gehoopt dat de vondsten voor de heen-en-weerdialogen ook van hen zouden komen. Daarom vond hij een tweede truc uit: de stilte. Bij een zet of bij het slaan kon ook gezwegen worden: de beweging moest dan maar volstaan. Er diende niet altijd van woorden gewisseld te worden. Alleen de hoofdspelers Tsjech-mate (Spoetin) en Sapperloot (Jurkov) zouden bij elke zet hardop aan het woord zijn.
Ook het probleem van de geslagen stukken kreeg een oplossing; wegens plaatsgebrek op het plein zelf en om het kijkveld van de toeschouwers niet te hinderen, moesten de geslagenen de voorbehouden plaatsen vooraan op de tribune innemen, wit bij wit, zwart bij zwart.
De grote ogenblikken braken aan. Ongeveer twintig keer zouden de Ieder-Zijn-Rechters elkaar openbaar partij geven. Op de Vlaamse en de Belgische nationale feestdag, resp. 11 en 21 juli, zou dat zelfs tot tweemaal toe per dag plaats grijpen.
Die laatste vrijdag werd het Conscienceplein leeg gesleept door takeldienst Ravelingien. Je had altijd van die koppigaards die dachten dat de verkeerssignalisatie nooit voor hen telde. Er waren ook al een vijftal buitenlandse nummerplaten tussen. Geen genade, verordende de burgemeester, en ook die met een gehandicaptenkaart aan de voorruit!
Het baldakijn kwam er, in tweevoud zelfs. Die moest de witten en de zwarten min of meer tegen hemelwater beschermen. Ook de tribune voor het publiek, met de rugzijde naar zee, bood voor driekwart droog onderdak, maar dan mocht het niet te stevig waaien vanuit bepaalde hoeken.
Het duurde godbetert ellendig lang voor gevelschilder en decorbouwer Surplace aan de slag kon. Hij had er die vrijdag al een hectische werkdag opzitten. Zijn ‘volk’, twee leerjongens in totaal, was natuurlijk al foetsie voor het weekend. Voor de rest was iedereen van de toneelkring op de allerlaatste generale paniekrepetitie in zaal St.- Amandus: geen extra hulp beschikbaar. Met een nors gezicht en een gloeiende rug toog hij aan het werk met kalk & benodigdheden.
Rond middernacht kwamen de dappersten onder de Ieder-Zijn-Rechters poolshoogte nemen op het Conscienceplein. Na de generale hadden ze zich in hun stamlokaal Bij Amandine nog laten vollopen met inspiratie op de valreep. Ze knikten dat het goed was en klopten de al net zo dappere Surplace op de schouder.
‘Wat zouden we zonder gij zijn, Surplace!’
‘Gaat ge nog mee terug naar Amandine voor een laatste?’
‘Allez vooruit,’ snauwde Surplace, hij moest niet echt gepraamd worden.
‘’t Begint morgen toch maar na de middag hé.’
‘Eentje kan er nog van af.’
Schaakmat
Dag 01
Op de allereerste dag van het grote theaterschaakstuk golfde een schaterlach door Walravebad. Er bleken maar 49 hokken op de grond gekalkt te zijn: 7 x 7!
Surplace stierf zowat ter plekke onder al die verwijtende blikken en wrange opmerkingen. Er viel namelijk zo onmiddellijk niets aan te verhelpen: het 49-hokkige schaakberd strekte zich over de totale beschikbare oppervlakte uit.
Het werd dus een debuut in mineur voor toneelkring Ieder Zijn Recht. De geschreven pers rimpelde en kreukte al op voorhand van plezier en leedvermaak. De burgemeester en zijn gevolg verlieten woedend de tribune. Ook het volk droop ginnegappend af. Daarenboven kwamen in ijltempo donderkoppen als ongewenste zwangerschappen opzetten; weldra sausde het hemelwater wellustig neer, begeleid door knalgele wapperende bliksemserpentines.
Geen sprake dus van het ‘hercalculeren’ van dat bespottelijke schaakberd. De feestelijke avondsessie werd uiteraard ook afgeblazen. De Ieder-Zijn-Rechters trokken zich als geslagen honden terug Bij Amandine, minus Surplace, die totaal ontredderd aangekondigd had dat hij zich ging ophangen aan zijn eigen ruggengraat.
Dag 02
De Vlaamse feestdag. De leeuwenvlaggen wapperden. Na regen kwam zonneschijn. Een blakende zon spetterde oogverblindend over de daken van Walravebad. In de vroege voormiddag zond de toneelkring er een ploeg doe-het-zelvers in werkplunje op uit. Surplace zelf bleef onzichtbaar, maar ze mochten wel het nodige materieel uit diens garage betrekken.
Amper was de allereerste theaterconfrontatie omstreeks 15 uur eindelijk van start gegaan, of regisseur Walter kreeg via zijn oortje te horen dat Surplace de daad bij het woord had gevoegd. Minutenlang staarde hij perplex en wezenloos naar zijn stukken van mensen op het Conscienceplein. Dan besliste hij de premièrepartij door te laten gaan. Na het beleefde applaus omstreeks 16 uur 15 daalde hij met een doodgraversgezicht van de tribune af. Nog voor de avondsessie belegde Ieder Zijn Recht een spoedbijeenkomst Bij Amandine. Er werd niet meer geschaakt.
Dag 03
‘We zouden zwart kunnen laten winnen.’
‘Of zwijgend schaken.’
‘We moeten toch iéts doen.’
‘Of niets.’
Dag 04
Sapperloot stond nu echt schaakmat. Zijn Daniëlla en zijn schaakmaat Tsjech-mate waren verdwenen. Ze werden het laatst gesignaleerd de avond ervoor, in het stamcafé. Samen? Allicht, ongeveer iedereen van de kring was daar.
Hoe hard iedereen ook op hen stond te wachten, ze daagden niet op. De burgemeester vond het welletjes. Hij verordende terstond de afbraak van de baldakijnen en de tribune. Een halfuur later rukte ook een ijlploegje aan om de gekalkte hokken op het plein weg te spuiten. Auto’s konden weer betalend parkeren.
Naweeën
‘Ja, het is een denksport hé … ‘
‘Hij heeft verdomme zijn eigen koningin geschaakt!’
‘Ewel merçi ! Van in ’t zwart gesproken … ‘
‘En weet Sapperloot nu al van meer?’
‘Het schijnt dat ze ergens in ‘t Brusselse samenhokken, den Tsjech kent overal de weg hé.’
‘ … en vooral de achterpoortjes … ‘
‘Ja, Sapperloot moet een brief gehad hebben.’
‘Hm … die Freya … ‘
‘Wat is er van dat kind?’
‘Hebt ge dan geen ogen in uw kop?’
‘Ah … jaja … nu ge ’t zegt … ‘
‘We hadden beter voor het damspel gekozen: iedereen gelijk, iedereen even plat.’
‘Ja, maar sommigen liggen nu ook plat hé.’
Sapperloot himself, slachtoffer tweede klas, was zelfs niet op de begrafenis van Surplace te zien. Hij vroeg ook overplaatsing naar de provinciale kantoren: die dagelijkse trein naar de hoofdstad zag hij niet meer zitten. Het Communicatiekind bleef met hem communiceren, ettelijke zittijden lang.
Theater + Schaken ?
In Walravebad aan de Noordzee werd de toneelkring Ieder Zijn Recht ontbonden. En ‘spelen’ en ‘schaken’ kregen er een spreekwoordelijke betekenis bij. Het werd nog een wisselvallige zomer.
25-08-10
Lotto
LOTTO
01
Op het ogenblik dat de U.S. of A. 300 miljoen inwoners telde, werd op het huisnummer 79/2B in de Donkerstraat van de provinciehoofdplaats Kerel Gheeraerdijn wakker uit een middags hazenslaapje, waarin hij het bezoek had gekregen van met tomahawks zwaaiende indianen die zijn vlees en bloed en huid en haar wilden.
‘Ugh ugh, net echt,’ mompelde hij. ‘Hoe is dat mogelijk en waar komt dat godverongelukt vandaan?’
Op de radio, die Kerel dag en nacht liet spelen, deelde de nieuwslezer mee dat in die U.S. of A. om de 11 seconden een nieuwe mens werd geboren. Ook behoorde 1/3 van de inwoners tot een minderheid, waarvan de hispanics met 13 % de grootste groep vormden. Rekening houdend met sterftecijfer, emigratie, immigratie en geboortecijfer was dus het ronde getal van 300 000 000 bereikt.
‘Van harte gelukgewenst, U.S. of A.’ zei Kerel. Hij knipperde de slaap uit zijn ogen, joeg de indianen weg uit zijn hoofd en keek op zijn horloge.
‘Intussen alweer 2,8 kinderen erbij,’ dacht hij. ‘Ik zit er voor niks tussen. Aan deze explosie van kinderen heb ik geen schuld. Althans: niet op dat continent.’
Kerel Gheeraerdijn, 32, was een tijd geleden ontslagen als begeleider van Nationale Loterijwinnaars. Dit was zijn eerste echt werkloze week, in zijn nieuwe maar goedkopere appartement. Eerder een onderduikadres. Hij ging postvatten aan het venster, geeuwde, duwde een gordijn opzij en staarde naar de Donkerstraat in de diepte. Druilregen veroorzaakte haast bij de mensen. Kerel huiverde in hun plaats.
Toen viel zijn blik op …
02
… Birde probeerde door de braadpan-truc te onthouden wat ze allemaal mee moest brengen: een rozijnenbrood, een bosje radijzen, een zak aardappelen, een blikje ansjovis, een tros druiven, een pak paneermeel, een kilogram andijvie en een halve kilogram walnoten. Het zou misschien net allemaal in haar eigen winkeltas kunnen. Anders zou ze een plastic warenhuiszak extra kopen.
Ze sloeg de Donkerstraat in. Af en toe diende ze een paraplu te ontwijken. Die ondingen konden je de ogen uit prikken. Vooral voor gewapende kleine mensen was het uitkijken. Hun paraplu bevond zich op ooghoogte van de grotere medemensen, en sommige van die onderdeurse parapludragertjes stapten blindelings door, zich nietsontziend een weg banend door onbeschermd reuzenvlees.
‘Afschaffen die parapluhandel,’ mompelde Birde boos. ‘Koop in de plaats condooms om te beletten dat jullie jezelf gaan voortplanten. Betere voorbehoeding tegen het mensdom! Leve de regen!’
Een grote regendruppel pletste pardoes op haar voorhoofd en zocht zich via haar rechterneusvleugel snel een weg tot in haar hals.
‘Bwèèh.’ Ze keek naar boven, van waar die waterkogel vandaan kon komen.
Toen viel haar blik op …
03
… Kerel trok zich ijlings terug. In één ruk werd hij weer geconfronteerd met zijn ontslag. Had ze hem gezien? Natuurlijk had ze hem gezien. Signalement: mannenhoofd aan appartementvenster om 14:35 op een dinsdagmiddag. Dat kon niet onopgemerkt blijven. Het was gezien. In zijn hoofd ontrolde zich razendsnel de film van de afgelopen maanden. Geratel van de balletjes in de loterijcarrousel. De lucky numbers. Contact met winnares B. Huisbezoek. Euforie, natuurlijk: hemelsbrede euforie. Kerel was dat gewend. Hij kon daar mee om. Hij was getraind. Opeenvolgende huisbezoeken, geheimhouding. En dan gebeurde het. Schending van een der belangrijkste geboden, zoniet het allerbelangrijkste: Gij zult u op generlei wijze binden aan of verbinden met een hoofdwinnaar/-ares, ook niet in de toekomst.
B. had zich aan K. gegeven, tot driemaal toe. K. had B. genomen, tot driemaal toe. En K., krap bij kas zijnde, had daarenboven gretig een aanvankelijke gulle gift aanvaard. Euforie alom, double blinded by love & money.
Het had welgeteld 11 dagen geduurd vooraleer de Huisgeheime Dienst van Interne Loterijzaken ingreep – in de figuur van een tot dan toe ‘beste’ vriend en collega van Kerel. Alles was gezien; niets bleef onopgemerkt. Het leven was een lotto. Die werd gewonnen en verloren door …
04
… Birde was niet alleen bezwangerd met centen. Er zat een kind aan te komen. Een puur gelukskind. Een Kerelskind. Na de val van Kerel Gheeraerdijn hadden ze elkaar nog tweemaal gezien, met een tussenpoos van een maand. Het was telkenmale op een dronken ruzie uitgedraaid. Wie was begonnen? Wiens schuld was het? Wat met dat kind? Het liefdesgeld dat Birde aanvankelijk aan Kerel had willen schenken – een aardige som, het kon er van af – bleef ergens vlotten tussen 2, 3 rekeningnummers, noodgedwongen: een extra ingreep van de loterijdetectives. Het kind, daarentegen, groeide. Birde werd ochtendmisselijk; Kerel werd constant misselijk. Hoe kon hij zo stom geweest zijn. Ze ontmoetten elkaar niet langer. Een breuk.
Die hatelijke kop tweehoog had Birde in een flits herkend. Zeker weten dat hij het was. De snelheid waarmee hij zich teruggetrokken had … Aha, daar hokte hij dus. Ze stak de straat over, liep 100 meter door, keerde op haar stappen terug en controleerde de namen onder de parlofoon- en belknoppen van het appartement 79. Onder 2B stond: FRIEDLAND. Alle andere waren gewone mensennamen. Birde wist dat FRIEDLAND een merknaam van deurbellen was. Hier verborg hij zich dus echt, die Kerel. Ze belde eenmaal hard aan en haastte zich dan weer de straat op, richting warenhuis. Hopelijk zou die hufter van een …
05
… Kerel schrok zich rot. Die bel snerpte door zijn hoofd, zijn hart, zijn ruggenmerg. Hij bleef stokstijf staan en hield – tweehoog – zelfs de adem in, alsof dat zou helpen, maar waartegen, godverdomme? Hij hield zijn hoofd nu schuin, gereed om een tweede vreselijk schelgeluid te incasseren. Dat kwam niet. Naar het raam durfde hij niet terug. Hij week er nog enkele stappen verder vandaan. Misschien stond ze aan de overkant van de straat, met dodelijke ogen te wachten tot hij weer … Hij hoorde stappen op de trappen, maar die stierven benedenwaarts uit. De schrik sloeg hem om het hart bij de gedachte dat ze ook elk moment aan kon kloppen. Want ze had hem hoogstwaarschijnlijk herkend. Hij sloop naar het muziekmeubel en schakelde de radio uit. Het bleef verder akelig stil in het appartementsgebouw, terwijl buiten het woeden van de wereld zijn gang ging. Het boze keffertje van taverne ’t Paleisje hapte naar de kuiten van voorbijgangers en werd uiteindelijk door de waardin druipnat naar binnen gedraineerd, druilauto’s passeerden in een trage karavaan op druilbanden door de druilstraat, en op de trottoirs weerklonk gedempt gevloek, en in de auto’s weerklonk bevrijdend gevloek, en iemand kreeg de balein van een paraplu onzacht tegen zijn voorhoofd, en iemand kreeg een gulp hemelwater tegen zich gesproeid doordat zo’n druilauto te dicht tegen de trottoirband reed, en terwijl Kerel minutenlang als een wassen beeld met gespitste oren bleef staan luisteren naar niets en alles en terwijl de wereld alsmaar doorwoedde en terwijl …
06
… Birde dook het warenhuis C&P in. Braadpan. Braadpan. Braadpan. Hoewel ze een miljoenenwinnares van de Nationale Loterij was, zou ze zoals voorheen de eurogetalletjes en de percentjes in C&P scherp in de gaten houden. Het ‘grote geld’ was voor een vuurtoren in Frankrijk, een diamant in elke tand en natuurlijk een weeshuis in India. En met het restitutiegeld dat ze nog van de loterij tegoed had, de som namelijk die die hufter van een Kerel Gheeraerdijn haar in den beginne afgetroggeld had, zou ze uiteraard om de wereld reizen, in pakweg 80 dagen. Birde glimlachte en boog zich over de vrieskasten met de voorverpakte lekkernijen. Intussen werd ze bezocht door diverse visioenen. Ze bleef glimlachen.
Visioen 1. Elke letter van braadpan stond voor een ingrediënt waarvan de totale mix een bom opleverde die Kerel Gheeraerdijn in vele mootjes naar de andere wereld zou helpen. Alle ingrediënten waren hier in C&P te koop.
Visioen 2. Elke letter van braadpan voegde toe aan een heerlijk gerecht, dat ze hedenavond met liefde voor Kerel Gheeraerdijn toebereiden zou, en dat ze dan samen in een groot verzoeningsritueel zouden nuttigen. Bah.
Visioen 3. Ik sla hem de schedel in met die braadpan.
Visioen 4. In die braadpan ontdooide Birde voor haarzelf en het kind de diepgevroren schapenbout uit C&P waarmee ze Kerel Gheeraerdijn deze week de kop had ingeslagen.
Visioen 5. Monologue intérieure. Baalkop. Rukker. Aasvreter. Azijnpisser. Droplul. Patjakker. Addergebroed. Nageboorte.
Cut visioenen. Terug naar de werkelijkheid.
Even later liep Birde het warenhuis door, alsmaar het woord Vegas mompelend. Achtereenvolgens plukte ze vanillestokjes, eieren, gelei van rode bessen, geitenmelk, arrowroot en suiker uit de rekken. Thuis prikte ze het aankoopticket op haar keukenbord. Diezelfde avond ging ze stiekem een hoeveelheid korte bladeren afknippen van de geometrisch gesnoeide Taxus baccata-haag op de begraafplaats Spes Nostra. Het leven was een lotto; de wereld een Vegas.
07
… Kerel wreef zich letterlijk de ogen uit toen hij Birde’s invitatie las. Droomde hij? Het adres klopte volledig. Ze moest hem dus wel degelijk gezien hebben, die regennamiddag aan het venster. En die bel moest van haar gekomen zijn. Het was een teken geweest. Of misschien wou ze toen echt wel bij hem aanlopen! Waarom was hij toen in ’s hemelsnaam niet onmiddellijk naar beneden gestormd!? Het zweet brak Kerel uit, terwijl gelijk zijn hart van blijdschap harder begon te kloppen. Nu had ze hem geschreven. Etentje. En of dat bij hem kon; haar moeder zou bij haar maar wijsneuzig en storend in de weg zitten. Zij zou zelf koken, hier bij hem op het appartement. Lekker gezellig samen. Ook wel even praten hoor. For old times’ sake. Kerel Gheeraerdijn graaide haastig naar zijn mobieltje.
08
… Birde bracht ½ l geitenmelk met 1 vanillestokje en 100 gram suiker aan de kook. Ze klopte 4 hele eieren los met de arrowroot en nog eens 100 gram suiker. De losgeklopte eieren voegde ze roerend bij de kokende melk. Ze liet het goedje 2 minuten koken, immer roerend, en voegde er onmiddellijk ook haar geheime ingrediënt aan toe. Daarna goot ze het in enkele vormpjes over, niet helemaal tot aan de bovenrand. Het geheime ingrediënt viste ze er voorzichtig weer uit, pas nadat de pudding was afgekoeld en opgesteven. Ze smolt vervolgens de rodebessengelei, goot die op de pudding en liet alles opstijven in de koelkast.
09
… Kerel Gheeraerdijn slikte op het ogenblik dat de U.S. of A. 300 078 932 inwoners telde zijn vierde berehap pudding-van-geitenmelk-met-gelei-van-rode-bessen door. Birde keek geboeid toe op deze lekkerbekkenij. Toen haar gastheer stilaan buiten westen verzeilde, prikte ze het aankoopticket uit C&P op zijn memorybord boven de kitchenette. Vervolgens deed ze de vaat voor één persoon. Rustig maakte ze zich daarna uit de voeten. Niemand had haar zien toekomen of weggaan.
25-07-10
Wild!
WILD!
In het land waar het op dinsdag altijd regent, was het woensdag. De chef-kok van restaurant PAPILLO was slechtgemutst. De regen sausde die dag namelijk ook onverdroten naar beneden.
‘Ik lust je rauw, groentje!’ snauwde hij naar de kersverse dessertkok. Die had net per ongeluk (leek het) een klodder chocolade in een van de frituurmanden gekatapulteerd. Toch een fraai staaltje van culinaire ballistiek, voorwaar; het was van dezelfde orde als het omhoog gooien van pannenkoeken of het zwierige jongleren met pizza’s. De werkplek van Tore was immers ettelijke stokbroodlengtes verwijderd van de brand- en sishaard van chef-kok Rudy.
‘Slay no more,’ mompelde de polyglotte Meredith, een duvelinnetje-doet-al dat alle kook-, look- en rookproblemen in het keukenvagevuur van restaurant PAPILLO diende op te lossen en dit wonder boven wonder ook vaak deed. Ze trad ook als wrevelagente op tussen veeleisende gasten en overspannen keukenpersoneel. En bovenal slaagde ze er meestal ook in dat heethoofd van een Rudy te sussen.
‘Godverse keukenclown!’ foeterde Rudy. ‘Dat is hier nog maar een week en … ‘
‘Maar het was per ongeluk, chef!’ zei Tore
‘Taarteklaai.’
Het was het wildseizoen van de pechvogels. Mensen wilden angsthazen en hoenderachtige bos- en veldbewoners opeten, geflankeerd door flonkerende wijnen waarin de okeren en paarse herfst zich weerspiegelde. Chef-koks zweetten zich een vetlaag minder; hun personeel moest het vaak ontgelden.
Het was in deze constellatie van leenroerige tijden voor afgeknald wild en likkebaardende mensen dat meneer Cyriel aan tafel 12 in het alom geprezen PAPILLO zich tegen zijn vriendin Amber liet ontvallen: ‘Tiens, al eens op gelet? De meeste chef-koks zijn mannen. Dieren koken en kindjes kopen … dat is te veel gebraad en gebroed ineens hé … hihihi … Vrouwen kunnen dat niveau blijkbaar … ‘
Verder was zaakvoerder Cyriel Deforche van de firma ClothPlus niet gekomen. Directiesecretaresse Amber had niet geaarzeld tussen het glas water of het glas rode wijn. Van het aangelaat van meneer Cyriel – een gesperde ster van verbijstering – biggelde nu een soortement bleek bloed. Overgeleverd aan een gamma van gevoelens keek hij schuldbewust naar het geultje tussen haar borsten, waar zich ook een riviertje rood een weg zocht. Ondertussen voelde hij vele ogen branden in hun richting.
‘Blijkbaar, Cyriel, blijkbaar ??!!’
Meneer Cyriel zweeg als vermoord, bang voor een tweede waterval, nou: wijndouche.
‘Heeft zo’n chef-lul als es een kind uit die lul geperst? Zijn buik opengereten met een van zijn keukenmessen om er een klein chefje uit te sleuren? En dan zeventien jaar lang voor dat bloederige ding gezorgd? Hé Cyriel? Heb je daar ooit al es aan gedacht?’
‘ … ‘
Meneer Cyriel reageerde nog steeds niet. Hij begon nu met langzame bewegingen de rode zee over zijn gezicht en kleren in te dijken en te deppen, terwijl Bach nu even manifester weerklonk: ergens had iemand ijlings aan een volumeknopje gedraaid. Amber negeerde het riviertje Bordeaux tussen haar tieten.
En toen zwierden de keukendeuren open en dicht, en kwamen de patrijzen eraan, terwijl chef-kok Rudy de ober even in de gaten hield door een patrijspoortje.
‘Amber … potverdorie toch … ‘ mompelde Cyriel, terwijl hij vanuit zijn ooghoeken de collateral damage in het restaurant probeerde op te nemen. Dat viel tegen: zowat iedereen zat ze aan te gapen. Gelukkig kwamen de gebraden vogels eraan. De ober negeerde het slagveldje volkomen en lichtte vrolijk de stolpen van boven de borden.
‘Alstublieft, mevrouw, meneer. Smakelijk.’
‘Hm.’
‘Dank u.’
Gedempt gepraat nam weer een aanvang, maar het was duidelijk dat het her en der nog over de overval met rode wijn ging.
‘Wat bezielt je toch … ‘
‘Besef je eigenlijk wat je gezegd hebt?’
Cyriel Deforche van ClothPlus verfrommelde zijn met wijn doordrenkt soepservet tot een bloederig propje.
‘’t Was maar om te lachen, Amber.’
‘’t Was inderdaad maar om te lachen, Cyriel, om zuur en groen te lachen. Zie ze nu loeren allemaal. Bah, ik heb helemaal geen trek meer.’
‘Ze kijken, Amber … ‘
‘Pff … ClothPlus is toch niet beursgenoteerd hé. Dàt ze kijken …’
‘Maar zie mij hier nu zitten!’
‘Jaja … de bevlekte ontvangenis hé. Eigen schuld, dikke bult.’
‘Kon je je dan niet beheersen? We zijn hier wel in de PAPILLO hé.’
‘Beheersen?! Bij zo’n godgeklaagde opmerking? Dat kon ik niet over mij laten gaan hé! Het is niet omdat … ’
‘Was dat nu zo erg, Amber?’
‘Stop maar dat ge-Amber; je wint er niets mee.’
‘Eet je niet?’
‘Nee.’
Amber bleef met starre laserblik de patrijs op het bord van haar werkgever doorboren. En de oneindige Vlaamse regen biggelde in naarstige straaltjes van de ramen van restaurant PAPILLO.
Meneer Cyriel haalde zijn schouders op. Hij knoopte zijn vest dicht om de ergste wijnvlekken aan het zicht te onttrekken en greep naar zijn bestek.
‘Ga je je zelfs niet excuseren?’
‘Hé?’
Mes en vork stokten in hun beweging; ze wezen falanxmatig schuin omhoog in de richting van het kreng dat nu nog een verontschuldiging eiste ook.
‘Maar wat zeg je nu toch?!’
Amber bleef gevaarlijk roerloos; alleen haar ogen vernauwden zich even tot spleetjes. Cyriel D. keek even naar het lege wijnglas en het volle glas water voor haar. Er was nog niemand opgedaagd om haar wijnglas bij te vullen. Zijn eigen wijnglas was halfvol en aan zijn glas water had hij nog niet genipt.
‘God-verrr-domme,‘ deed hij dan langzaam, hij nam er zijn tijd voor, de r rollend als een ingehouden brul, de tanden op elkaar geklemd, het kwam als een braakbal uit de diepten van zijn buik, hij leek het kapot te kauwen en in haar gezicht uit te spuwen. Vlak daarna zetten zijn mes en vork zich in beweging, in de richting die hij daarnet al verbouwereerd had uitgestippeld.
Niet de dode patrijs, maar de beide wangen van directiesecretaresse Amber waren de vleselijke porties waarin meneer Cyriel met onbedwingbare woede zijn mes en vork plofte. Hij schrok van zijn onbesuisde daad, sprong op, maar Amber was met een gruwelijke gil nog vlugger opgeveerd. In haar rechterwang stak een vork, in haar linker een mes.
Andermaal kleurde een en ander rood.
Verbijsterd keek iedereen toe hoe Amber met een robotachtige tolbeweging op de grond kukelde. Kreten van afgrijzen weerklonken alom. Toen kwam Meredith toegesneld, gevolgd door Rudy en Tore. Ze ging schrijlings op Ambers buik zitten, spreidde haar armen, zette er dan haar knieën op en trok vervolgens met één snelle beweging het bestek uit de beide kanten van het hoofd van het slachtoffer.
Ondertussen had ook een dappere gastronoom zich op meneer Cyriel gegooid. Ze lagen nu naast elkaar op de grond, terwijl de man Cyriels armen achter diens rug in bedwang hield.
Met bloedende konen werd het bestekslachtoffer door Meredith naar de keuken afgevoerd. Dat was niet naar de zin van enkele gasten, die verontwaardigd hun borden van zich afschoven en aanstalten maakten om de PAPILLO te verlaten. Uit die keuken viel immers niks goeds meer te verwachten.
Meneer Cyriel werd nu door de koks rechtop gezeuld en ook gevankelijk weggeleid.
Toen braken de stemmen los in het restaurant.
‘Die menseneter …! Heb je dat gezien? Die verdient de doodstraf.’
‘Zij is wel begonnen hé!’
‘Ja, maar moet ze daarom als een steak behandeld worden?’
‘Die zal heel lang niet gekust kunnen worden.’
‘Wat gaan ze er nu mee doen?’
Toen kwam plotseling meneer Cyriel weer tevoorschijn. Stilte alom.
‘Er is … er is toevallig geen dokter in de zaal hier?’
Enkelen schudden van nee. Cyriel Deforche verdween weer.
‘En de politie? Moet de politie hier niet zijn?’
‘Of de 100. Moeten wij de 100 niet bellen?’
Toen verscheen wrevelagente Meredith.
‘Storm in een glas water, nou: wijn,’ zei ze tegen iedereen in het algemeen. ‘Een eh … een woordenwisseling. De dokter is gebeld. Geniet u rustig verder, dames en heren. Met excuses vanwege chef-kok Rudy en het personeel. Het zal niet meer gebeu … ‘
In de keuken weerklonk een ijselijke gil.
De inderhaast gealarmeerde bevoegde diensten konden alleen nog maar de gastronomische dood van dessertkok Tore constateren. Chef-kok Rudy had diens hoofd secondelang in een van de grote borrelende sissende frituurmanden ondergedompeld. Regen biggelde tappelings van de keukenramen, waarachter zich een weergaloos panorama ontvouwde.
13-06-10
Winnetou
WINNETOU
Winnetou Degrande was noodgedwongen een navelstaarder. Hij zat al jaren in een rolstoel en keek dus nillens willens recht in de buiken en navels van de ‘lopers’, zoals hij de tweebenigen noemde. Vaak zeilden de blikken van die lopers zelf over hem heen. Dat hield twee mogelijkheden in.
1. Hij had net zo goed iets doods onder hun voeten kunnen zijn.
2. Ze probeerden luchtig om te gaan met zijn beperking en vooral niet naar zijn wielen te kijken die zijn lamme benen vervingen.
Om hem van een dezer mogelijkheden te vergewissen, diende Winnetou Degrande zelf beaat zijn hoofd te heffen en hen ogenschijnlijk onderdanig aan te kijken, als een hondje dat een koekje is beloofd als het eens gaat opzitten.
Aan de beperking van Winnetou was een ongelofelijk verhaal verbonden, niet zozeer omwille van het verhaal dan wel omwille van zijn naam. Zijn naam was er namelijk eerder dan zijn lot. Een pijl had Winnetou’s onderste ledematen definitief verlamd. Dat gebeurde toen hij elf jaar was. Elf jaar lang heette hij al Winnetou, Degrande. Nou, zo’n jongen met zo’n naam kon het in de jeugdjaren toch niet aan pijl-en-boog ontbreken?
De daders die hem zijn naam hadden berokkend (de vrouwelijke en de mannelijke verwekker, een Karl-Mayfan) kochten hem voor zijn tiende verjaardag een set van boog-en-pijlen waarop een klant- en kindvriendelijk embleem prijkte. Winnetou en zijn maten werden bedreven in de speelgoedversie van de schutterssport. Zo bedreven dat ze meer wensten. Dus begonnen ze ‘echte’ pijlen te snijden en te kerven in het gemeentepark. Zo’n echte pijl trof de inmiddels elfjarige Winnetou Degrande vol in de rug. Na vele hopeloze maanden in ziekenhuizen kreeg Winnetou dan maar wielen voorgeschreven. Van dan af leidde hij een zittend bestaan.
Op twintigjarige leeftijd werd hij dartskampioen op de Paralympics in Seoel. Hij mocht bij de koning op de koffie. Omdat precisie zijn vak leek te zijn, werd hij ook gevraagd voor het nationale rolstoelbasketbalteam. Dat hield hij even in beraad. Hij hield niet van opspattend zweet en lijfgeuren in volle actie.
Winnetou Degrande had een grondige hekel aan het etaleren van tatoeages. Niet aan tatoeages op zich. Hoewel. Sommige waren best wel te pruimen als een soort van (hoeveelste inmiddels? tiende?) kunst. Maar het ongevraagde showen van persoonlijke iconen op de huid van vooral armen, benen, ruggen en borsten vond hij een inbreuk op de intimiteit zijn. Als je je op pakweg twintig centimeter van zo’n blote heldhaftige bovenarm of beschilderde kuit bevond, was het net alsof je verplicht werd deel te nemen aan een intimiteit die je zelf helemaal niet wenste. Zo’n tatoeage hoestte je recht in je gezicht toe. Om nog maar te zwijgen over de kijkvervuiling in de meeste gevallen: onbeduidende, niet ter zake doende Japanse kronkels, afzichtelijke draken, belachelijk gevederde indianenkoppen en in het ergste geval de vrouwennamen en de doorpijlde harten.
Dat en het gedwongen navelstaren waren Winnetou doornen in het oog. Hij kreeg er een combinatie van voorgeschoteld op een dartstoernooi in Bournemouth: laaghangende bierbuiken en bovenarmse tatoeages.
‘Hoe komen die linksrijdende eilandbewoners toch aan die gigantische bovenarmen?’ vroeg hij zich herhaalde malen hardop af. ‘Vanwaar die grote vleesoppervlakken, waarop ze hun wansmakelijke gedrochten laten schilderen?’
‘Beer and biology hé,’ grinnikte Freek, een teamgenoot.
‘En jij bent ook niet van de smalste, na al die jaren karren,’ merkte Jill op, terwijl ze een gespierd gebaar maakte. Zij was de lopende mascotte van dartsvereniging Pickery Club, in de volksmond: de pik erin. De eigenaar van hun stamcafé heette namelijk Ivan Pickery. Hij had het af en toe met recht en reden over ‘mijn PC’, die hij sponsorde middels een tweedehands busje om gooitoernooien mee af te dweilen. Zowel zijn café als het busje waren voorzien op lopers en tweewieligen ofte navelstaarders. Van deze laatste categorie telde de Pickery Club er vier; een mooi staaltje voorwaar van diversiteit en flexibiliteit, de intellectuele modewoorden van de laatste jaren.
Bournemouth beloofde een mooi driedaags uitje te worden. Door veel spaghetti te eten, was ook de kas van de PC gespijsd. Jill had daarbovenop nog asjeblief 300 € gewonnen met een openbare partij strippoker, voor het goede doel. Er kwam zelfs wat subsidiegeld van overheidswege – a posteriori natuurlijk, na het indienen van een dossiertje – omdat het een schoolvoorbeeld betrof van gemixte sportbeoefening en internationalisering. De PC had daar door het vallen en opstaan van alsmaar oude en weer verse regeringen en excellenties handig gebruik van weten te maken.
Mastodonten van mannen en gevaartes van vrouwen namen aan het gooitoernooi deel. Alleen de Bulls uit Exeter telden ook een rolstoelgebruiker in hun rangen, een eenarmige dan nog wel. Zelfs zittend leek hij nog de afmetingen van een reus te hebben.
‘Dat is alvast één getatoeëerde arm minder,’ grinnikte Winnetou tegen Ivan.
‘Ja, maar wij bleekscheten vallen hier wel op door ons blanco velletje hé.’
‘Die Engelsen dragen permanent de oorlogskleuren.’
Winnetou keek strijdlustig om zich heen. In de Pickery Club werd hard op hem gerekend. Hij was immers sedert de Paralympics in Seoel hun kampioen. Na urenlang getok van de pijltjes op de dartborden prijkte PC op de vijfde plaats. Niet mis voor een ploegje van het vasteland, maar het kon beter. Jill wreef Winnetou’s rechterarm en die van de anderen in met een geheime mengeling waarvan ze alleen de ingrediënten ossengal en brollèrt (een Hongaars plantenextract) prijsgaf.
Winnetou kreeg het echter stilaan op de heupen in dit bos van tatoeages op blote basten. Bijna iedereen op dit eiland leek geprikt of geperforeerd. Zowel vrouwen als mannen sjokten met heelder fresco’s op hun vel rond.
Op de derde en laatste dag struikelde zo’n vleselijk gevaarte bij het achteruitstappen over Winnetou en zijn tweewielige vehikel: een kolos met zo’n potsierlijke indiaan in zijn bovenarm gekerfd.
‘Bloody … !!’
‘Godverdomme … schildersezel!’ riep Winnetou kwaad. Het was even zoeken naar de juiste bewoordingen. De Nederlandstalige omstanders barstten in lachen uit.
Schildersezel!?
Maar het Engelstalige gevaarte – dat langzaam uit zijn bedenkelijke positie weer oprees; hij had even beduusd als een reuzenbaby op Winnetou’s schoot gezeten – gaf geen blijken van goodwill. Hij vatte de schaterbui kennelijk als een belediging op.
‘What did you say, wheelman?’
‘ … ‘
‘Eh?’
Er viel een geladen stilte. De oeros stond nu op drie meter afstand van Winnetou.
‘Come on, man … ‘ probeerde Freek in zijn beste Engels te sussen.
‘You watch your steps, sir,’ voegde Jill hem toe.
‘Fuckin’ wheels … Do we shoot sitting ducks here or what?’
Winnetou’s ogen veranderden in gevaarlijke spleetjes, zoals ze er de fractie voor elke worp uitzagen. Hij kneep hard in zijn bundeltje pijltjes. Ze gloeiden in zijn hand.
‘Bull’s eye!’ riep hij plotseling. Zijn hand rees en hij mikte met volle kracht zijn drie pijltjes tegelijk in de bovenarm van de kerel.
‘Roos!’
De pijltjes boorden zich gezamenlijk in het ene oog op het zijprofiel van de foeilelijke indiaan.
‘Ten points for Belgium!’
Verbouwereerd keek het slachtoffer naar de pijltjes in zijn bovenarm; aanvankelijk vergat hij het uit te schreeuwen.
‘Bastard! Stupid Belgian bastard!!’
Toen waren alle rapen gaar. De eindfase van het dartstoernooi in Bournemouth ontaardde in wat men iets later in de Engelse kranten de DARTS CLASH is gaan noemen. Eén Vlaamse krant bracht het bericht op bladzijde twee, getiteld OP JE VOGELPIK GETRAPT. De volgende dag namen alle andere kranten het bericht over. Er werd duchtig met het woord ‘pik’ gejongleerd. Winnetou Degrande prijkte plotseling op enkele voorpagina’s. De minister trok prompt de beloofde subsidie in. De Pickery Club was geen voorbeeldig ambassadeur in het buitenland geweest, vond zij.
Gevraagd naar een reactie hierop, antwoordde Winnetou:
‘Van een pijlsnelle reflex gesproken.’
Hiermee (en met de hele zaak) scoorde hij bij de bevolking, die hem vijf dagen lang als een Bekende Vlaming beschouwde.
12-05-10
Rolex
ROLEX ‘Time is on my side’ Meneer U neukte mij in de nacht van vrijdag op zondag. Ik vond het heel fijn. Deze liefdesdaad vormde zelfs even een bron van vermaak, gedurende enkele seconden. Maar nu zit ik met een probleem. We zullen samen een kind hebben, na mijn quarantaine van de gebruikelijke dracht. Uw horloge ligt hier nog (u was zo attent dat af te leggen teneinde me niet te verwonden tijdens het liefdesspel), maar u heb ik sindsdien niet meer gezien. Daarom neem ik even de laptop ter hand om u te schrijven. Hierbij volg ik slechts gedeeltelijk de BIN-normen van de briefschrijverij. Die zijn, zoals u weet, opgelegd door het Belgisch Instituut dat alles wil ‘normaliseren’, zeg maar: beveiligen. Grijzemuizenklerezooi, zeg maar. Nou, ik bied u alvast ook een platte tekst aan, zonder veel plichtplegingen. Wat ik verder met mijn gevoelens aanvang, daar zijn immers in geen enkel instituut woorden voor. En ik mag alvast hopen dat onze nakomeling nooit ofte nimmer een uniform of apenpakje zal dragen. Denk nu niet onmiddellijk dat ik driftkikkerig te werk ga. Nee. De lengte van deze brief bewijst het tegendeel. Wil u eventueel de àndere metaforische richting uit: ik voel me momenteel zo koel als, nou, een kikker dus. De associatie met ‘kikkerdril’ laat ik hierbij in het midden van onze vijver, zegge en schrijve: poel van ellende. Allerlei vormen van humor zijn hier misplaatst. Toch brengt die onvermijdelijke associatie me bij mijn volgende bedenking. Lees maar: overtuiging. Het kind dat u en ik samen hebben uitgelokt, wil ik wel degelijk geboren laten worden. Dat is, na de dans van de miljoenen waterkansen, een van de twee mogelijkheden. Het is leven of niet-leven. Wat is de mens toch een vrij wezen, nietwaar? Het wordt een mooie herinnering, die alsmaar groeien zal. De gedachten aan een universitaire opleiding voor onze uk zet ik vooralsnog even opzij. Maar ondertussen zullen zich het komende anderhalve decennium diverse onkosten voordoen. Het mag onze verse wereldburger aan niets ontbreken, voorwaar. (Terwijl ik naar uw horloge zit te kijken, zie ik de tijd voorbij tikken. Dure tijd. Time is money, honey. Uw polsslag zit er zelfs nog in. Hoe onachtzaam and yet toch zo symbolisch van u dat voorwerpje mij hier na te laten! Of kwam u graag nog eens terug naar de plaats van de moord? Beschikt u eventueel nog over het garantiebewijs?) Tja, dat u nu, net voor de herfst van uw leven aanbreekt, ik bedoel wel degelijk uw levensherfst, nog een nakomeling scoort! Het moet zoiets zijn als het plotse opduiken van een vliegtuig in het mariablauwe zomerzwerk van de vijftiende eeuw. Dat had u nooit verwacht, hé? U hield er totaal geen rekening mee. U liet alle profylactische bekommernissen gemakshalve aan mij over. U bent immers een man. Nou, weest u verder maar eens flink man. Ook bij u begon het ooit met een ijverige zaadcel. Iets substantieels van uzelf zal nu binnenkort mee de aarde helpen bevolken, deze blauwe plek in het heelal. Bidden we samen om body & soul, gevoel & rede. Een ietsje meer mag best. Ik ben van plan binnenkort ochtendmisselijk te worden. In vroege treinen zal ik bijvoorbeeld onverwacht overgeven. Bedienden en scholieren zullen een halte te vroeg doen alsof ze ter bestemming zijn en een ander compartiment opzoeken. Een ietsepietsie uw schuld, vindt u niet? Ook zal ik een niet te onderdrukken neiging vertonen om ononderbroken bananen te vreten. Waarschijnlijk neem ik tevens grote hoeveelheden avocado’s tot mij. De vrouw van de Vivo om de hoek zal misschien als allereerste wat langer in mijn ogen kijken, dan naar mijn buik, daarna naar haar weegschaal voor gezond fruit en gezonde groenten. Opzwellen zal ik ondertussen gestaag. Bij de eerste prenatale penalty’s wil ik evenmin nalaten u even op te bellen, weze het dag, weze het nacht. Dan wil ik geen voetbaltermen van u te horen krijgen. ‘Ze schoppen hem misschien half-do-od’, weet u wel. Het kan zich natuurlijk ook zo voordoen dat u mij af en toe frequenteert met lieflijkheden zoals daar zijn tulpen, pralines, oorbellen of een kijkboek met textielmotieven betreffende de wieg. Allerhande versnaperingen zullen te allen tijde in dank worden aanvaard. Allemaal kleine onkosten voor u en uw firma. Misschien rekent u zelfs kilometervergoeding aan, aan uzelf. A propos: u die naar eigen zeggen zo vlekkeloos en zo vlotjes eurogeconverteerd was tot ver na de komma: enig eurobenul van geboortepremie? Sojagedoe? Pamperaanschaf? Nadat ùw komma in mijn staathuishoudkunde juichend huishield, zijn ook die getalletjes beduidend hoor! Sigaretten, ten slotte, laat u bij visitatie echter maar beter achterwege: de allerlaatste heb ik gerookt toen u aan mijn wastafel uw lulletje met mijn rozenwater besprenkelde. Rozenwater dient om de ogen uit te wrijven, meneer. En blijft u verder maar van die verwijfde Dunhills af; u bewijst ook zonder dat het u voor de wind gaat. Overigens rookte ik die eigenlijk maar uit beleefdheid. U had ze me opgedrongen omdat u vond dat een vrouw die zelf haar sigaretjes piert ook andere stuff tot zich neemt, dus voor iedereen open staat en gezwind andermans koffer in duikt. Zo ging de breedheid in uw denken vaak de breeveertien op. U dacht als een douanier. (Tiens, dat u dat halve pakje toch niet liet liggen, naast uw rolex!) Misschien vindt u het nu jammer dat ik niet tot de zovelen behoor die hun lijf als een kathedraal beschouwen. Ik zou (en dat hoopt u), in het licht daarvan, kunnen overgaan tot het wegmaken van mijn, pardon: ons vruchtvlees. Tot meerdere glorie van mijn lichaam, dat ongeschonden zou blijven. Ik verkies echter het totale leven, met zijn lusten en zijn lasten. Niet omdat het voor een stukje van u komt; wel omdat ik eraan toe ben. Hedendaagse vrouwen kopen onderweg wel eens een kind, weet u. Zelfs in het immer groter wordende holebicompartiment van de samenleving speelt men meer en meer met gedachten aan wat jong bloed in de gelederen. Op dat lijfelijke vlak, meneer, kunt u dus op uw beide oren slapen. De beide ezelsoren der gemoedsrust. En ik op mijn linker- of rechterzij, mettertijd, als onze liefdesvrucht wat meer ruimte behoeft in mijn middenbeuk. Ach, een man weet vaak niet waarom. (Tiens: nooit hebben we samen gedanst en wellicht zullen we dat ook nimmer doen, meneer, die rechthoek van afgrijzen mee bevolken die ‘dansvloer’ heet. Nooit zult u in dat verband met uw kleffe vingers mijn monnikskapspier verkennen, noch mijn kont. Dat zag ik in den beginne wel eens zitten, nochtans, zonder kil gepotel dan natuurlijk. Misschien zag u me ooit als Assepoestertje? Had u mij met wat meer tijd beter willen leren kennen dan alleen maar de binnenkant van mijn kut? Dat kon: u had uw rolex, ik beschikte over tijd. (Nu heb ik alleen nog uw rolex). Maar met uw haastzaad in de pijplijn verliep het vaak anders; vooral nà de lozing kon u niet vlug genoeg wegwezen. De tijd drong plotseling vreselijk. U struikelde dan gewoonlijk over uw eigen ondergoed en de lift kon niet snel genoeg weer uw veilige plattegrond bereiken. Nou, ondertussen zit ik dus wel met een portie kindervlees in mijn pijplijn. Yes, I put on weight, Esquire. Mijn schoentje begint te knellen. Negen maanden lang draag ik uw soortelijk gewicht. De tijd zal er een publiek geheim van maken. Het staat me dan vrij tot bekentenissen over te gaan, midden de kletstantes bijvoorbeeld tussen de groente- en fruitbakken. Hebt u dat ooit voorgehad, iets wat u zelf veroorzaakte maar waar u niet langer de hand in had?) Nee, ook uw sponsorpraat in verband met de ijshockeyclub van uw zoon – wie speelt nu godverdomme ijshockey in dit godgenagelde regenland!? – liet me al zo koud als het ijs waarvan ik hoop dat het te gelegener tijd de vier ledematen van uw wettelijk geregeld nageslacht zal breken. Evenmin kon ik medeleven betonen bij het heengaan van uw oude moeder, die ondanks uw geboorte nog lange jaren het levenslicht aanschouwen mocht, weliswaar aan bed gekluisterd. Neen, dat verscheiden deed me niets. Op moederleed van mannen staat gewoonlijk een vervaldatum. Ze rochelen even als een oude apotheker en verkopen daarna weer hun placebo’s als vanouds. Kan het ook zijn, meneer, dat u, die keren dat u vluchtig mijn boekenplank doorbladerde, u eigenlijk op zoek was naar eventuele perversiteiten van mijn kant? U beperkte zich daarbij vaak tot de flapteksten. Vooral die serie goedkoop uitgegeven romannetjes trok uw bellettristische aandacht. Was u op zoek naar mijn vreemde of geheime voorkeuren? Hoopte u mettertijd en metterdaad misschien eens, om maar een voorbeeld te geven, aan weerskanten van mijn bilspleet een oog te tekenen, en dwars over diezelfde spleet een dik aangezette rode mond? Waarin dan uw purperen kardinaal – mits de nodige sterkte (à propos: neemt u nog ginseng?) – duchtig huis in zou houden? Vermoedde u een dergelijke passage ergens in een van mijn romannetjes, flauwtjes met een potlood aangevinkt? U vond die niet? Jammer. Ik moet u daarover helaas in het ongewisse laten, bij ontstentenis van uzelf hier ter plekke en in mijn verdere leven. Misschien moet u in dat verband te rade bij mijn leen-dvd-boer. (Ik hoop nu echt, tussen twee haakjes, dat deze brief u niet al te zeer opwindt. Sommige niet-vrouwen krijgen namelijk al copulatielust bij het simpele aanschouwen van een pannetje kikkerbillen). (Ik herinner me nog een scène, meneer. Niet in de dramatische betekenis van het woord – wees gerust, get on with your Life. Die speelde zich af enkele weken voor de zoveelste consummatie annex conceptie. We dronken iets in kaffaat De Blinde Fotograaf (: fake-treincompartimenten, easylisteningmuzak, schaarse lichtplassen, namiddagsfeertje vooraleer Mannen Als U des avonds het algehele woeden der wereld weer zouden ondergaan, nou, kortom: wat gestolen en verstolen overspelige eilanderigheid, we hadden even de tijd, nietwaar, om wat bij te praten en eens niét in elkaar te schuiven. I apologize for this overloaded sentence, Esquire). U zette en nam voortdurend uw overbodige leesbrilletje op en van uw neus. U kon niet beslissen wat we zouden drinken. Met de kleinere letters op de menukaart ondervond u de grootste moeite. U wou zelfs even iets eten, godgenageld, iets eten op dat unheimliche uur, tot het u te binnen schoot dat u al gegeten had. (Ik niet: ik zat al drie koffies lang op u te wachten, I skipped the part about food). Ik merkte dat u zag dat ik het doorhad: dat u uw ogen niet af kon houden van dat andere Verboden Koppel dat daar handenwriemelend aan elkaar zat te frunniken in naam van de liefde. Het Geheime Leger der Verliefden vindt een gedroomde drenkplaats in De Blinde Fotograaf. Het is een gigantisch groot leger, en toch denkt u, dacht u, daar een uitzonderlijk onderdeel van te zijn. U vergeleek voortdurend. U was verblind door de aanwezigheid van die andere deerne. Daardoor hebt u me toen gedegradeerd. En toen, meneer, toen lijfde u zichzelf in het Leger van de Voorspelbare Mannen in: zij die menen dat eender welke schuinsmarcherende vrouw ook voor hèn schuinsmarcheren wil. En dat is niet waar. Dat moet ik met een hevig stilzwijgen tegenspreken. Wat meer is: op de man die zich in het gezelschap van die mooie vrouw mocht verheugen, was u stikjaloers. Ik zag het. En u zag dat ik het zag. Daarom wou u weg en wou u ook blijven. Daarom wou u naar mijn appartement en wou u tevens ter plekke krampachtig zitten praten. U wou alles. U wou misschien het liefst eerst die vrouw een vlugge beurt in de toiletten geven, dan het mannetje vermoorden, daarna mij met uw overbevolking teisteren, en dan te horen krijgen, van mij: ‘Jij bent de beste. It was wonderful’. Ja, ook dat is een gigantisch groot leger. Nou, dat speelde zich dus af in De Blinde Fotograaf, enkele weken voor … Herinnert u zich dat nog, meneer? Sedert die namiddag heb ik geen koffie meer gedronken. Ik kan niet meer, nooit meer, zelfs niet in het mekka van de mokka, ooit, met een volgende kerel als een kraan, neen. Ik voel me als Anna O., de bekende theetante die bij Sigmund Freud op de sofa ging liggen. What’s on a woman’s mind?) En toch liet ik me enkele weken later alweer door u voltanken, met A Lovin’ Spoonful vanuit uw lendenen vertrekkend. Lovin’ ? Nou, eerder Lustful. De gevolgen zijn u ondertussen bekend, dankzij deze epistolaire inspanning van mijnentwege. (U laat toch elk woord goed tot u doordringen? Zoals uw zaad in mijn schoot uitwaaierde en vrucht begon te worden?) Ja, dat kind van ons, m/v. Laten we hopen dat het gelukkig wordt. U zal daar maar voor een heel klein stukje tussen gezeten hebben. Op zijn echte vaders zal het misschien vele winters en lentes moeten wachten. Nog iets: hoe zullen we het noemen? Ik bedoel: het kind, met name. Daar moeten we samen over beslissen, vind ik. Dat is het minste maar ook het enige wat ik kan doen. Voor wat, hoort wat. Wat mij betreft, voor u zich dingen in het hoofd haalt: mail me geen Bijbelse namen, geen mythische namen, geen namen uit teeveefeuilletons, geen hypermoderne namen, geen retronamen, geen drie- of meerlettergrepige namen. Doodgewoon Jan bijvoorbeeld. Of Elke. Pam en Kim kunnen ook. Desnoods Maaike. Een kort sms’je volstaat; uitvoeriger overleg is mogelijk aan een neutrale onderhandelingstafel, maar dan wel voor de zesde maand van de dracht. (Niét in de liefdesafspanning De Blinde Fotograaf, graag!) Mocht zich een meerlinggeval voordoen, dan wil ik zeker geen gelijkluidende benamingen voor de diverse eenheden. Ongerijmdheid, graag. Zelfs geen assonanties, begrijpt u? Er zijn grenzen aan bepaalde herinneringen. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd. De achternaam van mijn eerstgeboren uk vormt natuurlijk geen enkel probleem. Dat wordt door mij geregeld. Nou, u merkt, meneer: een nachtje neuken doe je nooit alleen. Wie de trein neemt, komt gewoonlijk ergens aan. Kwestie van het goeie perron te nemen. Ik hoop op uw rolex geen al te grote vertraging af te moeten lezen. Vlucht u maar niet ijlings naar een van uw zwitserlanden, bijvoorbeeld. Precisie, graag. Schoon volk eerst. De tijd dringt, maar niet echt. Het getuigt overigens van een ongehoorde pretentie de tijd om uw pols vast te binden teneinde die aan banden te leggen en ondergeschikt te maken. Ik leg het onding ergens waar ik er niet elke dag mee geconfronteerd word. Zo wordt het geen paardje van Troje dat alsnog begint te galopperen in de hoop me op te winden en overhaaste besluiten te doen nemen. Het blinkt overigens zo opvallend dat ik u er van verdenk het al vaker op vele andere plaatsen een tijdlang niét gedragen te hebben, klopt dat? Zoals uw rolex hier tikt, zo tikte hij volgens mij op andere plaatsen. U kunt me ondertussen altijd bereiken op het nummer 000-0894929-07. Wij verblijven inmiddels, geheel de uwen: Familiale groeten Bärbel Vandermeeren en de baby in spe
10-04-10
Raaf !
RAAF !
1 Oude Engel
De kou rook naar grijs, maar de lucht zat blauw als wintermelk toen Oude Engel zin kreeg in een bord erwtensoep. Even later baadde hij in de kunstmatige warmte van kaffaat Rokade. Net voor Otto zijn tafeltje naderde, besloot Oude Engel het op een donker bier te houden. 'Erwtensoep', zei hij tegen Otto. Die knikte niet verbaasd, want Rokade stond bekend om zijn erwtensoep. 'En voor Eliott graag twee partjes oude kaas'. Otto glimlachte naar de raaf op de linkerschouder van Oude Engel. 'Kaasje! Kaasje!' kraste die. 'Juju, ik rep me al, pluimvee'.
In Rokade was het rustig. Een jonge copywriter prepareerde een trompetje wiet en klapte dan zijn laptop open. De vrouw aan het raam die elke voormiddag twee whisky's dronk, bladerde door totoformulieren. 'Haasje-repje!' 'Snavel dicht, ongedierte' mompelde Oude Engel zijwaarts. 'Gedraag je'. Soep en kaas kwamen eraan. De vogel en de man verdiepten zich in spijs en drank. Zoopjesman Otto ging gedachteloos op zijn tapkranen leunen.
Het was donderdag 29 februari, 1 minuut voor 10, in Maranga, de hoofdstad van het broekland langsheen het Duivelslint. 30 kilometer westwaarts lag de zee. Achter dit hinterland was Maranga de eerste grote stad die het binnenland ontsloot. Daartussen had je dorpen en veel drassigheid, aan de kust wat stadjes met esplanades om te flaneren, schreeuwende meeuwen en aanslibbing van dagjesmensen in het hoogseizoen.
Oude Engel keek op zijn horloge. Hare Witte Merelachtigheid kon nu ieder ogenblik opdagen. 'Zo tegen tienen', had ze gezegd, totaal overbodig, want elke donderdag kwam ze naar kaffaat Rokade op hetzelfde uur.
2 Witte Merel
Elf jaar lang was Witte Merel de frontvrouw geweest van de rockgroep ACE. Daar kwam een abrupt einde aan toen de voltallige groep bij een fotosessie door de plankenvloer van de vliering van de Duivelsmolen zakte en ettelijke meters naar beneden kukelde, materiaal inbegrepen. Dankzij die foto's werd ACE even echt beroemd, maar met de muziek was het definitief gedaan: twee van de vijf groepsleden hielden aan de val levenslange letsels over en één overleefde het zelfs niet. Voor de frontvrouw viel het nog mee; haar lijf kon met redelijk succes worden opgelapt met enkele stukken kunstmatige materie.
Witte Merel likte haar wonden. Boeken, wodka en sigaretten hielpen haar daarbij. Ze hield zich ook schrijvenderwijs overeind. Alle ACE-'lyrics' die ooit op alle 315 ACE-concerten werden meegebruld, waren van haar hand. Na de Duivelsmolencrash annex noodgedwongen opdoeken van ACE bedreef ze gedichten, reclameteksten en al vlug ook een wekelijkse column in AHA! Maranga's Magazine (popunaampje: de Ahmama!), wat ze aan hoofdredacteur Oude Engel te danken had. De AHA! Maranga's Magazine was gezellig ouderwets en nieuwlichtend. Elke vrijdag konden zowel de underdog als de grijze meerderheidsmuis er zich in vinden. Met zijn oplage van 40.000 exemplaren voor stad en omgeving had de Ahmama! zich al 18 jaar lang een vaste stek verworven tussen de klassieke landelijke kranten met hun streeknieuwskaternen en de andere magazines. Vandaag, donderdag 29 februari om halfelf, kwam Zwart Hart solliciteren naar een plaats in de kernredactie van de AHA! Dat zou gebeuren in kaffaat Rokade, waar Witte Merel klokslag 10 uur de deur openduwde, zoals elke week. Mick Mauser, haar partner en fotograaf voor onder andere de AHA!, kon er niet bij zijn wegens persconferentie.
3 Zwart Hart
Zwart Hart zat ooit in de gemeenteraad van Maranga, eind jaren 80 en begin 90. Zijn toenmalige partij, de Maranga DefusioneringsPartij (MDP), leverde niet minder dan vier raadsleden. Driekwart van de stemmen kwam natuurlijk van de omliggende, opgeslorpte dorpen. Die zagen dat gedachtegoed wel zitten. Sinds 1977 waren ze door Maranga 'gefusilleerd', zoals ze het noemden. Zwart Hart en zijn vreemde partij ijverden voor nieuwe kleinschaligheid. De fusioneringen overal te lande, daterend van 1977, waren volgens hem nefast voor zowel het stads- als het dorpsleven. De vreugde was van korte duur. De MDP viel uiteen door geruzie tussen kleine dorpsgodjes die allemaal weer burgemeester wilden worden en amoureus gescharrel. Bij de daaropvolgende verkiezingen werd vrijwel iedere MDP'er verruimingskandidaat op een andere politieke lijst. Zwart Hart zelf slaagde erin stadsdetective van Maranga te worden. In de bloeiperiode van de MDP had hij die functie weten te creëren, helaas niet fulltime invulbaar. Hij zwierf betoelaagd over pleinen en in straten en genoot voor de rest ook nog wat geldelijke steun van staatswege. Zo kon ie wel weer. Een fijne kerel, maar de stadskas kon hem onmogelijk het volle pond betalen. Ze waren ook wel een beetje pissig daar in het stadhuis omwille van zijn MDP-verleden.
En dus stapte op donderdag 29 februari om 10:30 Zwart Hart handenwrijvend de warmte van Rokade binnen. Zijn ogen zwiepten even als een vuurtorenlicht door het interieur. Dan zag hij de AHA!-drievuldigheid aan een van de verste tafeltjes zitten: Eliott de raaf, Oude Engel en Witte Merel. Mick de fotograaf was alsnog afwezig. Zwart Hart schraapte zijn keel en wuifde ten teken van herkenning.
4 Mick Mauser
5 voor 12 kwam fotograaf Mick Mauser binnen. Hij drukte zijn lippen tegen die van Witte Merel, gaf Oude Engel en Zwart Hart een hand, aaide Eliott over de kop en schoof een stoel bij. 'Saai?' informeerde Oude Engel. Mick Mauser knikte. 'Welkom bij Ahmama!' zei hij tegen Zwart Hart. 'Dank je', deed die verrast. 'Hij komt er toch bij, hé?' vroeg Mick, zich tot de anderen wendend. 'Dat beslisten we vorige week al', glimlachte Oude Engel. 'Ahààhh', kreunde Zwart Hart gemaakt. 'Blijf je ook stadsarend?' informeerde Mick. Zwart Hart knikte. 'Stadsarend en onderzoeksjournalist. Ik heb er alles voor over om van AHA! Maranga Magazine een goedlopend blad te maken. Het is ook een gedroomde fusie: ik loop beroepshalve al jaren met ogen op mijn rug in de stad rond. Met andere woorden: voor Ahmama! kan ik zowat de goede bron zijn waaruit alles wordt vernomen'. 'En mag dat van je andere patron?' 'Geen probleem. Er is over gepraat'. 'Nou,' zei Oude Engel, 'dat is dan rond. Het kan wel vaker gebeuren, Hart, dat we je op pad sturen voor het werven van advertentie'. 'Ik wil zelfs de kust afschuimen in verband met afgeprijsde behaatjes of een zonnebrandcrème-actie', declareerde Zwart Hart nogal plechtig. 'Mag ik jullie een goed glas offreren? Een oude porto bijvoorbeeld? En wat drinkt de raaf?' 'Porto fietst er nu wel in', knikte Oude Engel. 'Maar Eliott drinkt niet'. Mick Mauser wuifde naar Otto, voor Zwart Hart aanstalten kon maken in dezelfde richting. 'Journalisten laten alles aanrukken', glimlachte hij. Zwart Hart knikte begrijpend. 'Elke donderdag hebben we hier in Rokade een tweetal uur een zittend beroep'. 'Die zit', zei Hart. 'Zoiets had in de column van Witte Merel kunnen staan. Ik lees die elke week, jaren al. Dat is verdomd niveau!' 'Tussen de regels staat het belangrijkste', merkte Mick Mauser op. 'Zoals bij een foto: het echte verhaal gebeurt net buiten beeld. Er is altijd wel iemand die net op dat ogenblik even met de ogen knippert of opzij kijkt'. 'AHA!' kraste Eliott. 'AHA!' Otto bracht de porto en begaf zich daarna naar het tafeltje van de vrouw die elke voormiddag twee whisky's dronk. 'En, Marie-Lena?' Ze hief een krijtwit aangelaat naar hem op.
5 Marie-Lena
Zes, nee: zeven kruisjes konden je leven veranderen. Het lot had toegeslagen. Met ogen groot van verbijstering staarde Marie-Lena beurtelings naar haar glas en naar Otto. Die graaide in het bundeltje totoformulieren. 'Nee, hier', wees Marie-Lena. Een velletje lag apart. Otto greep naar zijn bungelende bril en zette die op. '4, 7, 9, 18, 23, 27, (5). Ja, en?' Marie-Lena wees naar de krant: 'Onderaan links'. Otto boog zich voorover en tuurde vergelijkend naar het totovelletje en het linkerhoekje in de krant. 'Wel heilig Toledo!' mompelde hij dan, terwijl hij zich met een gezicht bol van verbazing tot het andere volk in kaffaat Rokade wendde. 'Welhebjevanje . . . '. Marie-Lena trok aan zijn mouw: ''t Is toch . . . 't Is toch zo, hé?' 'Maar ja!' riep Otto uit. 'Maar ja! Of . . . Dit gaat toch over de trekking van gisteravond, hé? En dat is wel degelijk de krant van vandaag?!' Marie-Lena knikte stom en barstte dan in snikken uit. 'Ochheregodtoch!' Iedereen in kaffaat Rokade keek nu naar de huilende vrouw met het lege glas voor zich. Otto staarde als van de hand gods geslagen beurtelings naar haar en naar de anderen, opende zijn mond, sloot die weer, en zei toen: 'Een dubbele whisky, Marie-Lena?' 'Tournée générale', snikte ze ontredderd.
'Een drankprobleem?' opperde Zwart Hart, toen Otto hun tafel passeerde. 'Eh . . .', deed Otto. Zijn hart bonkte als een drumstel. 'Marie-Lena daar heeft . . .'. 'O!' wees Witte Merel. Ze sloeg een hand voor haar mond. 'Vlug!' De vrouw die elke voormiddag twee whisky's dronk, zakte met uitpuilende ogen opzij. Haar hoofd bonkte met een doffe klap op de houten zitbank. De copywriter en de uitgebreide Ahmama!-redactie sprongen op en snelden ter hulp. Eliott klapwiekte verschrikt op en ging verontwaardigd op de schenktoog postvatten. Otto bleef als aan de grond genageld staan. 'Ze is dood', constateerde de copywriter. 'Was er iets met haar?' vroeg Oude Engel, zich tot Otto wendend. 'Ik merkte . . .'. 'Ik snap het niet', antwoordde Otto schouderophalend. Hij naderde het tafeltje nu ook. 'Ze voelde zich onwel. Ik wou haar helpen, maar ze vroeg nog een whisky. En toen begon ze plotseling te huilen'. 'Je bent er van geschrokken, hé?' 'Zeg dat wel', knikte Otto met een hoofd als een biet. 'Eh . . . ik bel de spoedgevallen. Iedereen nog wat te drinken ondertussen?' Ze knikten. Otto graaide de krant en de totoformulieren bijeen en haastte zich naar de telefoon. Hij zat met een probleem.
6 De copywriter
Thuis liep mama in de weg. Daarom verliet hij elke voormiddag enkele uren zijn 'kantoor' in de ouderlijke woning te Maranga. 'Klanten werven, mama: noodzakelijk'. 'Om twaalf uur eten we, jongen'. 'Tot straks, mama'. Soms reed hij doelloos in het hinterland rond. Soms hield hij halt ergens langsheen het Duivelslint. Soms ging hij schuilen.
In kaffaat Rokade nam hij zijn karige correspondentie door. 'Uw schrijven d.d.' 'We hebben in goede orde'. 'Onder onze aandacht'. 'In de toekomst een beroep op PROPACAMP te doen'. Omzichtig en geruisloos scheurde hij envelop na envelop middendoor, bang dat de andere kaffaatbezoekers het zouden merken. Zuchtend klapte hij zijn laptop open. Hij inhaleerde diep, roerde even in zijn koffie en staarde naar de pictogrammetjes. Gelijk passeerden op het scherm in zijn hoofd indrukwekkende lichtreclames. PROPACAMP NU OOK BEURSGENOTEERD. UW PRODUCT VAN A TOT Z BEGELEID. PROPACAMP MAAKT HET VERSCHIL VOOR U. Ach, het was elke dag weer opbiggen tegen overbodigheid. Tekenaars en ontwerpers hadden zich meester gemaakt van de reclameschrijverij. Knoeiers met letters; tovenaars met lijnen. De copywriter loerde even naar de zwarte vogel op de schouder van de man. 'Haasje-repje!' riep die plotseling. De man mompelde iets en de vogel zweeg. Ze kregen soep en kaas. Witte Merel, de ex-zangeres van ACE kwam binnen. Ze ging aan het tafeltje van de man zitten, de hoofdredacteur van AHA! Natuurlijk, ze had er een column in. Hij concentreerde zich weer op het scherm. Daarna, om zijn ogen wat rust te geven, observeerde hij de vrouw aan het raam. Die had hij hier al vaker gezien, net als die vogel en de man overigens. Ze hield zich onledig met een stapeltje totoformulieren en een onwillige krant waar ze blijkbaar onverrichterzake in bladerde. Even later kwam de stadswacht binnen, ex-MDP'er Zwart Hart. Hij begroette het AHA!-tweetal en voegde zich bij hen. Verdomme, moest hij, de copywriter, daar niet zitten? Met gefronste wenkbrauwen gebaarde hij om nog een koffie en staarde dan weer naar zijn scherm. Ingespannen peuterde hij aan een saaie tekst over mogelijkheden met aluminium. Rond kwart voor twaalf besloot hij balorig niet tijdig thuis te komen; hij wenkte met voorbedachten rade om een sherry. Mama kon even de pot op. Toen kwam die persfotograaf binnen; het werd nog gezellig in Rokade. Hij bracht leven in de brouwerij, vooral aan dat AHA!-tafeltje. Nog wat later viel er een dode in kaffaat Rokade. De copywriter was er als eerste bij, want hij had de jongste benen.
7 Otto
Marie-Lena was echt wel doodgewoon dood. Hemelsblauw zwieplicht kleurde de ramen van kaffaat Rokade. Terwijl Eliott de raaf als een sfinx toekeek, werden vragen gesteld aan de donderdagklanten. Otto droeg met bevende handen drankjes rond. 'Regelrechte kopij vlak voor onze neus', mompelde Oude Engel. 'Maar AHA! is geen pulpblad. Jammer, voor een keer'. Mick Mauser daarentegen wond zich stevig op omdat hij geen foto's mocht nemen. Witte Merel suste haar kerel. 'Je moet toch geen doden vereeuwigen', zei ze. 'Dat kun je niet maken'. Hij moest er uiteindelijk om lachen. De copywriter kon maar dezelfde antwoorden geven als de anderen: twee whisky's, de tranen, een krant. 'Misschien had ze wel iets ontzettends in de krant gelezen, iets wat haar persoonlijk een opdoffer gaf?' 'Misschien'. Die krant werd doorbladerd. Otto zweette water en bloed. 'Je ziet er echt niet goed uit, Otto. Zet ik de deuren wat open? Ga daar even zitten'. Otto knikte en zonk op een bank neer. Ambulancedeuren klapten open en dicht. 'Hm. Zou ze te veel gedronken hebben?' Rampnieuwsgierigen troepten op het trottoir samen. 'En ze maakte plotseling zo veel misbaar, en toen begon ze hardop te huilen, en vlak daarna . . . '. Otto vreesde dat zijn hart het ook zou begeven. Pas nu besefte hij dat hij zijn brilletje nog op had. Vlugvlug rukte hij het van zijn neus en liet het ter hoogte van zijn pompend hart bungelen. Het schemerde hem voor de ogen. 'Gaat het wel, Otto?' informeerde Zwart Hart, hij kapte een whisky achterover. 'Pff . . . '. Toen het waas van voor zijn ogen weer verdween, hield hij angstvallig die krant in de gaten. Ze lag opengespreid op de ronde tafel midden in het café. Ginds naast de telefoon lagen de totoformulieren, met bovenop het stapeltje het bewuste velletje. Maar niemand schonk daar enige aandacht aan. Had nu echt niemand . . . ? Het duizelde hem weer. Toen vloog die verdomde raaf plotseling op. 'Haasje-repje!' Iedereen schrok zich een bult.
8 Eliott
In de boeken over onze gevederde vrienden staat geschreven dat de laatste raaf die in onze contreien broedde gesignaleerd was omstreeks 1919. Maar het ravenvolkje was gedurende de turbulente 20e eeuw zo slim geweest zich terug te trekken in voor mensen onbereikbare en onzichtbare biotopen. In te veel oorlogen sneuvelden immers te veel vogels door verdwaalde kogels. Dus besloten de raven zelf verdwaalde vogels te worden, met voorbedachten rade. Een enkele raaf, nazaat van die raaf uit 1919, zocht in alle stilte het gezelschap op van een begrijpende ziel in een mens van goede wil. Zo haalde Eliott de raaf zelfs de 21e eeuw. Hij landde ooit in de tuin van Oude Engel. En algauw werd diens linkerschouder zijn vertrouwde thuishaven. De vrienden van zijn baas werden ook zijn vrienden. Hij leerde zelfs wat spreken. Eliott beheerste gaandeweg de getallen, enkele zelfstandige naamwoorden, een paar scheldwoorden en noodzakelijke bevelen. AHA! Maranga's Magazine had er natuurlijk al eens een uitvoerige reportage aan gewijd. Eliott was er zowat de mascotte van geworden.
De inktzwarte vogel scheerde rakelings boven de onthutste koppen, griste bij de telefoon de bovenste totovelletjes in zijn bek mee en verdween door de openstaande achterdeur in het weidse zwerk boven Maranga.
9 Allen
- OE: Eliott! Getverderrie!
- WM: Wat krijgt die nu?
- OE: ELIOTT!! ELIOTT!!
- ZH: Straks wordt iemand getroffen door een verdwaalde vogel, haha!
- MM: Subiet gaan er zich een paar een ongeluk schrikken, ja.
- Copy: Heb je dat gezien? Hij pakte verdorie die lottoformulieren mee!
- Otto: Eksters staan bekend als dieven.
- OE: Maar Eliott is een raaf. Getver, da's nu echt de eerste keer dat . . .
- ZH: Eliott is Marie-Lena achternagevlogen.
- WM: Hij heeft de hele tijd op de toog gezeten.
- Copy: Waarom moest die eh . . die vrouw zo plotseling huilen? Ze leek helemaal van slag.
- MM (mompelend): Het belangrijkste gebeurde natuurlijk weer nààst de foto. Zoals gewoonlijk.
- Otto: Eh . . . ze had er weer een te veel op, denk ik.
- WM: De vogel is gevlogen. Wat een voormiddag.
- ZH: Zouden we de stad niet gaan afzoeken op zoek naar die lottodinges? Jouw raaf kan toch lezen en rekenen hé, Oude Engel? Volgens mij heeft hij iets ontdekt.
- Copy: Dit wordt weer een verhaal met een open einde.
- Otto: Geen sprake van, jongeman. Kom eens allemaal nader. Ik heb jullie wat te vertellen. Er is geen tijd te verliezen.
Vier minuten later haastten Oude Engel, Witte Merel, Zwart Hart, Mick Mauser, de copywriter en Otto zich kaffaat Rokade uit. De kou rook naar grijs, maar de lucht zat blauw als wintermelk.
Eliott de raaf wiekte over Maranga met het miljoenenpapiertje in zijn bek.
Boven de winkel van kaasmeester J. Vos liet hij los. Het totoformulier zeilde langzaam en een beetje gek naar beneden. Eliott scheerde het in duikvlucht voorbij en zette als een kamikaze koers naar kaasmeester Vos, waar hij postvatte op de trottoirband. De mensen stoven geschrokken uiteen. Zo'n grote zwarte vogel hadden ze nog nooit gezien. Niet hier. Het winnende totovelletje dwarrelde iets later en iets verder op een immer groen perkje neer.
De zoon van kaasmeester Vos maakte het af met zijn lief. Dat gebeurde in het perkje niet ver van de ouderlijke woning. Het was voor veel jongelui uit Maranga de geëigende biotoop voor ontluikende en afbladderende liefdes. Pubers harpoeneerden er hun tong in meisjesmonden. Scholieren frunnikten er aan elkaar op banken en tussen struiken. Het meisje fietste huilend weg. Arne Vos stond op van de bank.
Toen enterde zijn blik een neerdwarrelend velletje papier. Hij keek verbaasd omhoog en raapte dan het vodje op.
22-03-10
Van de kook
VAN DE KOOK
De dag dat ik Gordon Lawson googelde, rees de zon al vroeg uit haar nachtpan: bakkend, schroeiend, blakerend. Het had al anderhalve maand haaientanden gesausd. In die periode lag ik met een gecompliceerde rechterbeenbreuk thuis, mijn buikvlees ondertussen als een vergiet geperforeerd door dagelijkse injecties. Om de tijd te doden en bij gebrek aan goeie films of docu’s bekeek ik op tv alle kookprogramma’s die ik maar binnengezapt kon krijgen. Misschien leerde ik nog wat bij. Koken zat in de lift. Op de jaarlijkse nationale boekenbeurs waren de grote mannen (tiens: de vrouwen? Tijdsgebrek?) de koks geweest: duizenden mensen hadden hun boeken gekocht. Literaire auteurs verdwenen erdoor in het niet. Thrillerschrijvers flambeerden wanhopig hun whodunits met recepten, drankzucht of gastronomie. Het leek wel alsof de hele wereld aan de kook was. Koks waren de nieuwe rockstars.
Nu monsterde ik die chef-koks en hun scheikunde op het scherm. Na enkele weken van pollepelkromtaal en overspannen keukendramatiek googelde ik Gordon Lawson: de bekende eenhandige én eenkleurige kok, zoals hij zich noemde. De kerel bestond het per dag maar één kleur aan zijn gerechten te geven, elke dag een andere. Zijn rechterhand was hij kwijtgespeeld na een bloederige keukenruzie in de jaren tachtig in Venezuela. Hij kon zich echter bijzonder goed behelpen. Hij had zelfs een tijdlang nog basket gespeeld met zijn lange lijf en zijn ene goeie poot, voor diverse goede doelen van de Wereldvoedselbank.
Met een kussen in mijn rug en mijn kapotte rechterbeen in witte geneesverpakking voor mij uitgestrekt op een verhoogde voetbank, besurfte ik de webstek van Gordon Lawson. Alleen al door met mijn vinger het touchpad van mijn laptop te beroeren, zweette ik als een das. Vreselijke bijgedachte: druppelde er wel eens kokszweet in gerechten? Om van andere lichaamssappen nog maar te zwijgen. Met mijn domotica-knoppenbakje ritste ik tussendoor ook de linkerhelft van het overgordijn dicht, wegens te fel zonlicht.
Gordon Lawson had voor vandaag 31 juli 20XX in zijn restaurant ‘De Kokskeerkring’ aan de periferie van Plymouth een purperen dag aangekondigd. Met één hand, uiteraard: zelfs zijn embleem vertoonde zijn handicap. Zijn gasten zouden donkergekleurde borden voorgeschoteld krijgen: paaps paars, rauw rouwend purper …
Plotseling werd mijn aandacht afgeleid door een hevig gezoem – opstandig en agressief. Een kwade wesp in geel-zwarte voetbalkleuren kroop tegen de daarnet dichtgeritste gordijnhelft op. Instinctmatig greep ik naar mijn bordje met appelcake op, dat mijn vrouw net voor haar vertrek naar haar namiddagshift binnen mijn bereik klaar had gezet. Bedrieglijk traag duikend en zwenkend als een helikoptertje stortte de wesp zich nu op mijn linkerhand. IJlings trok ik die terug; het bordje kletterde op de grond aan scherven. De boze wesp belandde daardoor pardoes op mijn halve voet die het gips nog vrijliet. Ik greep snel naar een van mijn krukken, maar het was al te laat: het beest had zich via de onderkant van mijn grote teen in de gleuf tussen gips en mensenvlees naar binnen gewroet. Een halve seconde later incasseerde ik de pijnlijkste injectie van de afgelopen anderhalve maand. Alles behalve mijn ingegipste been krulde van de pijn. Ik gilde het uit, moederziel alleen, wapperde met mijn handen, probeerde het uiteinde van mijn witte been te bereiken, forceerde en rekte mijn heupen en lendenen, gooide me op mijn rug, vertrok mijn gezicht in een munchschreeuw.
Toen de wesp weer tevoorschijn kwam, plette ik ze in haar zomerse streepjestruitje tussen mijn gezonde linkerhiel en mijn gipsen rechterwreef. De pijn gloeide ondertussen op, op een donkere plek onder aan mijn voet, onbereikbaar. Ik had het gevoel zelf versmacht te worden.
‘De stekels, de haren en de schubben eraf,’ beval Gordon. ‘Vooruit!’
Ik rukte gedwee voornoemd oneetbaars van en uit het lijf. Het was niet anders dan het pellen van een garnaal. ‘Sstt … niet weggooien!’ riep hij, toen hij merkte hoe ik naar de mond van het afvaltonnetje mikte. ‘Dat koken we nu. Daar trekken we een lekkere bouillon van.’
Vervolgens opende hij vakkundig het wespenlijf en peuterde er de darmkanaaltjes en dergelijke uit. Terwijl ik de schubben aan de kook bracht, perste Gordon een rodekool uit. Dat sap werd bij het kookvocht in het pannetje gevoegd. Vlak na het kookpunt gooiden we het wespenlijf erin. De vrolijke geel-zwarte strepen verdwenen onmiddellijk; in de plaats kwam een smakelijk sereen purper.
‘O … en de angel, Gordon?!’ vroeg ik. Het schoot me pas nu te binnen.
‘De angel? Maar die zit in je voet, kerel!’ glimlachte de eenkleurige kok. Hij pakte zijn vildersbijltje en hakte er in twee bewegingen mijn linkervoet mee af.
‘Maar het is mijn rechtervoet!’ schreeuwde ik. ‘Nu kan ik helemaal niet meer … ‘
‘Links smaakt beter!’, riep Gordon gezwind, en hij gooide van op minstens vijf meter afstand mijn linkerpoot – plop! – bij de wesp in de bouillon, die ook al vlug intens purper kleurde.
De bekende kok was onmiskenbaar een goed basketspeler geweest.
14-02-10
Engel in Avelgem
ENGEL IN AVELGEM
Avelgem … net-niet navel, net-niet parel, maar wel voorportaal tot de Vlaamse Ardennen. Laatste West-Vlaamse vesting van betekenis vooraleer je voet zet op Oost-Vlaamse of Waalse bodem. Kluisberg, Schelde, vlakte: Avelgem heeft het. Vriendelijk volk, dat ook.
De grote nieuwe wereld (echter niet met zijn oubollige bigbrothertoestand, die veel te vroeg en totaal verkeerd voorspeld werd) heeft al enkele jonge generaties naar de knoppen geholpen, en ook het stille, eerder afgelegen Avelgem zal daar niet aan ontsnappen zeker? Of aan de ergste economische crisis annex werkloosheid sedert de Tweede Wereldoorlog? Chillen en samplen en copy-pasten de netizens hier ook volop? Verdampen hun in de afgelopen decennia opgestapelde winsten ook zienderogen?
(Noot van de auteur. Eind jaren tachtig probeerde de lokale politicus Serge V. met zijn ovenwarme partij MEGALEV (een anagram van Avelgem) de streek nieuw leven in te blazen. MEer GAan LEven leek echter te veel op die Andere Partij).
En toch … en toch … Altijd weer krijg ik in Avelgem iets van ‘oudbakken’. Komt dat misschien door Avelgems bekendste inwoner, borstelsnorremans Stijn Streuvels, de bakker die ook schreef? De schrijver die niet meer bakte? Nou, hij bakte er wel wat van. Hij kon zelfs Noors lezen, de stugge kerel. Dit terzijde.
Het marktje in Avelgem lijkt eerder op een (weliswaar korte) landingsbaan. Het is een strook tussen de kerk en de hoofdstraat en vice versa, met aan weerszijden vooral winkels en horeca. Ideaal als landingsplaats voor een vliegende schotel.
Anno 2010 landde er daar inderdaad iets. Het was geen vliegende schotel. Het was een vrouw. Ze kwam zo uit de lucht gevallen. Vanuit het oosten. Op de negende juli. Nou, vallen. Ze diende niet van straat geschraapt te worden, zoals het cliché dan luidt. Haar nederdaling werd gebroken door de luifel van eethuis De Vlaschaard, die uit heel sterk weerbestendig zeildoek bestond. De gevallen engele (Babbe zou ze blijken te heten) veerde met een dwaze buiteling nog een keer op, landde ten tweeden male, gleed dan van de luifel af en hupte lenig als een turnster op het trottoir.
Geen levende ziel had deze teraardebestelling gezien. Alleen Patrick van De Vlaschaard had een doffe klap gehoord.
‘Het gaat donderen,’ had hij geconstateerd. ‘Het gaat het niet houden, dat weer.’ Niemand luisterde, knikte of beaamde, want hij was alleen in de bijkeuken. Het betrof overigens een draak van een mededeling, verpakt in een cliché als een kathedraal met duivenstront op: het kleinste Vlaams-Ardens kind voelde dit donderweer zo aankomen.
Voorwaar: diezelfde avond nog brak inderdaad een onweer los, dat de vergelijking met het tempeest in ‘De Vlaschaard’ van Streuvels kon weerstaan. Maar toen was engele Babbe al in soesland, ergens te velde, in een moestuin onder reuzengrote rabarberbladeren.
Hupsake!
Babbe vormde met beide handen een kommetje om haar neus en schudde zich even als een natte hond. Daarna zeilden haar blikken over de verlaten straat. De stoelen op de terrassen stonden al voorovergebogen tegen hun tafels geleund. Hier en daar flikkerde een tv-scherm even op. In de verte klonk wat gerommel. Het halfduister achter de vitrine van café Retro herbergde nog drie onroerende gasten, als vraagtekens gebogen aan de toog, een vrouw en twee mannen – een ware Hopper in Avelgem.
Door wie (Wie?) was deze engele gezonden?
Betrof dit een waarachtige Godsgezant?
Of was dit (letterlijk) een gevallen engele?
En ik vraag u: waarom Avelgem?
Die laatste vraag is de moeilijkste, maar alvast dit. Een verklaring kan soms eenvoudig zijn: engele Babbe was simpelweg door een gat in de ozonlaag getuimeld en zo op de aardkloot gedonderd. Een hemelachtige voorzienigheid had haar veilig en wel, maar toch met een himmelhoche snelheid door een glijschacht geleid en heelhuids, nou: heelengels, ter aarde besteld. Er was alleen ter hoogte van haar neus wat ijsvorming, die alras ontdooide.
Engele Babbe mocht zich gelukkig prijzen dat ze op openbaar grondbezit terecht was gekomen – weliswaar via het afstapje van een privéluifel. Immers: in een andere novelle van dezelfde schrijver dezes landt een keramische astronaut (door de beeldend kunstenaar José Vermeersch vervaardigd en t.g.v. diens 65e gedenkdag aan twee grote frambozenrode trossen ballonnen ieder tellende 65 zulke opgeblazen feestartikelen het zwerk in gestuurd op zoek naar een random gelukkige bestemmeling) pardoes en met de beide beentjes schrijlings op de scheidingshaag tussen twee Vlaamse tuinen van twee aanpalende Vlaamse kemphaantjes. Hommeles!
‘Voor hetzelfde geld’ zoals ze hier zeggen, werd engele Babbe op zo’n privéterritoriumpje ter aarde besteld, waar de eigenaar haar fluks tewerk kon stellen als engel-van-plezier. Het draaide dus anders uit. Haar malse kontje daalde uit duifgrijze luchten te openbaar Avelgem neder, en ongezien.
Hoe dan ook: Babbe ventileerde zichzelf nu op hielhoogte door het pre-onweerachtige Avelgem. (Valt u niet over dat ‘ventileren’: ik vind geen ander woord dat het vooruitschrijden van een engele correct weergeeft).
Niemand zag haar. Dat kon ook niet: wereldlijken konden deze angelieke verschijning niet zintuiglijk waarnemen. Alleen een bewegend of verplaatst voorwerp waar ze eventueel tegenaan botste, kon haar aanwezigheid verraden. Maar wanneer zoiets gebeurde, schreven de wereldlijke mensen dat toe aan de wind, verstandsverbijstering of dronkenschap van henzelf. Mochten ze het sappige wezen in het aangelaat kunnen aanschouwen, dan zouden ze wis en zeker uitroepen: ‘Maar is dat Vicky Leandros niet?!’ En ze zouden dan doelen op de jonge Vicky Leandros die in de vorige eeuw zulke mooie liedjes zong. Deze Vicky, Griekse halfgodin met ook nog iets Duits erbij, had toen voor talloze goede huisvaders de bijtgare natte droom betekend.
Ter zake.
Engele Babbe gaf eerst acte de présence in de kerk. Ze ventileerde zichzelf door de gesloten toegangsdeur, stevende op het hoofdaltaar af, mompelde in quick motion een engelse groetenis en bekruistekende zichzelf Vlaams-orthodox, waarbij het laatste klopje ook links eindigt, ter hoogte van het hart. De man-an-de-lat was namelijk een verkeerde lieveheer; hij neigde naar links.
‘Het riekt hier naar een lang afgesloten slaapkamer,’ constateerde ze hardop. Even wapperde ze met de onderste regionen van haar tuniekjurkje, als wou ze kwade geuren verdrijven.
‘We are not amused!’ klonk het dof en pijnlijk van op de grote crucifix.
‘Inbeelding,’ dacht Babbe, maar toch keek ze even op naar de Gekruisigde. De Kerel gaf geen krimp. Ze detecteerde spinrag tussen kin en rechtertepel.
Met elf donkere slagen dicteerde de torenklok het aanbreken van het drieëntwintigste uur van het etmaal. Babbe telde inwendig mee, ondertussen aan haar kutje krabbend. Even kwam er beweging in het geslacht van de Allerhoogste Mensenzoon. Een purperen rimpelinkje trok doorheen de beide ballen. Het daarbij horende lulletje leek zich te willen manifesteren als het vogeltje van een zwartewoudkoekoeksklok, maar alras verschrompelde het goddelijke lid weer tot de eeuwenoude stand van zaken, in zichzelf verzonken en gerimpeld. De Gekruisigde had niet echt een krimp gegeven.
Men (‘men’ zijnde de mensheid gedeeld door de mens) is in de waan (synoniem: men denkt) dat toeval bestaat. Neen. Het onbestaat. Het bestaat het niet te bestaan. Zo was engele Babbe niet toevallig ter aarde besteld. Ook al tuimelde ze zogezegd etc … etc …
Nee: Babbe ondernam een queeste naar het verloren gegane Boek der boeken. Ze was uitgezonden door Bengele Tengele, de opperengel uit de zesde hemel.
Het etherische wezen wervelde nu naar de galerij van de veertien statiën in de sacristie. De grote verkeerde lieveheer aan het kruis (een met het hoofd naar links neigende Gekruisigde dus, die vooral aandacht heeft voor de slechte moordenaar aan zijn linkerkant, het begin van de rechtspraak en de bevrijdingstheologie) had haar met een onmerkbare knik van zijn hoofd de weg gewezen.
‘Statie 6 en statie 7 verdienen nauwgezet onderzoek,’ had Bengele Tengele gezegd. ‘De statie van de vera icon en vlak daarna die van de tweede epileptische aanval van de man die op de Knekelheuvel toe stapt.’
Engele Babbe boog zich voorover om de doornenkroon op het hoofd van de koning der Joden nauwkeuriger te bekijken.
‘Een encefalogram,’ mompelde ze. ‘Goedenavond Meneer, u neemt het me niet kwalijk dat ik U en mezelf in één adem twee gevallen noem?’
Met in haar linkeroog de zesde statie en in haar rechteroog de zevende statie staarde ze daarna net zo lang tot er beweging in de taferelen kwam. Al vlug voelde ze zich samenvallen met de gebeurtenissen pakweg twee millennia geleden. Ze ontdeed zich van haar sluierdoek, stapte onbevreesd op de bloedende man toe en depte met de doek zijn aanschijn. De soldaten maanden haar tot spoed aan. Terwijl dat gebeurde, siste de veroordeelde door de doek heen:
‘Hier, vlug, voor ik weer val: mijn testament. Pas op: het is nieuw. Het vervangt het oude. Verstop het op je lijf; niemand mag het zien.’
Terzelfder tijd toverde hij (ietwat beschermd door de sluierdoek) met de ene hand een opgerold vel uit zijn verscheurde gewaad. Veronica aarzelde geen seconde, moffelde het razendsnel in haar doek en maakte zich weer uit de voeten. Blijkbaar had niemand de overdracht in de gaten gehad. Ze klemde de doek stevig tegen haar borst, waar haar hart hamerde hoog in de versnelling. Toen ze nog eens omkeek, zag ze hoe de man voor de tweede keer bezweek onder zijn balk-met-dwarshout. De Romeinen ranselden er vloekend op los.
Veronica engele Babbe haastte zich nu ongesluierd tegen de mensenstroom in naar huis. Iedereen leek ondertussen naar de hoofdweg gestuwd te worden, waar dead men walking in een vreselijke geselstoet vooruit sjokten, hun knekeldom tegemoet. Er waren niet minder dan dertien groepen, die telkens een veroordeelde in hun midden hadden. Aan de kruisheuvels zelf troepten inmiddels al honderden rampnieuwsgierigen samen. Sommigen hadden ook al het begin van de stoet gezien en waren dan ijlings via een omtrekkende beweging naar de plaatsen van de terechtstellingen gelopen. De duifgrijze lucht verschoot nog een tint of twee donkerder. De eerste bliksemserpentines wapperden boven de stad. Het was bloedheet, maar het zweet van de mensen voelde koud aan. Het was de temperatuur van een laffe stad die het in stilte uitschreeuwde.
Die tweede val was er te veel aan. De soldaten plukten willekeurig een mannelijke toeschouwer uit de dikke rijen ramptoeristen en verplichtten die de doodsbalk een eind op zijn schouders mee te zeulen, in plaats van de veroordeelde.
‘Een koning mag toch niet sterven als een hond op straat!’ spotte een van de soldaten.
Na enig protest van de man en dreigementen plus zweepslagen van de escorte zette de stoet zich weer in beweging. Van die gelegenheid maakte de man met de doornenkroon gebruik. Hij naderde strompelend de opgevorderde drager en fluisterde hem toe zonder hem aan te kijken:
‘Rep je naar het huis van de vrouw die daarnet mijn gezicht depte en breng samen met haar mijn testament in veiligheid. Ze heet Veronica. Zoek haar. Hoe heet jij?’
Even gluurde de man verbaasd opzij, in het bebloede gelaat van de veroordeelde.
‘Testament?’ vezelde hij tussen zijn tanden. Daar had hij wel oren naar.
‘Ja, ik smokkelde het daarnet met haar mee. Vind haar. Hoe heet je?’
‘Simon. Simon van Cyrene.’
‘Doe het, Simon. Straks is het weer mijn beurt. Maak je daarna onmiddellijk uit de voeten,’ fluisterde de veroordeelde met aandrang. ‘Het is belangrijk!’
‘Maar waar woont die Veronica?’
‘Langs de Habadweg. Doe het, Simon!’
‘Wat lopen jullie daar te konkelfoezen?!’ riep plotseling de escorteleider. ‘Voortmaken!’ Ongerust tuurde hij naar het donkergrijze zwerk, terwijl hij blindelings de drager enkele zweepslagen toediende. Uit de immer bewegende onrustige mensenhagen stegen kreten van verontwaardiging en afkeuring op.
‘Voortmaken!’ brulde de decurion weer. Hij rekte zich even uit en ging op de tippen van zijn tenen staan om voor en achter poolshoogte te nemen hoe het eraan toe ging bij de andere ploegen met hun veroordeelde. Hij voelde aan dat hij zelf met zijn eigen decuria de zaken niet echt onder controle had. Er ging te veel dreiging uit van de opeengepakte nieuwsgierigen, waarboven die zware loden luchten gedrapeerd waren. Zijn soldaten waren dronken, alle acht. De sfeer was broeierig en leek met de minuut verhitter te worden. Hij proefde bloed, zweet, stank, zout. En er zat een verdomde houtsplinter in zijn duim, die hij er maar niet uit kreeg. Andermaal probeerde hij …
Toen gebeurde alles razendsnel.
Ter hoogte van de Oostelijke Weg weken de mensenrijen aan weerskanten plotseling uiteen. Gejoel en gebrul zwollen aan. Vijftien, twintig onherkenbaar gemaakte mannen verrasten de decuria totaal. In groepjes van twee, drie tegelijk en geholpen door omstanders vloerden ze ieder een soldaat, smakten die tegen de grond, ontnamen hem zijn speer en voeren daarna de veroordeelde mee in een dreigend terugdeinzende falanxorde, waarbij de mensenrijen aan de oostelijke kant zich vlot openden en weer sloten. Alles gebeurde in een handomdraai. De decurion had amper de tijd gekregen om op te kijken vooraleer hij met een mokerslag tegen de lever op de grond gekwakt en even overmeesterd werd. Simon van Cyrene, doodsbang voor het vooruitzicht dat ze misschien ook hem op een van de knekelheuvels zouden kruisigen – met die Romeinse dronkenlappen wist je maar nooit – keek pas na de coup ontzet om zich heen. Hij zag zijn escorte overeind krabbelen, beroofd van hun speren, grijpend naar hun hoofd, ballen, voorovergebogen, beduusd, duizelig, dronken en sommigen onder het bloed. Maar waar was … !?
Het werd Simon zwart voor de ogen. Hij viel op zijn beurt met de kruisbalken ter aarde neer.
De decurion had het meest tijd nodig om weer bij zijn positieven te komen. Hij braakte tot tweemaal toe en spoog een tand uit. De meeste van zijn mannen bleven versuft op de grond zitten.
‘Overeind!’ brulde hij dan. ‘Overeind!’
Hij sprong op, gevolgd door de anderen, terwijl het spottende gejoel alsmaar aanhield.
‘Opzij! Opzij!’
Niemand week. Van de kapers was ondertussen geen spoor meer te bekennen. De decurion koos eieren voor zijn geld. Hij vreesde verborgen dolken en messen onder de Joden. En hijzelf en zijn decuria waren van hun speren beroofd.
‘Vooruit!’ brulde hij dan, terwijl hij met zijn zweep Simon van Cyrene rechtop ranselde. ‘Vooruit! Naar de kruisheuvels! Vergelding!’
Hij merkte dat de groep voor hem al een dertigtal meter voorsprong had, en achter hem botste een andere groep al bijna tegen ze op. De decurion van die groep riep hem spottend toe: ‘Eentje kwijtgespeeld?’
De hoofdman haalde gekrenkt zijn schouders op. Hij ranselde vloekend en brakend op de weeklagende Simon en op zijn eigen soldaten in.
Drie kwartier later hing de genaamde Simon van Cyrene, door de Romeinse escorte opgevorderd uit de toeschouwers na de tweede val van de man met de doornenkroon, gekruld als een vraagteken van schroeiende pijn aan het kruis dat bedoeld was voor de met geweld gekaapte Jezus de Nazarener.
Bliksems scheurden de hemelen aan flarden en donders roerden de doodstrommen voor dertien kermende veroordeelden verspreid over de knekelheuvels op het grondgebied van Jozef van Arimathea. Eén knekelheuvel zou later Golgotha worden genoemd, of Calvarieberg, of Kruisberg. Het graf dat de grondeigenaar er toch al liggen had, zou met toelating van Pontius Pilatus gebruikt worden als laatste rustplaats voor de aflijvige Simon van Cyrene, die echter luttele tijd later ergens anders ondergebracht zou worden door dezelfde militie die de Nazarener uit de doodsstoet weggekaapt en ontvoerd had.
Ondertussen was Veronica engele Babbe buiten adem thuisgekomen. Verscheidene keren had ze achterom gekeken, uit angst voor mogelijke achtervolgers. Nog voor het onweer echt losbarstte, bereikte ze haar woning aan de Habadweg. Haar borst ging snel op en neer. Minutenlang nog bleef ze met het in haar sluier gewikkelde testament tegen haar hart geklemd zitten, niet één keer met haar oogleden knipperend. Daardoor was haar grote omslagdoek op borsthoogte rood geworden, net als haar sluier zelf.
Was de veroordeelde Nazarener tegen zijn wil in door de bende ontvoerd? Wellicht niet. Niemand verlangde ernaar om aan gekruiste balken genageld en met een speer doorboord te worden. Stak er meer achter de opvordering van een willekeurige toeschouwer? Was Simon van Cyrene betrokken? Wellicht niet. Het testament waarover de te kruisigen man hem informatie toefluisterde, zal hem waarschijnlijk meer geïnteresseerd hebben dan een bloederige dood aan balken.
De actie was voor rekening van de zogenaamde ‘stokheren’, een militante Joodse organisatie van elkesaieten. Twaalf van ze hadden bij het laatste avondmaal aangezeten. Zij hadden het decuria dat voor de Nazarener verantwoordelijk was, omgekocht met klinkende munt. Zij hadden ze ook dronken gevoerd, via tussenpersonen, enkele uren voor de kruisoptocht begon. Het was de leider van de elkesaïtische stokheren die de decurion had gevraagd om onderweg iemand willekeurig op te vorderen die even de plaats van de Nazarener in zou nemen. Dat diende te gebeuren voor de stoet de Oostelijke Weg zou dwarsen. Meer uitleg kregen de Romeinse soldaten niet; ze legden zich daarbij neer na een extra handvol smeergeld en knikten dat ze akkoord gingen.
De drie laatste gasten in café Retro hoorden en zagen het onweer naderen.
‘Het is weer te geweldig geweest,’ merkte patron Robert op, met een nijdige knik naar buiten.
‘Ik verhuis naar Thailand,’ besliste Simon.
‘En ik naar de Carabijnen, of hoe heten die hoelahoepeilanden ginder ook weer,’ zei Jozef. Hij graaide zijn rookspullen bijeen en stond op.
‘Hihi, voor die paar druppeltjes?’ sneerde Veronique. Ze kon haar r-klanken niet meer de baas. ‘Wat voor mannen zijn jullie toch?’
‘Subiet regent het oude wijven,’ articuleerde Simon, uitdrukkelijk in haar gezicht kijkend. Toch moest hij weer van haar wegkijken, want zijn mededeling werd gevolgd door een enorme hik. Hij greep naar zijn borst om de pijn te bezweren.
‘Een doodshik,’ constateerde Veronique met lijzige stem. Ze stak haar zesentwintigste sigaret op.
‘Nu, ik moet toch stilaan sluiten,’ zei Robert. Met brede strijkbewegingen begon hij het toogblad schoon te wrijven.
‘Yes, let’s call it a day,’ sprak Jozef anderstalig.
Onwillig schuifelden ze het café uit. Het zag er menens uit met dat onweer, dat hun drinkplannen een uur te vroeg in de war stuurde.
‘Recht naar huis hé, gasten,’ riep Robert ze zoals gewoonlijk na.
‘Waar anders?’ antwoordde alleen Veronique, ook zoals gewoonlijk.
Met onvaste stappen gingen ze huns weegs. Ze zetten er wat spoed achter, want het gerommel naderde nu zienderogen.
‘Ik voel al een paar druppels.’
‘Godverdomme.’
Een felle bliksemschicht verlichtte de Vlaamse Ardennen. Simon wrikte zijn sleutel in het slot en mompelde wat tegen zijn drinkkompanen. Hij was het eerst thuis. Veronique en Jozef mompelden wat terug en staken er nog wat meer vaart in. Vlak nadat de deur dicht was geklapt, werd Simon andermaal door zo’n worgende hik overvallen. Een pijnbom deed zijn borst ontploffen. Hij greep naar zijn keel en zeeg neer.
‘Komaan schatje,’ zei Jozef.
Veronique gooide haar sigaret weg en nam zijn uitgestoken hand vast.
‘Een spurtje tot bij mij thuis?’
‘Your place or your place? Hihihi!’
Het hoekje om en twee straten verder ploften ze in de sofa neer.
‘We zijn eraan ontsnapt.’
‘Zeg dat wel. Straks breekt de hel los. Een Duvel?’
‘Merci, graag. Anders zaten we toch nog bij Robert.’
Veronique en Jozef nestelden zich met enkele Duvels tegen elkaar aan, terwijl de eerste waaiwinden die een onweer voorafgaan de Avelgemse boomkruinen en struikgewassen beroerden. Het geknetter werd menens.
Ze frunnikten wat met kleren, bepotelden elkaar af en toe en wisselden zatte moppen.
‘Ik moet dringend plassen,’ deelde Jozef na twee-en-een-halve Duvel mee.
‘Niet te lang wegzitten, liefke.’
‘Neenee … ‘ antwoordde hij dwaas. Hij pootte zijn kelk op het salontafeltje neer en stapte onzeker naar de wasplaats achter de keuken. Toen ze door de openstaande deuren het geklater van zijn water hoorde, net niet overstemd door het vochtige geruis van het onweer, kreeg ze opeens ook een felle aandrang. Niet te doen. Het water kwam haar zelfs in de mond. Maar dit huis had godgenageld maar één wc. Ze haastte zich naar buiten, de diepe duistere tuin in, waar grote droppen hemelwater op het gebladerte pletsten. Verdorie, ze was zatter dan ze dacht. En alles was ook natter dan ze dacht. Ze gleed voortdurend uit. Over het smalle tuinpad laverend, bereikte ze de grote rabarberstruiken achter in Jozefs tuin.
‘Au! Au au au!’
Het laatste stuk van dat verrekte tuinpad was met lege in de grond geschroefde flessen afgezoomd. Een van die flessen was gebroken. Veronique was er met haar volle gewicht en haar zomersandaaltje op gaan staan, zich voorover buigend om enkele rabarberbladen opzij te duwen teneinde er een ongezien plasplekje te improviseren. Schroeiende glasstekels doorboorden haar voetzool; de pijn snerpte tot in haar borst. Ze schrok zich rot en kukelde kermend in de rabarberstruik. Gulpen bloed welden uit haar sandaaltje op. Ze eyeballde ontzet tegen de bliksemschichten in, heftig met haar armen wiekend, op zoek naar een houvast in deze vochtige kosmos. Hierbij mepte ze met haar rechterpols ook nog eens op de schervenfles die daarnet haar voet had doorboord. Fluks knapten haar aders. Ze zonk met een zucht achterover in de rabarberweelde, waarvan de twee bovenste van elkaar wegbuigende bladeren langzaam rood kleurden. Haar bloed vermengde zich met de lauwe juliregen en biggelde tappelings en sappelings van de bladeren af. De beide sappen verzamelden zich nog even in de grote gleuf van het onderste blad vooraleer ze de aarde bereikten, drup na drup na drup.
‘Bab … bab … bab … ‘ klonk het.
Nadat Jozef zijn dronken lulletje had afgeschud en (zijns inziens) voorlopig weggeborgen, constateerde hij het verdwijnen van Veronique.
‘Godvers retrowijf.’
Hij haalde zijn schouders op, stak nog een sigaret op en pakte zijn Duvel weer vast. Het was niet de eerste keer. Drank deed sommige mensen wel vaker verwarren tussen beslissingen en opwellingen. Ze had hem zelfs al eens een blauw oog geslagen zonder dat ze wist waarom. Morgen misschien. Of overmorgen. Hij moest ook eens thuis kunnen blijven, verdomme. Die verrekte tuin vroeg aandacht. Hij goot haar bier bij het zijne en dronk rechtopstaand alles in één keer op.
Voorzichtig ontsluierde Veronica engele Babbe het testament. De bloedsporen op de rol en op haar sluier waren al bruin aan het worden. Vooraleer ze de vellen (blijkbaar waren er meerdere) open streek, viel haar blik op de sluier. Het smartelijke gelaat van de Nazarener stond er vrijwel geheel op afgedrukt. Gebiologeerd staarde ze naar de doek. Daarna boog ze zich over het bovenste vel, dat zich onwillig voortdurend weer opkrulde.
Had de Nazarener door de onverwachte wending van zaken spijt gekregen van zijn gift aan een van zijn vriendinnen?
Nadat zijn ergste wonden wat verzorgd waren – de hele militie zat ondertussen weer veilig en wel verschanst in de quasi-onbereikbare grotten van een rotsformatie ten oosten van Jeruzalem – , overlegde hij met zijn kompanen.
‘Was ik op de hoogte geweest van jullie plan, dan had ik natuurlijk de rol niet weggegeven,’ zei hij fel. ‘Waarom gaven jullie me geen informatie?’
‘Te riskant,’ repliceerde Judas. ‘We dienden te vaak een beroep te doen op tussenpersonen. Niemand is nog te vertrouwen heden ten dage. Hoe minder iedereen weet, hoe beter. De Romeinen hebben ook hun luistervinken. Zelfs onder ons. Eh … we wilden wat jou betreft ook het voordeel van de verrassing. Sorry. Eh … de rol?’
‘Ja … de rol,’ papegaaide de Nazarener nijdig. ‘Mijn testament. Het is nu in handen van die Veronica. Een vrouw. En … ‘
‘Dat is toch een goede vriendin van je?’
‘Ja. Jaja. Maar mijn geschriften zijn nu niet bepaald vrouwvriendelijk.’
‘Tja … ‘
‘Vrouwen weren we toch uit onze militie? We hebben er van in het begin al over gestemd … ‘
De Nazarener inspecteerde nu met pijnlijke grimassen en gesis tussen zijn tanden enkele wonden.
‘Verdomd … dat snijdt door merg en been … au … au … ‘
‘Dan moeten we daar iets aan doen,’ kwam Petrus tussenbeide.
‘Gezien de onverwachte ontwikkelingen en in het belang van onze zaak zullen de beide spitsen van onze militie helaas een bezoek aan Veronica in de Habadweg moeten brengen. Het zit er dik in dat ze mijn testament nu al gelezen heeft. Aangezien ik toch nog in leven ben en aangezien ik van mening ben dat een man een woord is en een vrouw een woordenboek, zullen we moeten ingrijpen.’
Judas en Petrus stonden prompt op. Het woord van de leider was wet.
‘Oordeel naargelang van de situatie,’ verordende de Nazarener nog, terwijl hij zelf bijna ononderbroken sissend en lucht inhalerend zijn talrijke wonden verder depte. ‘Gebruik geen nodeloos geweld. Pols de vrouw Veronica eerst. Ondervinden jullie dat ze een en ander gelezen heeft, handel dan. Jullie weten wat je dan te doen staat. Collateral damage, jammer genoeg. Altijd te betreuren. Deze wending had ik echter nooit kunnen voorzien. Ik strompelde een zekere dood tegemoet, en die vrouw betekende toen mijn laatste hoop om vooralsnog het testament in veiligheid te brengen. Anders was het in handen van de Romeinse vijand gekomen.’
‘Ze zouden het inderdaad op de Schedelberg ontdekt hebben,’ bevestigde Johannes, die in opdracht van Petrus de stoet gevolgd was tot op de terechtstellingsheuvels. ‘Ze hebben die Simon van Cyrene volledig ontkleed. Niets bleef verborgen. Ze dobbelden zelfs voor zijn mantel.’
‘Het ware goed dat die man onmiddellijk vlakbij begraven kon worden; ga ook eerst even langs bij Jozef van Arimathea, maar kijk goed uit of jullie niet gevolgd worden. Jozef heeft er een graf dat reeds af is. Betaal hem voor de bewezen dienst. Johannes: ga ook maar mee. O, en vraag of Jozef voor enkele druppels bloed van die Simon kan zorgen. Hij verdient het mijn bloedbroeder te worden, al is het dan postuum. Hij is jezusfactorpositief.’
‘Ja heer.’
‘Waarom heb je die rol niet vooraf aan iemand van ons toevertrouwd?’ wou Judas nog weten.
‘Alles gebeurde te vlug. Voor ik het wist, was ik overgeleverd aan de vijand. Die avondwandeling … ’
‘Welja, precies: en donderdagavond dan? We zaten dan toch samen aan tafel?’
‘Maar toen kon ik nog niet weten … ‘
De Nazarener zweeg abrupt en bleef Judas met een onbestemde blik in de ogen aankijken. De echo’s van de onweersdonders leken zich nu te verwijderen. Het geruis van hevige regen – een zeldzaam verschijnsel in deze streken – had eensklaps opgehouden. Een verfrissende bries met een aangename geur woei de grotten in.
‘Ga nu maar,’ zei hij dan met een korte hoofdknik. ‘Au … au … !’
In het diepste geheim ontving Jozef van Arimathea, de eigenaar van de grond waarop zich de knekelheuvels bevonden, een kleine delegatie van de elkesaïtische stokheren. Jozef, lid van het sanhedrin, dat zelf geen doodstraffen kon uitspreken (tenzij in geval van tempelschennis), was het allang oneens met de handelwijze van Pilatus betreffende de Nazarener. Hij onderhield geheime contacten met diverse oppositiegroepen. Jozef had voor zichzelf ook al een graftombe voorzien in zijn uitgestrekte tuin, niet ver van de knekelheuvels die hij aan de Romeinse bezetters verhuurde. Als laatste eerbetoon aan de opgevorderde die de plaats van hun militante Nazarener had ingenomen, stelde de delegatie voor (mits een afkoopsom) Simon van Cyrene na de kruisafneming in dat graf te begraven. Jozef van Arimathea ging na enig aandringen akkoord. Hij zou zelf de klus klaren. Hij ontving het geld in dank, maar verbond nog een voorwaarde aan de overeenkomst: hij wilde het sluierdoek van Veronica. Hij had namelijk de gebeurtenissen van de laatste uren van zeer nabij gevolgd. Het signalement dat van de Nazarener op die doek van Veronica was achtergebleven, had hem gebiologeerd. De stokherendelegatie beloofde er werk van te maken. En zo geschiedde. Terwijl Jozef de allerlaatste druppels bloed van Simon van Cyrene bij de afneming in een beker opving, zoals gevraagd door de elkesaïtische delegatie, overmeesterden in de woning aan de Habadweg drie onherkenbaar gemaakte mannen Veronica. Ze waren niet alleen uit op het testament; ook de sluierdoek namen ze mee. Veronica verzette zich hevig; ze verweerde zich als een duivelin. Petrus verloor uiteindelijk zijn zelfbeheersing en met hetzelfde zwaard als waarmee hij tijdens de rustpauze op die avondwandeling de hogepriesterknecht Malchus het rechteroor afgehouwen had, stak hij Veronica in het hart.
Het lichaam van Simon van Cyrene werd dus in de Arimathea-graftombe ondergebracht. Deze loco-gekruisigde vertoefde daar echter niet lang. Korte tijd daarna werd hij uit zijn graf weggehaald. Men wist niet door wie, maar het deed de ronde dat hij niet echt gestorven was aan het kruis. Hij zou als wandelende Jood voor eeuwig op aarde rondzwerven, op zoek naar het hem toegefluisterde testament.
De militie van de Nazarener dook maandenlang onder in de grotten ten oosten van de stad, tot de gemoederen ietwat bedaard waren, hoewel daar in die roerige tijden weinig sprake van kon zijn. Misschien verzorgden ze ondertussen ook de vreselijke wonden van de ondode Simon van Cyrene, die zij zelf zogezegd begraven hadden en even later weer in het diepste geheim ontvoerden?
De zwaardmoord op de vrouw aan de Habadweg werd toegeschreven aan de Romeinen: die zouden wraak genomen hebben op de onbekende ontvoerders van de Nazarener door de behulpzame Veronica te doden. Ze dachten op die manier de militie te treffen.
De zon streelde al vroeg een flank van de Kluisberg. Boven de velden dreven statige nevelsluiers. Avelgem ontwaakte, gereinigd door het onweer. Jozef, die al tweemaal kort na elkaar in de vroege ochtend zijn bed uit gejaagd werd wegens hevige plasdrang – die verdomde bellen duivels bier ook – besloot dan toch maar op te blijven. Hij stak zijn eerste van een lange serie sigaretten op, hulde zich in zijn kamerjas en stapte het tuinpad op om een frisse neus te halen. Er was gezondheid blijven hangen na het late onweer van gisteravond. Iets wat een eeuwig leven zou kunnen doen verhopen.
Kuchend, gedachteloos en met lodderige ochtendogen slenterde Jozef tot bij de glorieuze rabarberformatie achter in zijn tuin. Toen viel zijn blik op dat ene rabarberblad. Samen met het tegenoverliggende blad leek het een grote kelk te vormen. Hij stokte even in zijn bewegingen. In het ochtendlicht had het blad een roze weerschijn, maar bovenal toonde het onmiskenbaar de fotokopie van het gezicht van Veronique. De nerven vielen exact samen met haar gelaatstrekken. Of was het inbeelding? Speelden de Duvels hem nog parten? Wat beschutte het dak van rabarberbladen nog meer in de vroege ochtend van de tiende juli in Avelgem, voorportaal tot de Vlaamse Ardennen?
‘Verdoeme … ‘ deed Jozef.
Hij gooide zijn sigaret weg, bukte zich ontzet voor de struik en duwde de twee grootste bladeren opzij. Daardoor golfden er krampen over het gelaat. Terzelfder tijd leek een nevelsluier in de vorm van een gedaante in een lijkwade zich uit de struik los te maken en op te stijgen. Jozef merkte het niet. Met open mond en gesperde ogen staarde hij naar de afdruk van een tuniekjurkje in de vochtige aarde, zoals Veronique er gisteravond eentje gedragen had en waar hij nog aan had zitten frunniken. Het leek op de imprint van een gebroken ledenpop, hard ter aarde gesmakt, waarvan alleen de linkerarm een natuurlijke houding aannam.
Was hier de bliksem ingeslagen en had die van Veronique een schroeiplek gemaakt? Was dit het watermerk van een gevallen engel na een duchtig onweer? Amper zichtbaar, maar toch duidelijk aanwezig, zoals engelen zelf ook alleen bestaan en spreken via luisteren en fluisteren?
Jozef hapte naar adem. Er vlamde een pijnscheut door zijn borst, gevolgd door een splinterbom van honderden door merg en been snerpende partikeltjes. Hij probeerde op te staan, maar dat lukte niet. Naar omhoog kijken lukte evenmin. Zijn blikken zeilden amper één keer over de oostflank van de Kluisberg vooraleer hij met een diepe zucht opzij kantelde en door de reuzengrote rabarberstruik omarmd werd.
26-01-10
He-man
HE-MAN, ROBOCOP & SKELETOR
Het druivenpitje bleef even aarzelend zweven aan het wateroppervlak vooraleer het pijlsnel zonk. Het was daarnet met kracht uit de mond van JF gemikt, eigenaar van een niervormig vijvertje en een druivelaar. Medio september waren de druiven goed en zoet. Merels hadden er zich vrijwel de hele mooie zomer te goed aan gedaan. Zuur, zoet, klein, groot, groen of blauw: ze smikkelden het zonder onderscheid naar binnen. Witte vlekken op de bladeren signaleerden hun aanwezigheid. Er schoten gelukkig nog genoeg trossen over voor de mens, genaamd JF, eigenaar van dit stadstuintje.
Het druivenpitje zonk neer naast een robotje dat meer dan twintig jaar geleden ook al in de diepte was beland: Robocop. Even verderop op de bodem bevonden zich nog lijken: die van He-Man en Skeletor. Relicten uit heldhaftige dagen, toen de druivelaar nog bescheiden reikwijdte en draagkracht had: in de dagen van olim, toen JF junior nog de tuin onveilig maakte.
JF dronk Beyerskloof, een Suid-Afrikaanse rode wijn, toen het gebeurde.
De spreeuwen vielen in een grote zwerm aan. Als één grote kogel bestaande uit 101 vogels vuurden ze zichzelf op de druivelaar van JF af. Enkelen misten hun doel en schoten als een kamikaze pijlsnel het vijvertje in. Ze troffen He-Man, Robocop en Skeletor midscheeps. José Feliciano zelf werd driemaal getroffen. In elk oog en in zijn hart boorde zich een spreeuw met pijlsnelheid. Zijn wijn walste wild uit het glas en belandde in het water en op de druivelaar. Het glas splinterde uiteen op de stenen rand van het vijvertje. Dit vogelperspectief betekende onmiddellijk de dood voor José Feliciano.
De drie verdwaalde vogels in het water hadden echter He-Man, Robocop en Skeletor weer tot actie gewekt. Met krachtige slagjes zwom het drietal naar de oppervlakte, hapte voor de allereerste keer naar eenentwintigste-eeuwse lucht en knikte even in verstandhouding naar elkaar. Toen hupten ze fluks de druivelaar in en beten een na een de nietsvermoedende gulzige vogels de kop af. Het donkerblauwe en paarse sap van de druiven vermengde zich met het bloed van de vogels en biggelde tappelings uit de struik op de grond en op de aflijvige JF, waar het de mooiste doodskleuren veroorzaakte.
03-01-10
License to Drink
LICENSE TO DRINK
(A Mockumentary)
Zijn er nog mensen die van ouderwetse oxo of martini houden? Gaan er nog voor een Bloody Joseph, Pink Hound of Sweet Louise? Stirred, not mixed? Mixed, not stirred? Hebben zij een license to drink? Ach, de stumpers.
Het district Madelon/Brîcq-sur-Mer (gelegen in Oud-Ocedanië, waar begin 20ste eeuw Franstalige indianen aangetroffen werden) stond bekend voor zijn slangenvlees, M-shirts en mocktails. Spot nooit met mocktails. Het zou u zuur kunnen opbreken. Het is niet omdat zo’n combinatiesapje geen alcohol bevat dat het u niet de gordijnen in kan jagen. Er zit (letterlijk) een addertje in dit ‘heilig oliesel van de nuchterheid’. U zou het kunnen besterven van de gezondheid. Maar daarvoor moet u dus in het district Madelon/Brîcq-sur-Mer zijn.
Elk jaar werd op M-Day (Memorial Day, gedenkdag van de sperenopstand van de indianen tegen het Franse koloniale gezag) in hoofdstad Madelon een gigantische ton gevuld met alle mogelijke mocktail-ingrediënten. De sappen van alle eilandvruchten vloeiden er samen. Op die dag liep iedereen ook in de bekende groen-en-gele M-shirts, de rituele kleuren en traditionele kleren van de autochtone indianen. Op het eiland leefden naar schatting nog een driehonderdtal Franssprekende indianen. De rest van de bevolking, zo’n tachtigduizend zielen, bestond uit een cocktail van Zuid-Europeanen, Midden-Amerikanen en Atlantische eilanders. De voertaal was er het Ocedanisch: een mix van Frans, Amerikaans en Portugees, ook genoemd: het Franglees.
Op M-Day (sommigen zeiden: Mocktail Day) dronk iedereen uit de ton. Hoewel in deze reusachtige mocktail geen alcohol zat, waren de Ocedaniërs na vijf, zes glazen van het goedje al duidelijk boven hun theewater. Dat kwam door de mespunten slangengif die door de sappen werden gemengd. Elk jaar vielen er daardoor wel enkele slachtoffers. In zo’n grote ton was het ook moeilijk om de juiste verhouding sappen – slangengif te bekomen. Ook in de dagelijkse mocktails, het hele jaar door gedronken, werden kleine, minutieus afgewogen scheutjes slangengif gemengd. Men beweerde dat het bevorderlijk was voor de gezondheid. De niet-alcoholische dronkenschap voortvloeiend uit het nuttigen van diverse mocktails nam men er graag bij. Maar het bleef toch altijd uitkijken voor een ‘slangenbeet’.
Serpent was het bekendste merk onder de mocktails op het eiland. Het was ook de meest te duchten mocktail. Ingrediënten: varkensbes, eilandpruim en passievrucht. Plus wat slangengif dus. Concurrerende merken: Snoa, Mockonda, Comaq en Madelonne. Elk merk had zijn bekende vruchtensappen en geheime verhoudingen, het resultaat van tradities en oude familierecepten. Eén keer probeerde een tapiocaboer (een Thai die op het eiland zijn geluk beproefde) een surrogaat-mocktail op de markt te brengen. Zijn Maniaque, zoals hij het goedje noemde, was gebaseerd op grondwortels, en had dus vrijwel geen smaak. De man, eigenlijk gespecialiseerd in varkensvoer, had ook weinig ervaring met slangengif. De Maniaque was een kort leven beschoren. De allochtone Thaise boer ook: hij werd op een afgelegen plek in het district Madelon/Brîcq-sur-Mer door onbekenden gewurgd met een dode eilandadder.
Ooit had een schildpad op M-Day een lek ontdekt onder aan het grote feestvat. Nadat ze zich rijkelijk tegoed had gedaan aan de feest-mocktail, viel ze op het strand een liefdeskoppel aan ( … dat ook al onder invloed van de mocktail duchtig aan het rollebollen was). Tussen haar kaken verbrijzelde ze achtereenvolgens de linkerenkel van de vrouw en de rechter elleboog van de andere vrouw. Volgens de slachtoffers was de schildpad hen op haar twee achterste poten genaderd, en had ze voor de aanval haar schild afgegord en opzij gelegd. Het koppel hield er vreselijke tatoeages aan over.
Op een van die jaarlijkse M-Days, ongeveer een halve eeuw geleden, greep er ook een society verlovingsfeest plaats in een dure wijk net buiten hoofdstad Madelon.
Langsheen de rivier Bricqatte begaf zich die namiddag contrabassist Damien Y. te voet naar de villa in die wijk. Dat gebeurde ietwat moeizaam omwille van het aantal mocktails dat hij die dag reeds achter zijn kiezen had gegoten. Hij was samen met nog enkele bevriende muzikanten uitgenodigd om daar ’s avonds het verlovingsfeest op te luisteren. Hij torste zijn instrument in een hoes op zijn rug. Plotseling stootte hij op een slapend meisje. Ze was ongeveer twintig jaar. Ze was ingedut bij haar vislijn, op de oever van de Bricqatte. Of was ze ook al gemocktaild en kwam ze hier haar roes uitslapen? Even bekroop hem de lust haar wakker te maken. Maar hij bedacht zich plotseling. Hij kreeg een schitterende inval. Hij zocht een beschutte plek en ontdeed zich van zijn contrabas. Daarna van zijn kleren. Toen ging hij het bosschage en de weide in om een zomertuil bloemen bijeen te plukken. Die bond hij samen met wat twijgen. Vervolgens ging hij voorzichtig te water, zwom onzichtbaar tot bij de plek waar het meisje lag te dutten en bevestigde zijn bloementuil aan haar dobber. Omzichtig en zonder geluiden te maken zwom hij weer van haar weg. Toen hij weer aan land klauterde en naar de beschutte plek sloop, merkte hij tot zijn verbijstering dat zijn kleren weg waren. Gelukkig lag zijn contrabas er nog!
Wat nu gezongen? Minutenlang speurde hij de omgeving af. Niemand te zien. De vogels waren gevlogen. Af en toe controleerde hij ook of het meisje nog sliep. Uiteindelijk besloot hij dat er maar één iets op zat: onder het dichtste bruggetje over de Bricqatte de duisternis afwachten en dan … Zo gezegd, zo gedaan. Een poedelnaakte Damier Y. haastte zich met zijn contrabas op zijn rug tweehonderd meter terug naar zo’n beschermend bruggetje. Daar verborg hij zich onder.
Intussen werd het meisje wakker. Toen ze haar vislijn in wou halen, lukte dat niet. De dobber was onder water verdwenen. Ze voelde dat er iets zwaars aan de haak hing. Haar hart bonkte. Een grote vangst? Een … een lijk? Een stomme autoband? Ze speelde haar kleren uit, gleed in het water en dook om te zien wat er gaande was. Tot haar verbazing hing er een kleurrijke bundel bloemen aan haar lijn. Het (intussen verwarde en door water verzwaarde) kluwen begon door te wegen en uiteindelijk te zinken, de dobber met zich meetrekkend. Hoe kwam dat nou? Wie had dat gedaan? Met enige moeite slaagde ze erin het probleem op te lossen. Toen ze weer op de oever klauterde, bonkte haar hart dubbel zo hard: haar kleren waren foetsie. Eerst gleed ze onmiddellijk het beschermende water weer in. Minutenlang kamde ze met haar ogen de omgeving af. Er was geen kat te zien en geen kik te horen. Behoedzaam hees ze zich andermaal uit het water. Alles bleef rustig. Dieven? Arme mensen? Bedelaars? Zwervers? Maar hoe moest het nu verder?
Plotseling werd Damiens aandacht gewekt door vlugge voetstappen. Het was intussen al wat donkerder geworden. Hij stond op en zag twee schimmen over de weg lopen, ieder een bundeltje dragend.
‘Hé!! Hela daar!!’ riep hij, molenwiekend met zijn armen. De schimmen keken geschrokken om en zetten het op een lopen, het binnenland in. Damien zette poedelnaakt de achtervolging in, maar na honderdvijftig meter gaf hij het op: de dieven waren pijlsnel door de weiden gevlucht en verdwenen.
Toen hij even later aanstalten maakte om op een beschut plekje te gaan zitten en uit te blazen, viel zijn mond wijdopen van verbazing: in het gras aan de oever van de Bricqatte zat een spiernaakt meisje!
‘Ugh!’ deed hij verbouwereerd.
Het meisje besloot te wachten op de duisternis om verdere stappen te ondernemen. Ze verborg zich tussen het hoge gras. Toen het halfduister al hier en daar het daglicht weg begon te vlakken, gebeurde er iets vreemds. Eerst was er ver geschreeuw, dan waren er de geluiden van rennende voeten, daarna doemde eensklaps een poedelnaakte man voor haar op.
‘Eék!’ riep ze verbijsterd.
De twee naakten deden elkaar hun verhaal. Het voorval met de bloemen vormde het centrale thema natuurlijk.Waren de bloemen er niet geweest … dan hadden ze allebei hun kleren nog aan. Ze konden er nog om lachen. De muzikant nodigde het meisje onder ‘zijn’ bruggetje uit, tot het volledig donker was geworden. Zo gebeurde. Zedig zaten ze naast elkaar voor zich uit te kijken en wat te praten. Het werd echter ook kouder. Daarom ontdeed Damier zijn contrabas van zijn huid en nodigde hij het meisje uit om in de hoes te schuiven en als slaapzak te gebruiken. Ze stemde toe. Ze was immers erg moe omdat ze die middag ook aan de mocktail gezeten had, bekende ze. Haar hoofd deed er nog pijn van. Damien ritste de hoes dicht en ze sliep in. De contrabas zette hij rechtop tegen het binnenste brugmuurtje. Over een uur zouden ze in het donker bij het eerstvolgende huis aankloppen en hopen dat ze er geholpen werden.
Na een halfuur hoorde Damien weer geritsel op de weg. Omdat hij het slapende meisje niet alleen wou laten, hees hij de hoes op zijn rug en sloop de berm op. Waren het misschien weer de onverlaten van vanmiddag? Weer op zoek naar buit? Of daagde er mogelijks hulp op? Hij legde de hoes even in het gras aan de zijkant van de weg om zich vlugger voort te kunnen bewegen en liep richting villawijk, van waar de geluiden gekomen waren. Geen levende ziel te bekennen. Na tien minuten week hij van de weg af en dwarste hij enkele weiden. Op die manier een grote boog beschrijvend, liep hij terug naar het bruggetje. Hij had niemand gezien. Misschien begon hij zich dingen in te beelden onder invloed van de mocktail waar hij die dag ook al rijkelijk van geproefd had?
Intussen begaven zich vanuit hoofdstad Madelon twee bevriende muzikanten naar de dure villa in de buitenwijk. De fluitist en de klarinettist keken hoogst verbaasd toen ze op hun weg de bekende hoes van Damien zagen liggen.
‘Zou Damien te veel mocktail gedronken hebben en zijn contrabas hier achtergelaten hebben?’ vroegen ze zich af. ‘En waar is de man zelf?’
‘Nou, als hij vanavond wil spelen op dat verlovingsfeest, zal hij dit hier nodig hebben.’
En ze torsten om de beurt het ding op hun rug en begaven zich naar het feest.
‘Zwaar hoor, dat ding. Hoe doet die Damien het toch.’
‘Ik zou ook niet op zo’n gevaarte willen spelen. Geef mij maar mijn fluit.’
Onverrichter zake keerde Damien dus terug. Zijn haren rezen te berge toen hij de plek opzocht waar hij het meisje in de hoes had achtergelaten. Ze waren verdwenen: het meisje én de hoes. Paniek maakte zich van hem meester. Wat was hier toch allemaal gaande? Urenlang waadde hij door struiken, weiden, water, bosschages. Waren die dieven teruggekeerd om meer buit? Het hoesmeisje bleef spoorloos. Toen viel het hem in dat hij niet eens haar naam wist. Hij had er niet naar geïnformeerd. En omgekeerd had zij evenmin naar zijn naam gevraagd. Zo gaat dat als je naakt bent. Uiteindelijk ging Damien weer onder het bruggetje zitten, rillend en treurend, bij zijn geliefde, hoesloze contrabas, die het ook al koud kreeg.
De twee muzikanten arriveerden met hun instrumenten en de hoes op het feest. Toen de heer des huizes, als groot muziekliefhebber en bewonderaar van de contrabassist Damien Y., (ietwat verontrust door de ongewone contour) de hoes open ritste, snoerde collectieve opperste verbazing minutenlang alle geluiden en kelen in de dure villa. Het werd er angstaanjagend stil.
Vele door de mocktail verdoofde mensen zagen toen hoe een contrabashoes een volwassen meisje baarde, dat zich ogenblikkelijk na haar geboorte met een vreselijk snerpende schreeuw uit de voeten maakte en door de weide naar de rivier liep, haar baarmoeder met gapende keizersnede achter zich latend.
Nu nog vertellen de Oud-Ocedaniërs de legende van de kleine weeklaagbrug boven de Bricqatte. Van onder dat brugje ontsnappen bij valavond twee weken voor en twee weken na M-Day klaaglijke klanken, door een naakte gedaante aldaar aan zijn contrabas ontlokt. Het schijnt de treurende verloofde van een evenzeer naakt meisje te zijn, dat geboren werd uit een contrabashoes, maar daarna nooit meer werd gezien. Sceptici schrijven het verhaal toe aan de kracht van de mocktail, en wat die – ondanks zijn nul percent aan alcohol – bij de mensen kan aanrichten.
16-12-09
Kersteningstijd
KERSTENINGSTIJD & KAPITALISME
Ma bukte zich onderworpen voor me neer om mijn winterkousen tot vlak onder mijn knieschijven op te sjorren. O, wat haatte ik dat. Die kousen kriebelden, lelijk en grijs, en haar koude handen kietelden onprettig. Een wit elastiek moest die dingen ophouden, en de rand van de kousen werd eroverheen geslagen. Als je liep, moest je keer op keer nakijken of alles nog op de goeie plaats zat. Dunne benen had je beter niet. Na een paar dagen gebruik was dat witte elastiekje vuilwit geworden, een week later zo grijs als de kousen zelf.
Erg, heel erg: de winter en de dooi en alles, alles wat daarbij kwam kijken. Auto's die je met bruine kledder besproeiden. Het gorgelen en rochelen in afvoerpijpen en rioleringen. De vale zon met haar valse licht en toch moest je een muts op je kop en een sjaal rond je nek. Wanten met een duim erin. Ook hier weer een elastiekje dat pijnlijk in het vel van je pols beet en lang daarna nog een rode cirkel op je huid achterliet. In die tijd was ik vrijwel geheel uit elastiekjes opgetrokken.
Met haar twee vingers onder mijn kin hief ze nu mijn hoofd naar het licht.
'Je ogen zien weer rood.'
Ik ontweek haar blik. Ze bevochtigde haar zakdoek met speeksel en wreef daarmee in mijn ooghoeken.
'Au!'
Van in mijn ooghoek over mijn kaakbeen, onder mijn oog voorbij, tot bijna tegen mijn oor. Het gloeide. Andere ooghoek, zelfde marteling, in tegengestelde richting. Dat deed ze zo tot driemaal toe.
'Au!'
'Moet dat nu? Je overdrijft.'
Ze stond op. Het kraakte in haar knieën.
'Zo. God toch, die ogen van je! Je bent net een konijn. Slaap je wel genoeg? Knoop je je jas dicht op straat?'
'Hihi, je hebt vannacht weer hardop gedroomd.'
Belinda deed ook haar duit in het zakje. Ze lag met haar ellebogen over de ontbijttafel uitgesmeerd. De kop warme melk stond dampend voor haar neus.
'Dee, deedee.'
Ik kon me nooit goed verweren tegen haar.
'En hoe kun jij dat weten als je niet eens in dezelfde kamer maft.'
'Slaapt, bedoel je,' zei ma. Ze verdween naar de keuken.
'Hihihi: deedee, dada. Jaja, ik hoorde het wel. Je moest huilen.'
'Diet waar, snotmeid! En zwijg maar, aan jou hadden we vroeger geblèt genoeg.'
Belinda slurpte het bovenste laagje van de melk af. Ma kwam door de accordeondeur weer naar binnen.
'Schieten jullie op? Schooltijd nadert.'
'Ja, ba.'
'Hé, 't is niet waar dat je alweer echt verkouden bent! Waar haal je het toch telkens vandaan.'
'Diét verkouden!' protesteerde ik. 'Alleen een verstobde deus. Heus!'
Haar ogen gloeiden weer. Ze werd erg kwaad als je niet toegaf dat je ziek was.
'Je sluit het venster toch als je boven zit?'
'Ja.' Mijn ogen prikten.
'En jas dicht op de speelplaats! Niet de stoere spelen, hé!'
Ging ze nu maar weg.
'Men zag je al vaker op straat met vliegende vanen.'
Men! Verdomde onmens men!
Mijn neus zat weer vol. Zakdoek. Goed voor één minuut. Het loste niet veel op. Begreep ze nou toch dat ik andere zorgen had.
'Je trekt de helft weer op, bah, veel zin heeft het niet.'
'Hmmppff.'
Ik werd rood. Belinda, melk op de bovenlip, fluisterde op de air van het schoollied:'Snot, snot, snot.'
'Trut. Maak dat je wegkomt. Ga ergens anders blèren.'
Plop. Er viel een krant. Ma verdween naar het halletje.
'Snotjong.'
' - - - '
Twee minuten later stond ik voor de spiegel in het halletje. Mijn ogen waren rood aangelopen. De voorraad zakdoeken in het bergkastje was vlug aan het slinken. Dan maar weer van die vervelende papieren dingen genomen. In de klas kreukte de plastic verpakking. En wat moest je dan doen met die natte proppen?
Belinda en ik stapten zij aan zij op het trottoir. In onze ruggen prikten ma's alziende ogen, van achter het erkerraam. Aan de eerste straat die we in moesten slaan, holde ik vooruit.
'Twaalf uur vijf!' riep Belinda me na.
'Jaja!'
De garagepoort van het schoenenmagazijn stond weer open. Daar, op een binnenplaatsje met hangende planten en rode klompen aan de muur, lag die grote hond. Hij kwam grommend recht toen ik hem alleen maar bekeek.
'Boebeest! Boebeest!'
Ik liep vlug door, in één ruk tot aan de oranje bol. De klaarover was al druk in de weer, zwaaiend met een spiegelei. Voor de schoolpoort bukte ik me en sjorde mijn winterkousen omhoog. Opspattende modderdroppen van snel passerende fietsen. Plassen op de strook tussen de fietsenstallingen. Sommigen kwamen van tien kilometer ver. De collectieve wanklank van de speelplaats, acht uur vijfentwintig, wat waren we allen beweeglijk en gelukkig! Ik liet me ook opslorpen. Er waren er nog met van die winterkousen. Eentje had dat elastiek opzichtig dichtgeknoopt: je zag de bobbel onder zijn knieschijf duidelijk. Midden die zee van mensenkinderen haalde ik een papieren zakdoek boven. Aan elk van de drie muren die de speelplaats begrensden, hing een vuilnisbak. Ik gooide het keihard samengeknepen balletje snotpapier bij de broodresten, de plastic verpakkingen van schoolwafels, bruine klokhuizen.
Op het sein van de bel, niemand had al ooit ontdekt waar dat pijnlijke geluid vandaan kwam, stond iedereen stokstijf. Halfnegen: van nu af was de tijd bevroren. Dik ingepakte onderwijzers kwamen in trosjes van drie of vier naar buiten. Ze gingen ieder voor een wit afgebakende strook postvatten.
1A 1B 2A 2B 2C 3A 3B 3C 4A 4B 4C 4D 5A 5B 6A 6B 6C 7
De onderwijzer met toezicht blies nu tweemaal op een fluitje. Allen kozen hun vaste plaats. Ik ging naar strook 5B, handen in de zakken, het hoofd zoals gewoonlijk een beetje schuin, de schouders opstekend tegen een windvlaag die van over de sportvelden via de toegangspoort tot de speelplaats pal aan kwam bollen.
In het klaslokaal scheurde de aangeduide jongen een blaadje van de kalender.
ALSTUBLIEFT. DANK U WEL. VERONTSCHULDIG ME. ZONDER DANK, MIJNHEER.
Het burgerlijk jaar. Het kerkelijk-liturgisch jaar. De seizoenenkrans. Romeinse tijd. Kersteningstijd. Een iguanodon.
De onderwijzer klapte een tuimelraam dicht. Hij wreef zich in de handen.
'Zo, jongens.'
De lampen waren de hele dag blijven branden. Na de middag werd het al vlug donker. Naast het klaslokaal bevond zich een rij hoge populieren. Vaak nestelde ik mijn ogen in hun takken. Ik deinde mee op de wiegende bewegingen die de wind in de kruinen veroorzaakte. De vierde boom in de rij helde iets naar voren. Misschien, na verloop van jaren, moest die koppigaard het wel opgeven: met een allerlaatste buiging zou hij de reeks verlaten. Dan zou ik al verdwenen zijn, via opeenvolgende klassen en speelplaatsen. Verder lieten de ramen in de klas weinig zicht toe: die bomen, de bovenste verdiepingen van het internaat bij de grote school en vier langwerpige brandglasramen uiterst rechts, waar een kapel zou zijn.
HAND VERBRAND: WATER OP JE HAND. OOK BIJ PRET OPGELET.
Bij het begin van de lente zouden we op schoolreis gaan naar de nationale luchthaven Zaventem. Er hing al een kaart met de reisroute erop aan de wand. Elke vrijdag was er een halfuur voorzien om daarover te praten. Op de terugweg stopten we aan een groot pretpark. Tijdens de reis moesten we aandacht hebben voor alles en nog wat en dat opschrijven.
'Als je elke dag met van die rode ogen je bed uit komt, kun je natuurlijk niet op schoolreis mee, weet je. Ik maak volgende week een afspraak voor je met de dokter. Woensdagmiddag, dan zit je toch thuis te niksen.'
'Ja, ma.'
Lap! De vrije middag eraan. Maar ik wou voor geen geld ter wereld die reis missen.
'Kijk: ik ga vanavond nog bij de buren telefoneren. Dat moet nu maar eens afgelopen zijn. Altijd dat snotteren en die waterige ogen! Straks krijg je nog een dikke kop.'
'Ik wil best ook wel zo'n lange broek.'
Ma antwoordde daar niet op.
Die volgende woensdag ging ik naar de dokter, alleen. Het had hard gevroren en mijn voeten leken de koude uit de grond op te zuigen. Die kroop langs mijn benen omhoog tot aan mijn schouders en mijn oren. Alleen de strook tussen mijn knieschijven en mijn enkels had het nog niet koud. Ik kromp ineen toen ik de deur in de poort openduwde. Ik belandde in een gangetje met veel deuren. Naast één ervan hingen drukknoppen.
Een andere deur stond open: het wachtkamertje. Er zat niemand. Ik ging zitten en stond onmiddellijk weer op. Ik haalde ma's gesloten enveloppe met het geheime briefje erin boven en ademde diep in en uit. Het deed pijn in mijn neus.
Ik klopte op de deur met de drukknoppen naast. Geen antwoord.
('Verkeerde lieveheer', vertelde de onderwijzer eens. 'Je loopt altijd met je hoofd naar links gebogen. Dat is niet goed voor je lichaam. Je moet je houding verzorgen.'
' - - - '
Ik glimlachte even, maar wist niet wat ik daarop moest antwoorden.
'Wist je dat de meeste lieveheren aan het kruis het hoofd naar rechts buigen? Nee, hé? Ze luisteren naar de goede moordenaar. Je moet er eens speciaal op letten. Kijk, straks als we in de klas zijn ... ')
Ik klopte opnieuw aan en wachtte gespannen. Niets te horen.
('JE KON DE STILTE SNIJDEN'. Dat is een pracht van een zin, Marius! Dié moet op het bord komen. Kijkt allen maar eens heel goed!'
Marius was een kei in het schrijven van opstellen. En tekenen kon hij ook al. De onderwijzer schreef in mooi, rond schrift de zin op het bord en onderstreepte die dubbel.
'Even verder lezen, jongens. Het is nog niet gedaan! Luister goed')
Ik klopte nu twee keer kort na elkaar met veel aandrang op die deur. Ondertussen overwoog ik het om op een van die knoppen te drukken. Het bleef muisstil.
(Op zekere dag had de onderwijzer zijn fototoestel meegebracht.
'Kijk,' zei hij, 'daar zal ik jullie allen op de luchthaven voor eeuwig mee vastleggen. Men zegt wel eens: iets vereeuwigen.'
'Hé, krijgen we dat kiekje dan ook, meester?'
'Hé, jàà!'
'Sstt! Sstt! Dat komt allemaal in orde. Natuurlijk, wat dachten jullie wel! Ik laat er achtentwintig van ontwikkelen. Goed? Dan moet ik daar wel een klein bedrag voor vragen, niet? Dat begrijpen jullie wel. De foto komt ook achteraan op het prikbord. Zoals jullie zien, hangen er al enkele foto's van vroegere schoolreizen. Allemaal stoere binken geworden, die kerels!'
'Hahaha')
Plotseling floepte een lampje boven de andere deur aan. Ik hoorde gestommel als van iemand die een trap af kwam. Die deur werd geopend. In het donkere gat verscheen een gezicht. Ik toonde de enveloppe. Een zee van licht gulpte nu door het gangetje.
(In de lente de hotsebots van de knikkers. Het stuiteren. In die hotsebots herkende je het toeval dat de kinderen parten speelde. Wie werd arm? Rijk? Eenheid: de knikker. De woede. Dat stuiterende tikketakke was het metrum van onze gezindheid. Winnen of verliezen kon je, en verlies was écht verlies. Je kon dat proberen te verwerken of razend worden. Verhoudingen kwamen tijdens de lentemaanden door de schuld van die knikkers overhoop te liggen. Ik bezat een plastic zakje met tien blauwe knikkers in waarmee ik tot op de allerlaatste dag voor de zomervakantie angstvallig over de speelplaats laveerde. Ik nam geen deel aan de ruilverkaveling die de grote speelruimte in haastig met krijt afgebakende partjes opsplitste en aan de reinaardij van de haantje-de-voorsten die dagelijks de mooiste exemplaren onder elkaar versjacherden. Ik had te doen met de eeuwige verliezers wier duim en wijsvinger net niet dat ene gelukzalige stootje op konden brengen. Ik, bezitter van tien blauwe knikkers, werd vrijwel dagelijks uitgesliept door generatiegenoten die in mij een potentieel verliezer zagen. Ik ...
In de winter, omstreeks vier uur al, werd het gezellig donker. Lichtbellen haperden aan de gevels, om de twintig meter. De lampen, bevestigd aan telefoonpalen, gooiden een fletse plas licht naar beneden. Ze veroorzaakten onduidelijke schaduwen. Pas wanneer het echt goed donker werd, was je van hun nut overtuigd. De kortste afstand tussen twee palen bedroeg ongeveer dertig stappen. Bij de vijftiende bevond je je in quasi-volslagen duisternis. Er rustte een stolp van stilte op mijn doodlopende straat. Alleen de kinderen met de klokslagen van acht en twaalf en vier zorgden voor wat rumoer. Eén van hen was ik, lange jaren: krullenjongen met de varkensharen. Een stolp: toen mijn straat dood moest lopen en de slagbomen aan de overweg tot in der eeuwigheid werden neergelaten. Het talmende gezuig en gedreun van de pompen bij de watervloed in godweetwelk najaar van een jaartal dat nooit meer terugkwam. Soms een vrouw met achter op haar hoofd een beheerste knot. Gerinkel van glas in een boodschappentas.
'Hm, daar gaat Lydia weer.'
Hoofden achter stille vensters. Die dachten: 'Morgen nog een weekje vooruit geschoven.'
O straat van mijn jeugd, trechter waarin alles met mondjesmaat verkleuren moest. Tijd bracht onraad voor mij, schrikkelkind. Mijn Belle Epoque nam ik door een gasmasker waar. Nog gehoord van de Zevensprong. Hoe de koning uit stelen ging. 's Ochtends bang wakker worden omdat die dag op school een vers op bevel gedeclameerd moest worden. Die gillende stoomfluit van de trein onder een vriezemaan met achter de bewasemde ramen te vroeg uit hun slaap gerukte gezichten. Soms kon ik huilen.)
‘Hm', gromde de dokter.
Op een dag, de wind joelde als een dolleman rond de schoolgebouwen, maar er hing al lente in de lucht, vormden we met 5A en 5B een grote rij. Er waren nog geen anderen op de speelplaats, want het was nog vroeg op de ochtend. De directeur zei iets en smeekte bescherming af voor de verre reis. Zijn woorden gingen in de wind verloren. Omdat er achteraan gemompel was, maakte hij zich onmiddellijk daarna hartstikke kwaad. Even mocht Geert niet mee de bus in, maar als allerlaatste leidde de directeur hem uiteindelijk toch aan het linkeroor de speelplaats over richting bus. De onderwijzers van 5 controleerden of niemand het toegelaten bedrag aan zakgeld overschreed.
Met hun knieën op de zachte kussens gezeten, kinderlijk verblijd de bus in kijkend, verklapten sommigen hoeveel centen ze meegekregen hadden en waar zich nog een stiekem sommetje bevond. Daarbij verhuisde hun kauwgummetje voortdurend heen en weer in hun mond.
De nationale luchthaven Zaventem. Niet de vliegmachines en de wilde verhalen trokken me aan. Niet het eindeloze van de startbanen of het weidse van de grasvelden. Alles werd ons getoond. Er waren jongens die ijverig noteerden. 's Middags openden we in de ruime hall onze lunchpakketten. Sommigen gingen in de cafetaria iets drinken, dat mocht. Ik zat met een vijftal klasgenoten op een cirkelvormige bank in de grote hall. Middenin stond een enorme plant. We zaten er met onze ruggen naartoe gekeerd. We jongleerden met muntstukjes. Er werd gewikt en gewogen hoeveel nog kon worden besteed, waaraan, hoe, wanneer. Ik hield een blinkende munt veilig in de warme holte van mijn broekzak verborgen. Die kon het begin van een onmetelijk fortuin worden. Daar kon ik dan een groot huis mee bouwen waar op het dak de heli's zouden opstijgen en landen. Tijdens de lunchpauze verkocht ik nog een pakje kauwgum. Ik vroeg er een lagere prijs dan ik er zelf voor betaald had. De opbrengst liet ik ook in mijn broekzak glijden. Het was een prettig en nieuw besef: ik had nog nooit over zo veel geld beschikt.
De rest van de dag schoof daarom op de achtergrond voorbij. Wazig voltrokken zich de gebeurtenissen waarover ik later in een opstelletje met veel tekenende woorden zo mooi schrijven zou, tot grote nijd van Marius. Rond drie uur in de middag nam de onderwijzer de beloofde klasfoto. De wind rukte aan onze haren. Iedereen was lelijk. Het duurde en duurde tot allen eindelijk dicht genoeg opeengepakt stonden om op het kiekje te kunnen. We hielden onze hoofden schuin als verkeerde lieveheren, tegen de suizende wind. Ik bevond me uiterst rechts. Secondelang perste ik de verplichte glimlach eruit en goochelde ondertussen met de warme munten in de diepte van mijn broekzak. In het pretpark, later op de dag, hield ik me afzijdig. Ik voerde op de parkeerplaats tussen de bussen diepzinnige financiële gesprekken met Geert en Bruno.
Tijdens de terugreis, toen de regen de ramen martelde en elk zicht belette, deed Paul de ronde met de pet van de busgeleider. Geert, Bruno en ikzelf, samenhokkend op de achterste bank, weigerden een bijdrage. Van toen af geloofde ik dat er een doem op mij rustte. Trouwens, de dag daarop trapte ik thuis in een spijker. Ma gaf me nog een extra labberdoedas omdat ik keihard gevloekt had.
Dit, en nog vele andere dingen, was een nauwkeurig uitgekiende straf, bewerkstelligd door De Grote Bouwheer, De Meester Van Het Heelal, De Oneindige Edelman, De Onmetelijk-Zwijgzame Uurwerkmaker, voor het weigeren een fooi aan de geleider te geven, het katapulteren van kiezeltjes naar wiedsters, het rokjetillen, het piemeltjevillen, het maken van Geheime Gedichten, het Weten van Allerhande Geheimen en nog vele, vele zonden.
Ach, het was een straatje zonder einde.
28-11-09
Horen & zien
HOREN EN ZIEN
Loredana Van Eyck zat tussen de tientallen zomerkleuren in de tuin van haar ma. Ze hoorde de bloemen. Het blauw overheerste momenteel, in vele schakeringen. Ma had blijkbaar een blauwe periode. Het oranje, altijd ietwat vreemd of onverwacht in de natuur, hield zich op twee plekken bescheiden op de achtergrond. Een enkele felgele bloem (één volstond) schaterde uitbundig naar het perk waar al dat blauw in rood overging. Het water in de vijver was bedekt met groene bladeren, waarin reeds de allereerste okersporen van verval zichtbaar waren, en waaronder goudkleurige vissen voorbijgleden.
Loredana Van Eyck was blind.
De combinatie van een witte en een bruine vlinder, zoals die momenteel samen door de tuin dansten, zou een feest voor haar ogen geweest kunnen zijn. Maar Loredana Van Eyck was blind. Ze rook wel de kleuren. Ze droomde er ook van een concerto voor bloemen en planten te componeren.
Spreeuwen (in een herfstzwerm bijvoorbeeld) reageerden dertienmaal sneller dan mensen; vandaar de magnifieke patronen in die zwermen: puur communisme, pakweg in oktober boven Rome. Geen enkele vogel die de collectieve zwierigheid van het duizendtal verstoorde.
Zo snel was ook Loredana, maar dan moederziel alleen. Blinden vertoeven zelden in zwermen. Zo zag en voelde ook zij veel vlugger dan ziende stervelingen de dingen aankomen. Dat was natuurlijk het bekende verhaal. Ze zat bijvoorbeeld al weer veilig binnen toen het begon te regenen. Even later beluisterde ze glimlachend de percussie van de droppen op het dak van de veranda.
Loredana Van Eyck was bang voor haar gedachten omdat die vaak even later ook werkelijkheid werden. Neem nou de krant. Een zelfverklaarde kwaliteitskrant dan nog wel. Daarin stond het bericht (op de voorpagina; het was echt wel komkommertijd) ‘Concerto voor wortel, hoefblad en prei’ : een Brussels kunstenaar had een cd uitgebracht met muziek van planten en groenten. Voorheen bleek hij ook windschilderijen te hebben gemaakt. En onlangs nog had Loredana – voor de hoeveelste keer? – over zo’n concerto gefantaseerd.
Twee dagen later verscheen in diezelfde krant nog eens iets over de kunstenaar Panamarenko, over zijn volgehouden pensioen met name. Had Loredana daar niet pakweg twaalf uren geleden ook aan gedacht, zomaar, zonder aanleiding?
Ze repte daar met geen woord over tegen haar moeder, die haar elke dag de gesproken krant bezorgde, of er soms de hoofdberichten uit voorlas. Ze vond het op zich al onmogelijk zoiets aan anderen mee te delen.
En er deden zich nog vreemdere zaken voor. Mama veroorzaakte bij het voorlezen van de krant een chocoladesmaak in Loredana’s mond. Neerstrijkende of wegvliegende vogels deden haar rillen en het koud krijgen. Kamerplanten begonnen soms hardop te … nou, wat was dat? Hoe kon je dat noemen? Spreken? Roepen? Schreeuwen? Er zou een ander werkwoord voor moeten bestaan: voor het storende lawaai dat Loredana hoorde wanneer kamerplanten dorst hadden, te lang alleen gelaten werden of in te donkere hoeken moesten staan. Wolken waren watten om te voelen, te plukken en op te eten. Ze waste zich geregeld met maanlicht. Regenkabaal smaakte naar vanille; chocolade rook als een requiem. De nacht geurde elk uur weer anders. Alles kwam samen. Loredana werd er tureluurs van. Mochten de luiken voor haar ogen niet gesloten zijn, om zo te zeggen, dan hadden de mensen soms de chaos of toch minstens de overweldiging in haar ogenschijnlijk dode ogen kunnen zien.
Het lag dus in de lijn van de verwachtingen dat Loredana’s lijf en ziel daar werk van maakten. Ze begon extra ledematen te ontwikkelen. Ze kreeg alles dubbel, zodat ze uiteindelijk over vier armen en vier benen beschikte. Omdat Loredana Van Eyck daarbij al op voorhand de problemen voorzien had, had ze haar moeder een sluimerinjectie toegediend vooraleer de metamorfose duidelijk zichtbaar begon te worden. Zwijgen werd aldus het zesde zintuig van haar moeder. Met verstomming geslagen takelde ze op drie dagen tijd al heel vlug af. Weldra bevond ze zich in het rijk van de zielen. Op de derde dag wikkelde Loredana haar in suikerspinrag en at haar op. Ze smaakte naar oude westenwind. Hierbij maakte Loredana gebruik van haar vier nieuwe ledematen, die ook op een paar dagen tijd reeds flink ontwikkeld waren.
Zoals mama al vlug minder en minder was geworden, zo had Loredana zich al snel ontpopt tot een volwaardige achtpotige meid. Ze was nu een stuk minder blind geworden. Tevens had ze nu een beter overzicht dan voorheen gekregen. Elke poot aan haar lijf (in gedachten gebruikte ze het te korte woord ‘arm’ niet meer) vertegenwoordigde immers een zintuig: horen, zien, voelen, proeven, ruiken, gewaarworden, voorspellen en zwijgen.
In haar hoedanigheid van spinvrouw maakte Loredana Van Eyck onmiddellijk werk van een all-in website. De combinatie frambozenmassage – champagnerosé – fijnevleeswarenfantasie – topless passievruchtentherapie lokte weldra klanten-aan-huis, die Loredana stuk voor stuk murw masseerde, injecteerde, inpakte en leegzoog, bij hoge nood: opat. De verdorde en uitgedroogde restanten verbrandde ze achter in de bloementuin, die nu inmiddels al andere tinten vertoonde, want de heksen van de herfst waren al druk met hun bezems in de weer. Elk vuur was een knapperig concerto.
De frequentie van de rookkolommen en de reuk ervan trokken de aandacht van omwonenden en milieu-ijveraars. Een man, afgelopen zomer nog verkozen tot wijkburgemeester, beweerde zelfs gekerm en gehuil in de opstijgende rookzuilen gehoord te hebben. Loredana, die deze gevaarlijke bewering met haar zesde poot gewaarwerd, staakte even de vuren. In plaats daarvan wachtte ze het goede moment af om de kerel een bezoek te brengen en zijn bloed voorgoed te doen stollen. Dat gebeurde op een maanloze nacht, terwijl de wijkburgemeester naast zijn wettelijk geregelde vrouw te slapen lag. De vrouw hoorde of voelde niets, want ook zij kreeg van Loredana preventief een lichte injectie, die haar tot tegen de middag door liet slapen. De jeu-de-boulesclub waar ze lid van waren, maakte de vrouw met dwingend belgerinkel wakker. Ze stonden omstreeks halftwaalf met z’n zessen klaar voor een fietstochtje annex picknick. Toen ontdekten ze dat de man dood was.
De doodsoorzaak werd bepaald op hartstilstand. Niemand merkte de minutieuze prikgaatjes in de kwabachtige delen van het lichaam van het slachtoffer. Loredana had zich beperkt tot minuscule maar efficiënte prikken, om geen argwaan te wekken.
Op de dag van de begrafenis van de wijkburgemeester – er woei een zoete wind – kringelde er weer rook omhoog uit de tuin van Loredana Van Eyck. Omstreeks halftwaalf stak een steviger wind op. Toen de stoet in een aangrenzende straat passeerde, omwille van het milde weer te voet op weg naar de begraafplaats, werden de rouwende familieleden, vrienden en kennissen onaangenaam geprikkeld door de rook die hun richting uit gedreven werd en uitgerekend op hun neersloeg. Een bepaalde rooksliert omhulde de lijkwagen als een lijkwade. Dof gemor en opstandig tandengeknars stegen uit de rouwstoet op. Ze zou ervan lusten. Ze zouden haar eens. Wat dacht ze wel. Een bijzonder onkies moment. Had je dat nu nog geweten.
Ook Loredana hief haar hoofd en snoof diep, want ze werd gewaar dat de dode kerel in zijn kist op weg was naar zijn laatste rustplaats, niet ver hiervandaan. Grijnslachend dirigeerde ze de rookpluimen ook die richting uit.
‘Beetje feestelijke wierook,’ mompelde ze. ‘Rook in vrede, amen.’
Kauwend op de zoete wind dacht ze: ‘Waarom verbranden ze dat omhulsel toch niet?’
Ze pookte het vuur nog eens op.
‘Sommigen doen voorwaar tot na hun dood nog aan grondbezit. Typisch menselijk. IJdelheid. Hebberigheid. Al die verloren ruimte … ‘
Toen brak plotseling een helse paniek uit in de rouwgelederen. Dat begon in de lijkwagen zelf. Hard geklop weerklonk in de doodskist, onophoudelijk, dwingend, vergezeld van gesmoord gebrul. De mannen en de vrouw van de begrafenisonderneming sprongen ontzet en met grauwe gezichten uit de auto. De stoet stokte. Mensen gilden en vielen flauw. De weduwe krijste dat horen en zien haar vergingen en zakte bewusteloos in elkaar.
Voorbijgangers bleven met gesperde ogen en open mond verbijsterd toekijken. Twee mannen klapten nu omzichtig het achterportier van de doodswagen open.
Het kabaal bereikte ook Loredana.
‘Shit!’ zei ze. ‘Ik heb hem niet grondig genoeg geïnjecteerd. Mijn prikken waren blijkbaar niet sterk genoeg op langere termijn. En ik had hem verdorie toch beter helemaal genuttigd. Nu herkent hij ongetwijfeld de rook die hem prikkelt!’
IJlings werd nu de doodskist uit de wagen geschoven, terwijl dat geklop en gebrul maar aanhielden. Ondertussen had een van de bediendes van de begrafenisonderneming het breekijzer opgeduikeld dat altijd in de lijkwagen aanwezig was voor het geval dat …
Zo’n miraculeus geval dus …
De kist van de aflijvige wijkburgemeester was immers hermetisch dichtgemaakt.
‘Je weet maar nooit,’ had begrafenisondernemer sr. vijfendertig jaar geleden gezegd, nadat hij gehoord had over een Mexicaanse dode die in zijn kist ontwaakt was, nog tijdens de plechtige afscheidsviering.
Ondanks opperste nieuwsgierigheid en verstomming (met uitzondering van de inmiddels vijf bewustelozen, die zich ineengedoken zittend of liggend op straat bevonden) deinsde bijna iedereen tien meter achteruit toen de bediende het deksel van de kist open wrikte en het wanhopige geklop en gebrul eindelijk ophielden. Op die vreemde onnatuurlijke geluiden tijdens de teraardebestelling van haar echtgenoot hief de weduwe haar hoofd weer.
Met bloedende kneukels en in zijn paasbeste pak richtte zich de ondode man op, naar adem happend, huilend en schreeuwend als een bezetene. Zelfs de bediendes deinsden nu een paar meter achteruit. Na een twintigtal seconden kon de verrezene zich weer verstaanbaar maken.
‘José!!’ gilde hij hoestend, terwijl hij met verwilderde blik zijn ex-weduwe aanwees, die andermaal terstond flauwviel, ‘José!! Verdomde rook!! Wa … Water, godverdomme!!!’
Toen kwam met loeiende sirene en blauw zwieplicht een ambulance van de Mobiele Urgentie Groep eraan. Iemand had in de eerste golf van paniek de spoeddiensten gealarmeerd. Nadat de ambulance zich met krijsende remmen en ware doodsverachting als een wig tussen de staande, zittende en liggende mensen tot bij de lijkwagen had gemanoeuvreerd, begaf het hart van de wijkburgemeester het voor de tweede keer. Nog altijd zat hij rechtop in zijn kist, als een baby in een bad. Nu zakte hij echter plots als een lamme ledenpop opzij, net op het ogenblik dat eindelijk een vermetele het aangedurfd had met een flesje water te naderen.
De mannen van de MUG keken ontzet naar elkaar, naar de kist, de lijkwagen, de bewusten en bewustelozen op straat.
‘Hij is weer dood!!’ gilde de weduwe, die andermaal weer even bij bewustzijn was. ‘Weer dood!!’
‘Opzij!’ brulde een witjas dan.
‘Achteruit!’ blafte een andere witjas.
Ondanks allerlei gymnastische en technische ingrepen bleef de man (die inmiddels languit op straat lag, uitgespreid in lengte door de hulpdiensten) beweging- en levenloos. De mannen van de Mobiele Urgentie Groep gaven het op, misnoegd over hun nederlaag tegen de dood.
‘Opzij! Achteruit!’ blaften ze weer. Waarna ze, andermaal in opperste verbazing, vroegen: ‘Wat is hier in hemelsnaam eigenlijk allemaal gebeurd?’
Terwijl de begrafenisondernemer het onwaarschijnlijke verhaal deed, deponeerden de MUG’ers met behoedzame bewegingen het lijk weer in de kist. Ze waren op het ergste voorbereid. Op het trottoir zakte de kersverse weduwe ten derden male in elkaar.
Toen besloot Loredana in te grijpen. Als Mohammeds doodskist tussen aarde en hemel zweven kon, dan was dat ook in dit geval mogelijk. In een mum van tijd breide ze een groot web boven de vuurput in haar tuin, voorzien van een lange ankerdraad. Het web dreef mee met de aangewakkerde zoete wind en de rookslierten, tot het zich boven de rouwstoet bevond. Dan was er geen houden meer aan. Het net zakte vliegensvlug, pakte met zijn kleverige draden man en kist in en steeg snel weer met de buit op. De collectieve ontzetting was zo verpletterend, dat bij iedereen alle zintuigen stokten.
Loredana dirigeerde met de ankerdraad het gevaarte richting bloementuin. Boven de vuurput liet ze los. Man en kist ploften met een doffe smak in de kuil, as van voorheen afgestorvenen opwolkend. De vlammen waren blij met hun verse voedsel.
Niemand van de getuigen heeft de gebeurtenissen kunnen navertellen. Alle zintuigen waren voorgoed uitgeschakeld.
Loredana Van Eyck leefde nog lang, blind en gelukkig. Ze kreeg vele bezoekers op haar website.
01-11-09
You: de foto's
You're in the Army now
YOU’RE IN THE ARMY NOW
(De M&M-moord)
Sectie Personeel, MHO
Nazomer 1977 bood ik me op bevel van de overheid in het Militair Hospitaal te Oostende-Bredene aan om mijn dienstplicht voor de Belgische Strijdkrachten te vervullen. Vuurtorenzwieplicht kleurde dat jaar. Donkergroene aliens (de Medische Dienst van het Belgisch Leger werd in geruststellende groene apenpakjes aangekleed) parkeerden me in de SP. Wat moest men anders aanvangen met een Germanist, oud 24, reeds 2 jaar op de arbeidsmarkt actief, hebbende een vrouw en een tweeling in aantocht, 2 dichtbundeltjes op zijn palmares? De rest van de dienstplichtigen waren idem dito oudere artsen, apothekers, kinesisten en verplegers. Enkele ‘sociale gevallen’ (je bent 18, je wilt wat, maar je moet naar het leger, waar men je gaat ontluizen) lapten de ramen – om toch iets van het kazernegevoel te hebben.
In die Sectie Personeel verwerkte ik documenten en formulieren. Op korte tijd nam ik kennis van volstrekt belachelijke afko’s en stupide lemmata. Ik schreef ‘verloven’ en ‘marsbevelen’ uit, haalde (gewapend) geld van de bank voor de maandelijkse uitbetaling in het handje van de beroeps en verrichtte administratie betreffende IN en UIT.
IN: opgeroepen dienstplichtigen die om een of andere reden (lichaam, geest) van hun vaderlandse plicht bevrijd wensten te worden. Ongevallen ook. Ene soldaat milicien Hennebel bijvoorbeeld, afkomstig uit Poperinge, bracht er zijn volledige diensttijd ingegipst en horizontaal door in zaal 6, na een zware motorcrash. Beroepssoldaten, die na een ongeval ijlings in het dichtst bijgelegen ‘burger’ziekenhuis werden opgenomen, dienden na de eerste zorgen uiteindelijk ook bij ‘ons’ te belanden, de donkergroene Nightingales van het westelijk front.
UIT: de pechvogels, die na ampel onderzoek (men nam ruimschoots de tijd om door fake & rookgordijnen heen te kijken) toch hun eenheid moesten gaan versterken. De gelukzakken, die afgekeurd werden. De herstelden ten slotte, reserve of beroeps.
Druk?
Nou ja, op z’n legers.
Soms gebeurde er wat. Er werd bijvoorbeeld in de omgeving een Ensor gestolen. Een zicht op een kerkje in de duinen. Ensor ligt gevoelig aan de kust. Men deed onder andere een beroep op een korporaal-chef van het Militair Hospitaal die het pendelen beheerste. Naast pornografie en fotografie beoefende deze kerel ook het wichelroede lopen. Hij liep niet alleen zijn pik achterna. Hielp dat? ‘Zoek westelijk’, orakelde de man. Anderhalve maand later trof men het schilderij aan op dezelfde plek waar het door Ensor was geschilderd. Het beeldde zichzelf uit toen het gevonden werd. Zicht op duinenkerkje weerspiegelde zicht op duinenkerkje. Het werk van een grapjas?
Of er deden zich februaristormen voor gecombineerd met springtij. Remember 1953 (mijn geboortejaar, nota bene). We duikelden toen honderden veldbedden uit de kelders van het Militair Hospitaal op, alarmfase nr. zoveel werd geblazen, want enkele straten in Oostende waren onder water gelopen. We boften met deze onverwachte gang van zaken; het doorbrak de saaie legerroutine. Hij tij keerde echter weer, dat jaar, letterlijk, en de winden gingen liggen. Oostende werd opnieuw de statige Koningin Aller Drenkplaatsen.
‘Een treurige prins’
Oktober 1977.
‘Uwe maat is dood,’ zei mijn directe baas ADC (Adjudant-Chef) Debruyne tegen mij.
‘Maat?’
‘Ewel, kijk, hier: gij schrijft toch ook gedichtjes?’
Dat verkleinwoord.
Hij schoof me Het Nieuwsblad toe. Daarin werd bericht over de dood/zelfdoding van de ‘zeer treurige prins-dichter’ Jotie T’Hooft.
‘En ze hebben hier een dienstplichtige binnengebracht die ermee te maken zou hebben, hij was erbij in Brugge, dat moet wel lukken, een soort edelmanneke … eh … van adel, daar is nooit iets goeds van te verwachten.’
‘Tja,’ deed ik.
Ik had Jotie T’Hooft enkele keren ontmoet. We werkten voor hetzelfde literaire tijdschrift in Gent (‘Yang’). We lazen samen voor uit eigen werk in Turnhout en Eindhoven. Van hem bewaarde ik ook een paar brieven, op blauw papier.
‘Gij droeg toch ook van dat lang haar hé voor ge naar ’t leger moest? Op de achterkant van een van uw boekskes zag ik dat.’
Boekskes.
Verdomde puitogige oerstomme caravansocialistische spinaziestrontkleurige boefer.
‘Ja.’
‘Dat geeft een slechte indruk bij de mensen.’
‘Ja … ‘
Ik schoof de krant terug naar het oorlogsgebied van ADC Debruyne en dacht aan mijn recente jaren in Leuven en Gent. Het was nog altijd wennen aan termen als ‘Oostende, Kortrijk’, en nu: ‘Brugge, Assebroek’.
Mijn Mest-Vlaanderen.
Good Old Times
Mei 2006.
We ontmoeten elkaar zoals gewoonlijk op het straatterras van taverne Het Voorgeborchte in Avelgem, vlak bij de kerk – onze vaste stek sedert jaren, maandelijks, elke laatste donderdag in de vooravond. Het regent, maar we hebben een ronde tafel onder de overkapping aan de straatkant. We worden omgeven door gepensioneerden en coladrinkende scholieren van het Koninklijk Atheneum en het Sint-Jan-Berchmanscollege die vlug even komen schuilen. Het regent oude wijven – gezellig, en het is warm. Ik wacht op Jotie T’Hooft.
Drie elementen hebben ons al die jaren verbonden: we zijn beroepsmilitair geworden (het scheutje Rimbaud in ons), we bekeerden ons tot het ene en waarachtige Russisch-orthodoxe geloof (de roes) en we zijn blijven schrijven (de verslaving). Het zijn ook drie restanten van onze juveniele marxistisch-leninistische sympathieën van weleer.
Mijn drie jaar jongere brother-in-arms wordt er 50 vandaag. Ze hebben hem al lang opgegeven – sedert oktober 1977. Wat mezelf betreft: ik word geduld, niet geacht. We zijn vergrijsd, na vele veldslagen. Jotie betrekt enkele kamers driehoog in de (…)straat in het rustige Avelgem, maar hij is vooral voortdurend onderweg. Ik hok in het Pompei van het Zuiden, ook nog genoemd: Kortrijk, boven het afspraakkaffaat Vlas Vegas.
Wat dreef ons eind jaren ’70 van de vorige eeuw in de kaki-armen van het allesbegrijpende leger?
Vox
Het was dankzij Vox dat we blijvertjes werden.
We solliciteerden – onafhankelijk van elkaar – naar een job bij de schrijvende redactie van dat militairenblad. Vox: het legermagazine met de vredesachtige X in de naam. (Ik vond na mijn legerdienst geen interessant werk meer als Germanist). We slaagden. Daarna was de stap naar de Militaire Inlichtingen Dienst maar klein. Dichters zijn immers leugenaars, gladde palingen, en fakers. Hoe zouden we anders herfst 1977 Jotie’s (zelf)dood geënsceneerd kunnen hebben?
We solliciteerden andermaal, gezamenlijk deze keer. We slaagden, medio jaren ’80. We kenden namelijk de correcte term voor een keuken op een schip: kombuis. En voor een groep kraaien: klad. We kenden nog zeer veel andere dingen.
Meanwhile: de dienstplicht werd afgeschaft, het leger werd afgeslankt en de bezettingstroepen verhuisden weer uit Duitsland. Wij waren (en zijn) de enige twee (ietwat langharige) undercover militairen van het Belgisch Leger. Onze uniformen (we hebben allebei de graad van majoor) hangen permanent ongebruikt in onze kasten. We opereren in burgerplunje.
Het gebeurt dat we met z’n tweeën een Russisch-orthodoxe eredienst bijwonen, in de Polders, in Oudenaarde of in Kortrijk. Maar ons houvast is onze afspraak elke laatste donderdagvalavond in de kuipstoelen aan een ronde tafel van Het Voorgeborchte te Avelgem – in de winter binnen, de andere seizoenen bij voorkeur buiten.
Leffe, whisky. (Ik moet hier wel uitkijken).
Sigaretjes pieren. (Hij moet hier wel uitkijken).
Rustig, rustig, terwijl vlak voor ons op straat zich het woeden van de wereld tijdens spitsuren voltrekt. We spreken elkaar altijd met onze echte voornaam aan.
Officieel werkt Jotie T’Hooft voor Het Rode Kruis. Hij heet Johan
Dendooven. (Zijn laatste letterkundige wapenfeit: de scenario’s voor de strips Florence en Henri).
Officieel schrijf ik (jeugd)boeken. Ik ben Marc Baccarne. (Mijn laatste letterkundige wapenfeit: ik bezorgde chef-kok Piet Huysentruyt een extra punt op de twintig (van 15 naar 16!) in de Gault et Millau-gids door een ‘eigenzinnige’ tekst over zijn restaurant in Wortegem-Petegem te schrijven).
Jotie is een stijlvolle vijftiger geworden, met halflange, achterover geharkte, donkergrijze haren. Vooraan is wat kaalheid ingetreden. Hij kleedt zich peperduur. Hij draagt permanent een handschoen aan zijn linkerhand, die jaren geleden deerlijk verminkt werd in action in een of andere Kongolese provincie.
Ik tors ietwat langere, sneeuwwitte haren. Dagelijkse porties biergist beperken de haaruitval tot een aanvaardbare hoeveelheid.
Die details helpen ons bij onze job. We worden gerespecteerd en goed betaald. De legertop telt namelijk enkele heel geschikte, intelligente mensen. Mochten die ‘in de privé’ werken, dan zou ons land, dat druilerige driehoekje, er helemaal anders uitzien.
Ons lijflied: alles van Status Quo. We kennen hun repertoire vanbuiten. Rechttoe-rechtaan rock. Geen psychedelica. Geen ruis. Geen kosmiek. Geen static. Duidelijke boodschappen.
Gedichtjes? Gedichten?
Praten we nooit over.
We bloggen ieder apart, op het internet, onder diverse pseudoniemen. Over de middenstandsliteratuur van de jaren ’80, ’90 en de populistische letterkunde van heden ten dage winden we ons niet meer op. We zijn Heren van Stand geworden. Geef ons Russisch-orthodoxe kerstkoren, een gouden herfst, tabak, wat alcohol, memories.
We hebben er veel aan de galg gepraat. In opdracht. In den beginne hadden we moeite met de absolute zwijgplicht die ons was opgelegd. Maar als ouder wordende dichters vormde dat gaandeweg minder een probleem. Jotie was afgekickt; ik had Koning Alcohol verbannen naar een Elba ergens achter mijn hart. We leefden met mate, en met een zekere regelmaat. We vreesden maar één ding: dat we op een onbewaakt ogenblik door onze eigen werkgever omgebracht zouden worden. We wisten te veel. En we waren ook makkelijke prooien: ze hadden ons verplicht elektronische enkelbandjes te dragen. Dat gebeurde beroepshalve, ter bescherming.
De Agusta-affaire bijvoorbeeld – het scheelde geen haar of we dienden allebei een compleet andere identiteit aan te nemen en een andere biotoop te bewonen aan de andere kant van de wereld. We konden het gevaar intern bezweren.
Wie dit leest, zal nu opperen: ‘En de vrouwen?’
Ja, de vrouwen.
Meervoud.
Laat dit nou eens een verhaal worden zonder vrouwen.
Meneer M., of all persons!
Ter zake. Mei 2006. Het regent oude wijven in Het Voorgeborchte van de Vlaamse Ardennen.
Ik wacht op Jotie. Hij is al 14 minuten te laat. Plagerige scholieren molesteren elkaars fietsen en schooltassen. Enkelen gaan druipnat zitten en bestellen cola’s. Dan glijdt eindelijk de grijze Saab voorbij. Jotie wuift. Er zit iemand naast hem.
Even later begroet ik ze hartelijk.
Jotie/Johan heeft de goede oude meneer M. uit rusthuis Dennengroen eens meegebracht. Dat is leuk. Het was aan o.a. meneer M. te danken dat Jotie anno 1977 een ‘gedaanteverwisseling’ kon ondergaan en na drie jaar luxe-opsluiting in het slotklooster W. in Luxemburg een ander leven kon beginnen. We werkten later nog wel vaker met hem samen. Jotie en ik leerden M. beter kennen in een Mechels kerkje, waar hij hobbyist-organist was. Op zoek naar ‘andere’ klanken kwamen we op dat kerkje af, want er zou toen Russisch-orthodox gespeeld en gezongen worden. Van het een kwam het ander. Meneer M. werkte beroepshalve als ambtenaar voor afwisselend BiZa en BuZa. Hij was nog veel meer dan dat. Hij was spion voor Roemenië en Rusland, werd zogezegd verlinkt (doordat zijn toenmalig contact plotseling asiel in België zocht), offerde er zijn eer, geweten en openbaar leven voor op, maar eigenlijk werkte hij al die tijd ‘dubbel-op’ voor de Belgische Staatsveiligheid. Wij deden hetzelfde, maar vooral in militaire middens. Meneer M. bracht amper drie jaar in de lik door – hij werd, jaren na Jotie, en vlak voor zijn pensioen, ook in het luxeslotklooster in Luxemburg ondergebracht. Daar kreeg hij een prinselijke behandeling, in ruil voor de openbare desavouering van zijn daden. De Russen reageerden niet, maar de Roemenen waren niet weinig van hun melk eenmaal ze het ware M-verhaal door hadden. Uit wraak zorgden ze ervoor dat tijdens de woelige eindjaren ’80 in Boekarest een Belgisch tv-journalist door een verdwaalde kogel werd gedood.
‘Meneer M., hoe maakt u het?’
‘Ik maak het nog altijd zelf, dank u.’
‘Proficiat met uw … ‘ (Meneer M. is een kersvers tachtiger).
‘Geen getallen alstublieft.’
We maken voor de zesentwintigste keer vrolijk kennis. Oude vossen en hun streken. Meneer M. ziet er als iedere Belgische tachtiger uit. Hij krijgt dan ook niet veel aandacht van de ons omringende oudjes en scholieren. Maar ze moesten eens weten.
De linkerhandschoen van Jotie wenkt de ober. Nu ik het zo bekijk: twee handschoenen staan chique, vooral bij het aan- en uitdoen, één permanente handschoen is luguber.
Ik concentreer me weer op meneer M. Het is zes of zeven jaar geleden dat ik hem nog eens ontmoette. Meneer M. is en blijft een onverbeterlijke, laconieke grapjas.
Hij mocht ooit zelf, in de tweede helft van de jaren ’70, zijn eigen ‘toelatingsproef’ voor de Roemenen en de Russen bedenken en bekokstoven. Hij stelde voor een Ensor te ontvreemden, die enkele maanden spoorloos te laten zijn, en het ding dan weer op zijn schitterendste plaats op te laten duiken, dit alles zonder ook maar het minste spoor na te laten. (Hij hield nu eenmaal van ouderwetse spionage, mistige contouren, schimmige gestaltes en geheimzinnige verdwijningen). Hij slaagde cum laude. Uiteraard, want hij kreeg de steun van de Staatsveiligheid. Hij werd aangeworven door de ‘overkant’. Alleen ik slaagde er in die tijd eerder toevallig in iets te ontdekken: uitgerekend ik, de Germaanse oudere SP-dienstplichtige van het HMO, het Hôpital Militaire d’Ostende. Van dit ene kwam inderdaad ook het andere.
Ik kwam in contact met de Inlichtingendiensten, we kalefaterden het zieltogende wrak van Jotie (de rol van het MHO daarin zou altijd een angstvallig staatsgeheim blijven), we zorgden voor een staaltje gedaanteverwisseling, we lieten er drie jaren over heen glijden (slotklooster Luxemburg, redactie Vox, mantels der vergetelheid, rookgordijnen, weetjewel) en daarna konden we aan de slag, vaak met meneer M. als onze mentor.
M&M
De ober komt eraan.
‘Voor meneer M. een wodka, onverdund, zonder ijs,’ zegt Jotie in de plaats van meneer M.
‘Uitkijken, of de regen verdunt die wel,’ repliceert de ober, boos naar de zeiknatte straat knikkend. Voorbijglijdende auto’s op pletsende banden zorgen voor lawaai-overlast.
‘Plus een Leffe en een J&B, ook onverdund.’
‘Oké.’
‘Voorproeven, meester, dat sterk water?’ informeer ik spottend.
Meneer M. schildert zijn brede, naïeve, maar staatsgevaarlijke glimlach op zijn gezicht. Zijn jarenlange dekmantel. Domheid biedt de beste bescherming.
‘Niet nodig, ik tel niet meer mee. Ze hebben me bijgezet in het Museum van de Belgitude, bij de afdeling Paljassen, Kwakzalvers, Bejaarde Excentriekelingen, Dinosaurussen. De grootste afdeling dus. Ik ben de Panamarenko van de Belgische spionage: mijn vlieger gaat niet meer op. Ik mag blijven leven.’
‘Die ministers van toen keken anders wel zuur onlangs op tv,’ merkt Jotie op.
Ik knik. Ook gezien: Meneer M., die, niet lang geleden, zijn vreselijke, verraderlijke glimlach in een ‘duidend’ en ‘open’ tv-programma op de officiële nationale zender tentoonspreidde – de toenmalig betrokken BiZa- en BuZaministers daarentegen …
‘Men probeerde spijkers met koppen te slaan hé.’
‘Ja, die stomme kijkcijfers.’
‘Waarom deed u het toch nog, die outing?’
‘Arbeidsvreugde?’ oppert meneer M. vrolijk.
Ach, we houden van de man. Zo’n prachtig openbaar slachtoffer, dat nog voortdurend wordt geslachtofferd, nu ter wille van kijkcijfers, godgenageld. Verrekte Pilatusministers!
‘Speelt u nog orgel?’
‘Ken je dat grafschrift uit de Lüneburger Heide?’ formuleert M. een wederwoord.
We schudden van nee.
‘Hier legt begraben Peter Quann/Gott vergaf em sin sunden/denn he weer sine speelmann// … of zoiets.’
‘Haha.’
‘De Cutty Sark nadert de thuishaven … ‘ mompelt Jotie. ‘Pay the piper, call the tune … ‘
We communiceerden en pareerden vroeger wel vaker via boeken, citaten.
‘En jullie, hoe zit dat: nog altijd kaarsen, bloemen, bloesems, … ‘
We knikken van ja.
‘Toch niet hier in … Waar zijn we?’
‘Avelgem. Nee. Ergens anders.’
We werpen even een blik op de kerk vakbij. Gregoriaans, wellicht.
‘En het kerkje in Mechelen … ?’ wagen we. Een zeer oude koe.
‘Ach … ‘. M. wuift het weg.
We zwijgen en verzinken in tijdelijk gepeins. We zijn alledrie simpelweg in leven gebleven omdat men vergeten is ons te doden. Misschien zijn we toch niet belangrijk genoeg: twee langharige dichters die de kaap van 50 hebben gerond en een bejaarde ambtenaar-organist die voluit voor de centen ging.
De ober komt het liquide lekkers aanbrengen. We knikken in dank.
‘Orthodoxe muziek verzacht de zeden … Status Quo ook‘ gooi ik in het midden van onze rondetafel. ‘Santé: op goede, oude tijden.’
We klinken, nippen en zwijgen weer. Tot meneer M. zijn neus moet gaan poederen. De kortste weg? Jotie staat op en begeleidt hem even. Wanneer hij terug komt, vraag ik hem:
‘Waarom heb je hem uit Dennengroen ontvoerd? Dat was toch een afgesloten hoofdstuk, had ik begrepen?’
Jotie friemelt even aan zijn handschoen: ‘Tja … eh … er is een boek op komst … ‘
‘Shit!’ doe ik. ‘Toch niet van jou?’
‘Nee … eh … veel erger.’
‘Ja?’ dring ik aan. ‘Mag hij het niet horen? Spreek vlug.’
‘Jaja … hij weet ervan. Hij belde me namelijk zelf op. Je kent nog Marc Reynebeau?’
‘Natuurlijk. ‘Spelbederf’ – zijn eerste en laatste dichtbundeltje, jaren zeventig van de vorige eeuw.’
‘Inderdaad.’
‘Nou, en?’
‘Die gaat het spel nu helemaal bederven. Je weet toch dat hij heden ten dage niet alleen de intellectuele televisieclown uithangt, onder het mom van mediawatcher, maar ook de officiële geschiedschrijver van de Belgische politieke geschiedenis is geworden?’
‘Ja, in a nutshell, yes.’
‘Wel … die kerel gaat nu een boek publiceren over de Belgische spionage van na de Tweede Wereldoorlog.’
‘Godsammestraffe!’
‘En dat zal Hij doen!’
‘Shit bis! Wij doen al decennia ons best om uit de boeken te blijven, en nu komen we er weer in!’
‘Goed gezegd. Een ramp.’
‘Hij is al twee keer bij M. in Dennengroen geweest, voor een ‘verkennend gesprek’. Onze namen zijn gevallen, meerdere keren. Reynebeau had natuurlijk al her en der gespeurd.’
‘En M. … ?’
‘Zit er mee verveeld. Probeert alles tegen te houden. Hij is het beu. Zijn tv-interview was het eerste en het laatste. Hij wil rust. Daarom vroeg hij me hem op te halen en even te overleggen.’
Intussen verschijnt meneer M. weer op het appel.
‘Heb je ’t hem verteld, Johan?’ informeert hij ernstig.
‘Helemaal,’ knikt Jotie.
‘Tja … ‘ doe ik, en ik knik bedachtzaam naar M.
‘Ik moest er dus dringend even tussenuit in Dennengroen, begrijp je … ‘ zegt meneer M. ‘Ik weet het sedert dinsdag.’
‘Marc Reynebeau … ‘ articuleer ik mompelend, ontgoocheld, even terugzinkend in mijn kuipstoel. Het regent nog onverdroten oude wijven, maar nu is ook een oude koe opgedoken.
‘Is eh … is dat boek al in vergevorderde staat?’ vraag ik.
Jotie knikt vragend naar meneer M.
‘Proefdrukfase, uitgeverij Lannoo,’ zucht M. ‘Het is waarschijnlijk niet meer tegen te houden. Wellicht herfst dit jaar nog, najaarsaanbieding boekenbeurs Antwerpen.’
‘Proper verjaardagscadeau voor ons!’ grimlacht Jotie.
‘Nou, dat wordt dus de M&M-moord,’ zeg ik grimmig, me voorover buigend. ‘De moord op Marc en het Manuscript!’
‘Zoveel is zeker,’ beaamt Jotie.
‘Zeker weten,’ bevestigt meneer M.
‘Laat dit het voorgeborchte van zijn hel zijn!’
‘Schrijven is vooral schrappen!’
In het reine met Marc
Rein Vernunft moet er zijn.
Hoe
1. De schrijver MR 2. Uitgeverij Lannoo 3. Het Manuscript 4. De Harde Schijf alle(n) te deleten?
Avelgem, Het Voorgeborchte, wordt een oord van samenzwering. We beginnen weer dapperder te roken en te drinken, op zoek naar the right angle, time, place, scalpel voor de decisieve ingreep.
Ik ken uitgeverij Lannoo in Tielt ietwat – ooit gaf ik er enkele jeugdboeken uit, ondertussen drie redactrices verslijtend die allang weer verdwenen zijn. Er was een groot verloop van personeel aldaar.
Hoe zit daar met hun vaste schijven? Zijn zij ‘mee’ met het digitale tijdperk?
Hoe transparant is de huidige woning van de heer Marc Reynebeau, zijnde veel op pad heen en terug naar televisiestudio’s en plaats delicten van diverse ‘humoristische, doch diepgravende programma’s’ (hardboard en piepschuim dus)?
Jotie en ik besluiten een beroep te doen op een moedwillig vergeten dichter die al decennialang - ook te Mechelen, of all places – in de schaduw van Grote Herinneringen leeft. Uitgeverij Lannoo weigerde zijn poëzie uit te geven; Reynebeau kraakte als toenmalig letterkundig douanier zijn dan toch maar ergens anders gepubliceerde bundels in de Knack. Redenen te over dus. Leopold VDB – God vergeeft hem zijn afko – kan ons bijstaan in deze moeilijke uren en helpen het blazoen van Vorst en Vaderland schoon te houden.
Ja, zo mainstream zijn we geworden.
Op de oudere dichter Leopold VDB hoeft niet lang ingepraat te worden. Hij doet mee.
We oefenen geduld tot de Grote Zomervakanties aanbreken – u weet wel: Kortrijks Verlof, Tieltse coma, Gentse Feesten, Antwerpen-Terras, Oost-Vlaanderen Niet Thuis, et cetera … We zetten ook onze pionnetjes uit. Daar hebben we er een heel legertje van. Zij observeren de voor- en achterdeuren van de biotopen waar het ‘brandt’.
Op een vroege ochtend omstreeks de Vlaamse Feestdag (leeuwen, klauwen) slaan we toe. Zwartgemutst verschaffen we ons simultaan een toegang tot de comateuze uitgeverij en ten huize van de recesnemende Marc Reynebeau. Leopold VDB zetten we in voor de klus bij uitgeverij Lannoo: hij heeft er dus nog dat eitje te pellen, want ooit werden daar enkele van zijn meesterwerken-in-manuscript hooghartig afgewezen. Computers hebben intussen geen geheimen meer voor deze kamergeleerde weirdo. Ik vergezel hem, omdat ik de plattegrond van de zaak vrij goed ken – memories, you know. Het neemt wat tijd in beslag voor we de file ‘De Belgische Spionage 1945-2005 – Een ontluistering’ ontdekken. We schrikken even bij het lezen van de ondertitel. Maar dan slaan we ongenadig toe. Beginner’s luck? O nee: instinct.
Johan/Jotie breekt met een bevriend para in onder dak bij Marc Reynebeau. Daar is geen kat, maar het is er ook een zootje. Het duurt even voor ze de proefdruk van ‘De Belgische Spionage 1945-2005 – Een ontluistering’ aantreffen. Nietsontziend slaan ze toe.
USB
Ettelijke dagen na de Vlaamse Feestdag (leeuwen, klauwen) worden de inbraken ontdekt, nou: vermoed. Er kan alleen ontstentenis van een en ander worden geconstateerd.
Wij komen dat te weten via de geschreven pers. We zitten andermaal (nagenietend, jawel) in Het Voorgeborchte te Avelgem, op een zomerse donderdagvalavond. Meneer M. is er ook weer eens bij. We struinen door enkele vaderlandse kranten en vermeien ons in de berichtgeving over onze ingrepen. Men tast weer in het duister, natuurlijk.
‘Wat is een USB-stick?’ vraagt meneer M. plotseling grimmig, opkijkend uit zijn Laatste Nieuws. Wij kijken ook op, ontzet, ieder uit zijn krant: Jotie uit De Gazet van Antwerpen, ik uit De Morgen.
Dan roepen we gezamenlijk: ‘O shit!!’
Nu heeft de spelbederver echt wel zijn doodvonnis getekend. We roepen de tijdelijke vereniging USB in het leven, de Unie der Spionnen van België, en begeven ons op dodelijk pad om het karwei helemaal af te maken. Dit keer schakelen we ook een hitwoman in.
We bellen aan bij Reynebeau thuis, onder het mom van life-reality-television. Hij laat ons gretig binnen, natuurlijk. We make it look like a reality-soap en hij wordt de Doodste Mens ter Wereld. Er zijn geen getuigen, alleen de USB – een belangrijk hoofdstuk uit zijn nooit te verschijnen boek.
13-10-09
De vogel
DE VOGEL
In het holst van de zomer flakkerden de populieren als kaarsenvlammen. Een zwever hing in spreidstand onder de zon te drogen. Getroffen door een verdwaalde vogel ritselde wat gruis van de nok van het dak naar omlaag, tot in de goot.
Onder dat dak spitste Palfijn zijn oren; de vogel bleef met open bek roerloos zitten, vlak naast de bliksemgeleider. Palfijn lag diep weggezonken in een groot boerenbed op de broeierige zolderverdieping. Zijn kleren waren in een dronken puzzel over de plankenvloer verspreid. De hitte drukte op zijn lijf; de hitte broeide van onder uit de matras; de hitte walmde om hem heen. Palfijn had een appel gegeten, een gerimpelde appel uit de vorige herfst. Het klokhuis had hij met voorbedachten rade in een verdomhoek gemikt. Hij richtte zich even op. Zijn lul lag als een purperen slakje bezijden zijn zweterige balzak. Hij monsterde de plooien in zijn pens.
'Een vette Duitse sekstoerist in Azië', mompelde hij ongearticuleerd. 'Der - die - das. You have a light for me? Fire? Match?'
'You very strong man. Very big. Also very much dollar?'
'Dollars und Marken', zei Palfijn hees, en hij klapte met zijn rechter vleeshandje op de buidel in zijn kontzak.
Ondertussen verdronk hij even in de Oost-Indische inktogen van de exotische hinde naast hem aan de bar. Dit schepseltje zat op haar perfect geronde hammetjes op een barkruk. Ten zuiden van de dikke Duitse sekstoerist zou dat purperen slakje gaan zwellen tot de afmetingen van een Dom van Keulen in een Derde Rijk en daarna zou dat lelijke dikdooraderde ding de beide hammetjes van de hinde splijten en aarzelen voor een van beide mogelijkheden, soms genoemd de hemel en de hel, beter ware gezamenlijk: het vagevuur. Maar eerst nog de tietjes.
'Je hebt mooie borsten', zei Palfijn, wijzend met zijn ogen, 'en zo veel!'
Hij sprak in drie talen tegelijk en lachte hardop. Soms waren zijn kloten groter dan de tietjes van deze oosterse en vele andere hindes. De malse prooi lachte ook hardop om de mop die ze niet begreep.
'Ik val ook op bovenarmen', riep Palfijn, en hield haar even met zijn kleffe worstenvingers in een houdgreep.
Palfijn, lelijke vetzak, hield eigenlijk het meest van meisjes en vrouwen met lenzen en brillen. Als ze niet goed zagen, was hij dik tevree. Maar dat aspect viel dus niet mee bij deze lekkere brok hier. Geen enkele vetbobbel, rimpel, spatader en zweetpuist zou aan haar aandacht ontsnappen. Godverongelukt, daar geilde Palfijn stevig op. Hij kreeg nu zelf een waas voor zijn ogen. Hij keek naar niets en alles tegelijk, zonder iets te registreren. Zijn linkerhandje zocht de slak tussen zijn benen. Weer richtte hij zich even op. Hij werd voorwaar nog geiler bij het aanschouwen van zijn eigen buik, ballen. Terwijl het zweet over zijn voorhoofd gutste, groeide in zijn geoefende hand zijn ongedierte tot een purperen kardinaal. Veel te vlug rukte hij de hinde in zijn hoofd de kleren van het lijf.
Toen Palfijn met scherpe pijnscheuten vanuit zijn lendenen miljoenen Palfijntjes uitstootte, likten de vlammen reeds gretig aan de zolderverdieping van de boerderij.
De vogel was al lang gevlogen.
20-09-09
Kid Katanga
KID KATANGA
De moord op thrillerauteur Rick Syracuse was natuurlijk gloeiend heet nieuws. De man had immers zelf een aantal papieren moorden op zijn geweten. Zijn kerfstok was zijn schrijfstok. Het was bekend dat Rick Syracuse zijn moordverhalen in ouderwetse inkt drenkte en koppig weigerde zijn manuscripten digitaal of zelfs maar getypt bij zijn uitgeverij in te leveren. Men leerde ermee leven bij uitgeverij PlotPlus, want de moorden van Syracuse betekenden kassa.
Nou, in levenden lijve was hij nu dus zelf vermoord.
De eeuwenoude vragen luidden: wie, hoe, waarom?
Rick Syracuse had 49 jaren, 6 misdaadromans, 2 huwelijken en 3 zonen op zijn naam staan. Zijn schaapjes waren op het droge en zijn huis bevond zich op de buiten. In zijn laatste boek liet hij een bokser om allerlei extrasportieve redenen naar de andere wereld helpen.
Boksbeugel noch kogel hadden de auteur het tijdelijke met eeuwige doen wisselen. Nee: hij was ten huize van zichzelf met een ingenieus lussensysteem van sporttape (merk Artihand) blijkbaar eerst overrompeld, daarna ingetapet en vervolgens gewurgd. Zijn Cross-vulpen stak tussen zijn dodelijke halsband en had als wurgdommekracht gefungeerd. Donkerblauwe inkt kleurde de achterkant van de halsband. Het was net alsof een spin haar slachtoffer had ingewikkeld en daarna geïnjecteerd met verlammend gif. Het leek ook een beetje op een boek met een wikkel rond …
Sid Maranga: ik hoorde minstens twee van zijn ribben kraken toen mijn rechter vol op zijn karkas inbeukte. In mijn gedachten schoot mijn vuist zo door zijn vlees heen, een zwart gat met rode sliertwanden veroorzakend. Beeldde ik het me in of wolkte er stof uit zijn vege lijf? Of was het een zwerm van zweetdruppels, zoals je wel eens vertraagd in een boksfilm ziet? Zijn ene nog niet dichtgetimmerde oog lichtte verbaasd even op. Ik voelde de weerslag van mijn aanval tot in mijn schouder en nek. Elke uithaal sloopte ook mijn lichaam. Verbazing werd razernij bij mijn tegenstander, maar vooraleer Sid Maranga daar gebruik van kon maken om me op zijn beurt een pandoering te geven, vertrok zijn gezicht zich in een pijngrimas. Hij reikte met zijn beide boksstompen tegelijk naar zijn kaduke ribbenkast en zakte vervolgens onder luid gejoel door de knieën.
Even later pakte de scheidsrechter mijn rechterarm en stak die omhoog: ik had mijn vijfde kamp gewonnen, op punten. Sid Maranga zat me in zijn hoek met zijn ene oog te vermorzelen. Het zag geel van haat en nijd. Ik grijnsde naar hem en stapte dan malende met mijn armen de ring rond. De ebony-ivory-trofee in de middengewichtklasse was dit jaar voor mij, Moe d’Arta.
‘Proficiat, meneer Moe d’Arta. Excuus dat ik zo kort na de kamp binnen kom vallen.’
‘Geen probleem,’ glimlachte ik. ‘We hadden afgesproken hé. De pers is al weer weg en het feest begint pas over anderhalf uur. Mijn manager, Marcus, bracht me op de hoogte. Dit hier is Marcus Camberledge.’
Auteur Rick Syracuse drukte ons de hand. Ik merkte dat de toppen van zijn rechterduim en –wijsvinger donkerblauw waren.
‘Mooie kamp,’ zei hij. ‘Echt van genoten.’
‘Ja hé? Champagne?’ zei Marcus.
‘Graag.’
‘Gaat u zitten, meneer Syracuse.’
‘Zeg maar Rick.’
Terwijl ik de laatste hand aan mijn toilet legde, en Marcus een fles ontkurkte, bekeek ik de misdaadschrijver in de spiegel. Waarom kwam deze grijze midlifer naar ons toe? Situeerde hij ons, boksmensen, misschien per definitie in de wereld van de misdaad?
Ik glimlachte even toen zijn spiegelbeeld me betrapte.
‘Vlug opgeknapt, meneer d’Arta!’
‘Zeg maar Moe.’
‘Moe.’
‘Ja, ik recupereer vlug.’
‘Is Sid Maranga nog in de omgeving?’ informeerde Rick Syracuse.
‘Nee, die is onmiddellijk na de kamp naar St.-Aloysius gebracht, voor een check-up,’ antwoordde Marcus met enig leedvermaak.
‘Ach zo.’
‘Oké, nu, ter zake: wat schuift dat, meneer Syracuse?’
Mijn manager wond er nooit doekjes om.
‘U valt wel met de deur in huis, meneer Camberledge.’
‘Dit is de wereld van het boksen hé. We bevinden ons in de ring. Hebben we het over vier of over vijf nullen? Hoeveel rondes?’
‘Aha.’ Rich Syracuse wreef zijn donkerblauwe duim- en vingertop over elkaar: het strijkorkestje van de kassa. ‘Mijn uitgever voorziet 3 000 euro als aanbetaling voor drie sessies van ongeveer een uur. Ik mag alles tapen en gebruiken. Ik neem ook notities met mijn beste vriend hier … mijn peperdure Cross-vulpen … (Syracuse toonde hen even het kleinood waaruit al vijf boeken waren gevloeid) … en wanneer het boek verschijnt, volgt nog eens 4 000 euro. Dat is, al zeg ik het zelf, goed betaald.’
‘Hm.’
Marcus Camberledge verkende even vluchtig mijn gezicht, terwijl hij de flûtes vulde. Ik was per slot van rekening de echte kostwinner, en dat besefte hij goed.
‘Prosit!’
‘Op de overwinning. Gezondheid.’
’7 000 dus hé? Eh … in een witte enveloppe telkens?’
‘Dat kan ik maken.’
‘Moe?’
‘Akkoord,’ deed ik, mijn glas in hun richting heffend. ‘Als niemand maar te weten komt wie … en hoe en zo … enfin … je weet wel … Het is geen biografie hé. Ik wil niet in een boekje terechtkomen. En zeker al niet in een misdaadboekje. Mijn leven is … Ik geef alleen info.‘
‘Nee nee: puur fictie,’ haastte Rick zich te zeggen. ‘Ik gebruik alleen de informatie uit het wereldje om alles echt en aanvaardbaar te maken. Research, hé. Kwestie van geloofwaardigheid.’
‘Frictie?’ echode Marcus verkeerdelijk.
‘Nee: fictie. Fantasie. Een onbestaande wereld.’
Ik ontdekte een zweem van minachting en spot om de lippen van Syracuse.
‘Ah ja … papier hé.’
‘Precies. Papier is gewillig. Ik schep een onbestaande, maar geloofwaardige wereld. Ik documenteer me daartoe ter plekke. De beste schrijvers doen het zo. Professioneel. En dat mag wat kosten.’
‘Hm. We hebben een deal, nietwaar Moe?’
‘Ja,’ knikte ik. ‘7 000.’
Auteur Rick Syracuse had vervolgens, gespreid over twee weken, drie gesprekken met mij. Over ‘het wereldje’. Ik was immers Moe d’Arta, de jonge beloftevolle blanke bokser die nu eens niks te maken had met achterbuurten, gevangenissen of schemerzones. Ik was de zoon van een jeugdboekenillustratrice en een tandarts. In en buiten de ring noemde men mij daarom Best Bite, wat de vrouwen natuurlijk vertaalden als Lekkere Brok. De pers nam dat graag over; het scheelde weer twee woorden in hun kolommen: Moe ‘Best Bite’ d’Arta. Het klonk wel aardig, zelfs met een mondstuk in.
In de interviews met Rick Syracuse vertelde ik honderduit. Eén van de hamkwesties was natuurlijk ook: waarom kiest iemand voor de bokssport? Een blanke buitenwijker dan nog wel? Zoals wel vaker in dergelijke gevallen – ik ben een doodgewone jongen – kwam ik bij een van mijn oude scholen terecht. De twee jaren terreur van Bully hadden bij mezelf en mijn afstuderende klasgenoten sporen nagelaten. Bully: een combinatie van (in deze milde volgorde) studieopzichter, leraar rooms-katholieke godsdienst, priester, passief sportfanaat (‘een gezonde geest …’ etc.), vopo, kapo, gestapo en volgens hardnekkige geruchten ooit legionair bij het vreemdelingenlegioen. Bully’s mond spuwde grote gevaarlijke woorden: discipline, orde, tucht, opvoeding, geloof, gezin. Zijn r’en rolden daarenboven gebrekkig en veroorzaakten waaiers van speeksel. Zijn handen en sleutelbossen zwierden los in het rond; hij had het vaak op de oren van de scholieren gemunt.
Twee jaar lang was hij onze tiran. Twee jaar lang teisterde hij onze afstudeergeneratie. Tijdens het allerlaatste trimester spookten we dan toch van alles uit: we reden met moto’s in het trappenhuis van de school rond, we vermaalden ijs in de rekenmachine van de schoolbar, we gooiden lampen en ramen aan diggelen, we spoelden Bully’s regenjas door het toilet, we trokken zijn dwaze posters van de studiezaalmuren en verscheurden die of we gingen in grote groepen in zitstaking tijdens de verplichte studie-uren, onder het kwelen of fluiten van protestsongs.
Zou hij mijn keuze in de hand hebben gewerkt? Ik incasseerde meerdere keren een loeiharde draai om mijn oren van hem. Hij was ook een niet-pratikerend sportfanaat. Het deed de ronde dat hij stiekem trainde, in zijn rooms-katholieke ondergoed. Waarschijnlijk belette (verbood?) zijn officiële priesterplunje hem aan openbare blote sporten deel te nemen. In mijn toenmalige gedachten zag ik hem altijd als een worstelaar, judoka of … bokser. Die vlezige nek … Die worstenvingers … Van gevechtssporten had hij echter (alweer omwille van dat geloof?) geen hoge pet op.
Toch kregen we toen af en toe boksles. Dat gebeurde door Piet Miel, een piepjonge gymleraar van amper anderhalve meter. Die voelde zich opperbest in de vierkante ring. Piet Miel was in die jaren ook nationaal kampioen aan de turnringen, wat hem bij ons de bijnaam Lord of the Rings opleverde. Die Piet zat zelf ook onder de knoet van Bully, zoals de meeste jongere leraren toen. Tijdens een van die bokslessen liep ik een bloedstorting in mijn voet op. Te enthousiast ‘gedanst’, weet je wel, à la Cassius Clay. Misschien dat daar ook …
‘Kan ik dat gegeven gebruiken in mijn boek?’ onderbrak Rick me.
‘Eh … ja. Die Bully moet het maar weten.’
‘Dat is ook al een tijdje geleden hé. En er passeerden zoveel leerlingen door eh … door zijn handen.’
‘Ja,’ beaamde ik, ondertussen proberend met het huidige gezicht van Bully voor te stellen, een decennium later. Dat lukte niet; ik kwam telkens op een dodenmasker uit. Wellicht een wensdroom.
‘Zolang als je mij dus maar buiten schot laat.’
‘Je hoeft je geen zorgen te maken, Moe. Je zult onherkenbaar zijn, als ik je al nodig zou hebben.’
‘Misschien is Bully al dood, wie weet.’
‘Misschien. Hoe dan ook: hij krijgt een andere naam in mijn verhaal, mocht hij al opduiken natuurlijk.’
‘Natuurlijk.’
En daarmee was het lot van Bully bezegeld. Bully, van wie ik me niet eens meer de echte naam herinnerde.
‘Dat je vader tandarts is … ‘
‘Ja … Vreemd hé?’
‘Stond … Staat hij achter je keuze?’
‘Ik ben eerst diëtist geworden. Om hem gerust te stellen. ‘Iets achter de hand’, ken je wel. Daarna ben ik mijn gang gegaan. Mama vormde geen partij; die zat en zit met haar neus in de prentenboeken.’
‘Zit het misschien al van vroeger in de familie?’
‘Mijn voorvaderen waren voermannen en landbouwers. Een betovergrootmoeder vermoordde haar eerste man, Bernard. Dat was in Amerika. Het is nooit bewezen en ze werd nooit veroordeeld, maar het is wel een publiek geheim.’
‘Aha, dus toch … ‘
‘Haha.’
‘Je ziet, Moe: het werkelijke leven is soms eh … intenser dan het in de boekjes wordt beschreven hé.’
‘Frictie,’ zei ik, met een gemene grijns naar Marcus kijkend, die tijdens de sessies met de misdaadauteur geen seconde van mijn zijde week.
‘Ik heb ooit een echte priester-bokser gekend,’ vertelde Marcus, mijn opmerking negerend. ‘Hij reed ook op de moto. Kwam ’s zondags pardoes zo zijn kerk binnengetuft. Organiseerde bokstrainingen voor probleemjongeren. Hij is al dood.’
Dat laatste zinnetje kwam er zeer vreemd uit, haaks op de vorige mededelingen.
‘Priesters zouden prima sporters zijn,’ zei Rick.
‘Ja? Waarom?’
‘Geen vrouwen omtrent.’
‘Meestal toch hé.’
‘En kinderen dan, godverdomme,’ mompelde Marcus, maar daar luidde de bel al. Deze ronde was afgelopen. Einde interview II. Nog één te gaan, overmorgen.
Na het derde gesprek, dat absoluut geen diepte-interview meer was, of een hengelen naar informatie en verhalen, maar meer een gezellig onderonsje met alweer champagne, namen we voorgoed afscheid van Rick Syracuse. We waren het erover eens dat verder contact overbodig was: in het belang van de boeken, in het belang van het boksen. Per slot van rekening had Rick niet de bedoeling een boek over de bokswereld te publiceren. En wij waren tevreden met de centen en de rust. Hij beloofde dat hij ons het boek zou laten zenden. Een titel wou hij liever nog niet kwijt, maar volgens Marcus had hij nog helemaal geen titel.
Misdaadroman nr. 6 van Rick Syracuse was een uppercut vanjewelste … die vol uiteenspatte in mijn gezicht en in dat van mijn manager Marcus Camberledge.
Het leek erop alsof de schrijver letterlijk uit de biecht en uit de school klapte, waarbij hij inderdaad – zoals hij gestipuleerd had – fictie gebruikte. Die namen alleen al, godverongelukt!
Zo werd er ene Giel Mylle ten tonele gevoerd, een pedofiele gymleraar die ene Lou Harpa tijdens diens scholierenjaren zonder succes benaderd zou hebben, waarna hij hem uit wraak enkele rake klappen tijdens het jiujitsu verkocht zou hebben, met o.a. een blauw oog als gevolg.
Ene Sully, priester-studieopzichter in dezelfde school, bleek Lou Harpa ook al gemolesteerd te hebben, nadat hij een soort biecht van hem had afgenomen over de praktijken van Giel Mylle.
Het hield niet op. De grootvader van Lou zou in de cel zitten wegens doodslag op een boekhouder. Klap op de vuurpijl: de manager van de beloftevolle blanke middengewichtbokser Lou Harpa zou tegenstander Kid Katanga hebben omgekocht om in de vijfde ronde van de nationale titelstrijd neer te gaan. Uiteindelijk zou deze Kid Katanga nog omgebracht worden.
Ik las KID KATANGA, misdaadroman nr. 6 van Rick Syracuse met kolkend bloed. Nog nooit had ik zo vlug een boek uitgelezen. Diezelfde avond belde ik Marcus op.
‘Alles opzij en eraan beginnen!’ gebood ik hem.
Rond middernacht belde hij me op.
‘Vreselijk … ‘ zei hij. Hij klonk gevaarlijk kalm. ‘Dat kan niet door de beugel.’
‘Maar wat doen we eraan?’
‘Nachtje over slapen?’
‘Dat wordt dan een onrustig nachtje. Verdomme: heb je dat nu nog meegemaakt? Die … die hypocriete pennenlikker!’
Anderhalve maand later werd Rick Syracuse dus ten huize van zichzelf netjes ingetapet en weggewurgd uit dit leven op aarde, deze misdadige planeet, onder andere met behulp van zijn dure vulpen, die hem uiteindelijk van alle zin voor realiteit afsnoerde.
De misdaadauteur werd door een van zijn eigen lezers vermoord. Aanvankelijk had men dat personage over het hoofd gezien. Een lichtgewicht, zogezegd. Maar eigenlijk was de ring de schrijver fataal geworden.
01-09-09
Paaps of Turks
LIEVER PAAPS DAN TURKS, LIEVER TURKS DAN PRUISISCH
(01) Op een valavond in april 2005 werd de oude Duitse kardinaal Ratzinger de 265ste paus. De rookontwikkeling van het oubollige kaduke Vaticaankacheltje binnen in de Sixtijnse kapel was zo onverwacht hevig dat de bejaarde kardinalen half groggy ijlings hun stem uitbrachten. Ze hoestten zowat hun roodkapjes van hun kruinen. Door deze haastklus – een regelrecht gevolg van dat kaduke kacheltje – werd de oude Beierse kardinaal Joseph Ratzinger de nieuwe paus. Voorheen was hij immers ook alom gedoodverfd als de grote kanshebber. De kardinalen steunden dus de bookmakers, terwijl ze eigenlijk in de waan waren dat de Heilige Geest (in de gedaante van grijze rook, die noch wit, noch zwart was of dat ook maar wilde worden) hun stemgedrag dicteerde. Hun opwelling schreven ze aan hogere machten toe.
Vrouwen over de hele wereld zaten door deze verkiezing in de rats. Er fladderden wel wat glimlachende nonnen als zwarte vogels over dat Sint- Pietersplein, maar de rest van de niet-mannen zat met de gebakken peren. Hun reacties spraken boekdelen:
‘Het is een Duitser.’
‘Het is een Duitser in vrouwenkleren.’
‘Het is een zeer oude Duitser in vrouwenkleren.’
‘Roodkapje is Sneeuwwitje geworden: oma is dood, de wolf is verjaagd, de dwergen gaan nu zeven jaren lang het bos kappen.’
‘U spreekt in raadsels.’
‘Hij daar ook. En hij gebruikt er zelfs nog een schuilnaam voor.’
‘Ja: we zijn er goed mee gezegend!’
‘Die draait de klok met een ruk terug naar de tijd van toen ze nog dachten dat de aarde plat was. Een rukwind, godgenageld.’
‘ … zo plat als een vijg uit de Heilige Schrift.’
‘Ja: straks haalt hij Galilei weer uit de kast om die te weerleggen. Let maar op mijn woorden.’
‘Diene Duits gaat ook hele continenten decimeren.’
(02) In het belang van het onderzoek verzwijgen we hier ook niet de positieve reacties:
‘Ja … het is een Beierse Duitser … en dan?’
‘Wel eh … ‘
‘Het moet toch iemand zijn, hé?’
‘Hij was tegen zijn zin lid van die bruine jeugdbeweging, hoor!’
‘Het is toch om het even wie Christus op aarde vervangt?’
‘De Italianen raken hem al een beetje gewend.’
‘Hij spreekt zes talen.’
(03) Het deed tevens de ronde dat deze nieuwe oude paus liever boeken had geschreven dan Petrus op te volgen. Maar gedane zaken nemen geen keer: de Heilige Geest, deze vrome kettingroker, had beslist.
(04) Danneels uit Kanegem/Mechelen, gepolst naar een reactie:
‘Oef!’
De Belgische pers, collectief: ‘Eh?’
‘Wel: hoe zou u zelf zijn?’
Begrip alom.
De Belgische ex-kanshebber was een kathedraaltje van diplomatie.
(05) De Zwitserse Wacht keek neutraal toe. Hun bloedsomloop vormde hun grootste probleem.
(06) Habemus Papoea? Neen. De sluipschutter, in een helikopter van de Geheime Dienst boven het Vaticaan cirkelend, pakte opgelucht zijn moordtuig weer in: de nieuwe paus was noch zwart, noch latino, noch piloot, noch muzikant, noch jong. Een paar uur later werd hij zelf grondig uit deze materiële wereld verwijderd door diezelfde geheime dienst van Vaticaanstad. Hij werd boven Sicilië in his birthday suit uit de helikopter geduwd. Ten gronde duurde het amper enkele onbewaakte minuten vooraleer hij voorgoed van de aardbodem verdwenen was.
(07) Wat deed Joseph Ratzinger de dag na zijn verkiezing? Hij maakte zich sterk dat zijn beroemde voorganger de grote wereldgeheimen ergens op kattebelletjes had neergekrabbeld en dat hij die in zijn appartement had verborgen. Dus eiste hij twee pauselijke uren voor zich alleen op en ging onder het mom van sanitaire en andere badkamerbehoeften op zoek. Een laatste al te opdringerige pottenkijker wees hij de deur met de opmerking:
‘Ik wil voor een tweede keer mijn tranen de vrije loop laten, gun me dat alstublieft.’
De buit was schaars:
1. Een woordenboek Pools-Italiaans.
2. Enkele audio-cd’s om Esperanto te leren.
(08) De reisbureaus deden ondertussen gouden zaken. Een flink aantal roodkapjes (sommigen onder hen zwaar ontgoocheld) boekten hun terugreis. Alleen de gegadigden voor de Curie bleven in Rome hangen. De vele Polen deden aan carpooling. In deze rangen vielen een behoorlijk aantal naakte ontslagen te noteren. Omgekeerd kwam dan weer vanuit Duitsland, zegge en schrijve Beieren, een kleine blitzkrieg tot stand: Benedictus XVI zou wel hulp kunnen gebruiken zeker?
(09) De educatieve uitgevers in Gutenberg-Duitsland wreven zich in de handen: de Duitse schoolboeken Gewijde Geschiedenis en Wereldoriëntatie konden nu massaal aangepast en herdrukt worden. (PS: een wijze les voor de Japanners, die in hun eigen leerboeken hun bedenkelijke historische gedrag hadden verdoezeld! De Chinezen, die in dat verband met een zwaar probleem zaten, kregen hier steun uit onverwachte hoek.) Andere Europese uitgevers hoorden ook plotseling de kassa’s rinkelen.
(10) Een 26-jarige vrouw uit Oostenrijk werd het slachtoffer van een vreselijk toeval. Haar leven nam plotseling, om zo te zeggen, een andere wending. Ze werd zelfs een BO. Kranten en magazines bestookten haar met journalisten en fotografen. Ze werd betaald voor interviews. Geen spaander van haar privéleven werd heel gelaten. Haar naam: Benedicte Ratzinger. Geen familie. Anderhalve maand na de pausverkiezing liet ze haar naam veranderen in Gitte Retsin. De rust in haar leven keerde gedeeltelijk weer.
(11) Exact een jaar na de dodelijke vloedgolf in Azië deed zich in Vaticaanstad een tsunami van vurige tongen voor. De Ratz bleef er ook in. Rookontwikkeling vormde de belangrijkste doodsoorzaak bij de 458 slachtoffers. Een omgevallen kaars in een wachthokje van de Zwitserse Wacht zou de brand hebben aangestoken. ‘Zou’, want ondanks een zee van licht tastte men eigenlijk in het duister.
(12) A.D. 2010 werd door de vrouwen overal ter wereld een pausin verkozen. Na de vurige brand was er natuurlijk ook een ‘echte’ paus aangesteld: een klein, schriel mannetje dat weinig betekende. Iedereen verwachtte dat hij vergiftigd zou worden. Condoleezza Rice, nu als pausin luisterend naar de naam Barbara Johanna I, nam haar intrek in het voormalige gerestaureerde gerechtsgebouw van Phoenix, Arizona. Een gevolg hiervan was dat het oude schisma tussen orthodoxen en rooms-katholieken weer oplaaide, én er liep een nieuwe stevige breuklijn door de kerk, als een permanente rilling over de ruggengraat: de masculiene kerk wilde helemaal niets te maken hebben met de feminiene kerk. Nieuwerwetse profeten voorspelden zelfs voor de nabije toekomst een derde wereldoorlog: die zou tussen mannen en vrouwen gevoerd worden, en geleid worden vanuit de twee Vaticaansteden Rome en Phoenix.
Maar eerst moest Rome nog uit zijn as herrijzen, als een feniks.
(13) Wijzelf volgen alles met argusogen. God sta ons bij in deze roerige tijden.







