26-07-17

AU RELAIS@PIETIE'S

AU RELAIS @ PIETIE’S

(De mosselmoord)

 

De gruwelijkste gebeurtenissen doen zich voor op de vreedzaamste plaatsen. Neem nu het dubbele dorp Spiere/Espierres-Helkijn/Helchin (gefusioneerd in 1977), rustig hurkend op de taalgrens in het westzuiden van België, weifelend tussen Occidentaal Vlaanderen en Hainaut. Het dorp herademt nadat het in de loop der eeuwen (vooral door zijn strategische ligging) vaak het decor was voor schermutselingen en wreedheden.

Eindelijk rust, na pakweg WO II. De inwoners groeien op, sterven af, en worden vervangen door verse inwoners. Op kleine schaal wordt er ook wat geïmmigreerd en geëmigreerd, met mate. Er heerst bereidwilligheid, ja: gretigheid tot leven; men staat elkaar niet naar dat leven. AD 1995 ondergaat het dorp zelfs een facelift, teneinde klaar te zijn om de 21ste eeuw binnen te stappen.

Wijd gesperd is dan ook de ontzetting van de totale bevolking (population anno 2010: 2 139 zielen) wanneer zich eind eerste decennium van het nieuwe millennium de fameuze mosselmoord  voordoet. Een mosselvendetta in het holst van het binnenland? In deze beemden van Schelde en Spierekanaal? Welzeker. Ooit voeren de Noormannen hier de binnenwateren op, nu is het de beurt aan de mosselmannen.

Ondanks of juist dankzij zijn rustige ligging kon Spiere/Helkijn op behoorlijk wat horeca bogen. Men wil al eens wat verorberen in een pastorale omgeving. Onvermijdelijk hierbij was dat tijdens de zomermaanden al deze gelegenheden mosselen serveerden. Het woord zomermaand heeft immers een r. De Vliegende Hollander, De Krakeling, Escaut-Plage, Saint-Michel en Poseidon hadden niet alleen o.a. mosselen op hun kaart staan, maar organiseerden om de haverklap ook extra mosselfestiviteiten. Zo ontstond wedijver, waarbij de prijs voor zo’n kilootje zeematrasjes een bepalende rol speelde. Drie van de vijf horecanen vroegen een ‘serieus’ restaurantbedrag voor zo’n kilogram lekkers uit de zee. Dat waren de grotere restaurants, waar je niet zomaar een pint aan de toog kon krijgen. De twee andere ‘tussensoorten’ vroegen een gematigder prijs, en bovendien kreeg je bij de ene anderhalve kilo, en bij de andere was het zelfs à volonté. Maar… er was nog een kok die deze brij bedierf. Die was de grootste oorzaak van alle mosselellende.

Au Relais @ Pietie’s was dus geen restaurant. Verre van: het was een fantastische bruine kroeg op een strategische hoek langsheen de hoofdweg door Helkijn. Dat ‘fantastisch’ geldt zowel voor ‘kroeg’ als voor ‘bruin’. Bruiner kon patron Piet het niet bakken. In het voorportaal van de Vlaamse Ardennen stond deze hoektand van Helkijn stevig te meesmuilen en te grimlachen. Het was bekend: wie hier binnenkwam, was niet van een kleintje vervaard. En vele kleintjes maken een groot. Deze hemel- en hellevaarten van alcohol, stevig gedirigeerd door Piet (‘Pietie’), vroegen echter op gezette tijden om vast voedsel. Wat kon je in dit geval feestelijker, zomerser en Belgischer bekokstoven dan een gezonde pot mosselen?

Moules/mosselen – handig en happig, besprenkeld met nectar uit de gaarden.

Au Relais @ Pietie’s werd een stevige streep door de zomerse kwartaalrekeningen van de omliggende restaurants: patron Piet vroeg amper 7,50 € per kilogram eetbare geschelpte. Ze waren nog het lekkerst ook, ze hadden een heel speciale smaak, en bovendien waren ze het grootst. En… à volonté!

Niet te doen dus voor de horecanen van de etablissementen met de klinkende namen.

‘Franse prijs,’ verdedigde Piet zich. ‘Zelfs in de omgeving van Le Touquet en Dieppe en noem maar op kosten ze ook 7,50 euroots. Vooral in de stadjes en dorpen aan de zee.’
‘Ja, maar dat zijn kleintjes!’
‘Maar heel lekker, potverdorie!’
‘Ge krijgt er wel geen saus bij.’
‘Nee, de Franse keuken, zwijgt… ‘
‘Ze zijn wel lekker ginder, die zeematrasjes.’
‘Ja, maar g’et gelijk: ’t is  daar zonder veel tantemaren dat ze de beestjes voor uw neus zetten hé!’
‘Maar ge moet daar uw frieten ten minste niet apart betalen.’
‘’n Mossel aan zee hééft toch iets hé… ‘
‘Maar hier zijn ze veel groter hé. Zelfs die chique restaurants hebben geen zulke grote.’
‘Nergens vind je mosselen als in de Relais’.

Tant pis voor de chefs van De Vliegende Hollander, De Krakeling, Escaut-Plage, Saint-Michel en Poseidon, veroordeeld tot het binnenland en beemden met binnenwateren.

Hoe betrok Piet van de Relais zijn speciale mosselen? Dat was de vraag die de andere uitbaters onrustige dagen en nachten bezorgde. Van elkaar wisten ze verdomd goed hoe en waar ze hun zeevruchten bunkerden. Sommigen werkten zelfs samen in dat verband. Maar die Pietie!? Hij wiens boîte vooral de valavonden en nachten open was en die zelf overdag in soesland vertoefde? Wanneer en hoe gebeurde dan een en ander? Verdween hij ook niet vaak enkele uren uit zijn café, het territorium achter de toog toevertrouwend aan een tweetal spitszusters? De nijd van de kookbroeders betrof ook het feit dat Au Relais @ Pietie’s geen restaurant was, maar een doodgewoon café, zeg maar: kroeg. Op de eenmalige affiches die hij liet drukken, toverde mosselman Piet dan voor de gelegenheid de titel ‘smulkroeg’ te voorschijn. Hij kende verder nog enkele trucjes en ingrepen om boetes of verboden te omzeilen – laveren kon deze binnenschipper prima. Zo haalde hij zich de mosselwoede van menig restaurateur uit de streek op de hals.

Medio augustus – de jaarlijkse kermis naderde – barstte de mosseloorlog in volle hevigheid los. De gemoederen werden nog verhitter. De eetgelegenheden overtroefden elkaar met affiches en evenementen, maar aan hun mosselprijzen veranderden ze niets. Piet ook niet. Hij bleef trouw aan zijn 7,50 € en organiseerde twee keer per week een mosselavond in de Relais. Het volk trok er massaal naartoe: de caféruimte, het terras en de ‘binnenkoer’ stroomden vol, en de andere restaurants bleven op hun honger zitten. Des nachts werd @ Pietie’s vaak het lied ‘Samen kennen wij de mosselman’ aangeheven, en vlakbij bleven zelfs enkele kermiskramen tot laat in de nacht open.

Op een van die fameuze mosselavonden bleven zowel het schietkraam van Ronni Pepperonni als de rupsbaan Mister Speedy lang open. Geflikker, geknal, geraas en gegil alom. Pas nadat een tweetal nachtbrakers van op de rups met middelpuntvliedende zwaartekracht de kots uit hun lijf hadden gekatapulteerd (even zweefden in het Helkijnse luchtruim boven de kermis ettelijke onverteerde en halfgekauwde mosselen, zich wentelend in een groenachtige melkweg – een vuurspuwer kon hier wat opsteken), sloten Pepperonni en Speedy met besliste gebaren hun kramen. De buit was binnen; de mosselvreters hadden nog behoorlijk veel kermiscenten verschoten en verroetsjt.

Toen viel het plotseling iedereen op. Pietie ontbrak. En hij had al ontbroken op de kermis. Binnen in de Relais (vlak tegenover het pleintje waar de kermiskramen stonden) brandden de lampen nog wel. De beide spitszusters hingen er nog aan de toog, uitblazend van de gigantische sjouw-, afbraak- en vaatwerken na de vreet- en zuippartij, maar de mosselpatron zelf was spoorloos. Enkele kermisgangers en -gangsters waadden de Relais wederom binnen, one for the road. De nachtverpleegsters mompelden en knikten dat het goed was, nog ene, de laatste.

Piet?
Pietie?
Omgaand in bed @ Pietie’s?
Gekapseisd @ Pietie’s?

De twee medestanders monkelden samenzweerderig. Na enig aandringen, aan de juiste kant van de toog, kreeg de plaatselijke psycholoog het er toch uit, al was het the lager talking.
‘Pietie is mosselen plukken in de Schelde. Er liggen weer een paar binnenschepen.’
‘IS MOSSELEN PLUKKEN,’ echode de psycholoog voor iedereen op z’n toeters, en toen fronste hij zijn wenkbrauwen, en dat deed toen iedereen ook, en ze keken vragend naar de vrouwen.
‘De Schelde? Mosselen?’
‘Wel ja, de Schelde hier vlakbij. l’ Escaut, weet je wel.’
‘Mosselen die wij vanavond en de vorige keren… ‘
‘Kijk, kijk: daar moet ge zolang voor geleerd hebben. Nooit gehoord van de mosselen die aan de rompen van de binnenschepen hangen? De aloude Scheldemossel? Honderden en honderden zijn het er, hele trossen.’
‘Ja maar: zijn dat dan geen zoetwatermosselen? Die gebruiken ze om aquariumwater te zuiveren! En ze voederen er daarna de vogels mee!’
‘Maar nee: het zijn letterlijk ingevoerde of binnengevoerde mosselen hé; ze komen gewoon met de schepen mee. Ze zijn er aan vastgezogen. Ze zijn… eh… zijn mobiel. Ze zijn een beetje zout en een beetje zoet.’
‘ … vandaar die speciale smaak… ‘
‘Herontdekking en herwaardering van de Scheldemossel!’
‘Het zijn dus eigenlijk bootmosselen.’
‘Ja: je hebt bootvluchtelingen en bootmosselen!’
‘Het zijn de beste van allemaal!’
‘Geef de bootmosselen asiel @ Pietie’s !’
‘Ja, en vroeger plukten ze die bij hopen. Ze doken gewoon de schepen tegemoet of achterna.’
‘Pietie wacht wel tot ze eventueel stilliggen. Hij is nu met zijn bootje, een duiklamp en wat snorkelmateriaal en een oud brandweerpak in het Scheldewater aan het ploeteren. Hij gaat soms kilometers ver, tot waar ook de grotere plezierboten liggen. Maar de rustende binnenschepen brengen het meest op. En sommige staketsels onder water.’
‘Verdomme, ge moet er maar op komen, hé!’
‘Ge moet vooral uw geschiedenis kennen, en uw aardrijkskunde.’
‘Maar Pietie… in zijn staat… ‘
‘Hij is altijd in veel staten tegelijk hé. Hij trekt wel zijn plan. Morgenochtend is hij terug. Met twintig, dertig kilo.’
‘Getverderrie… ‘
‘En morgen trekt hij er weer op uit. Nog meer kilo’s.’
‘7,50 €’ mompelde iemand, ‘7,50 €’.
‘Eh… al die kilo’s… Piet alleen toch niet?’
‘Eh… gewoonlijk krijgt hij hulp. Vanavond was… - geen verder commentaar.’
‘Nee, we noemen geen namen.’
En de beide toogverpleegsters zwegen verder als vermoord.

Verzwijg iets, en het doet ijlings de ronde. Vraag iets geheim te houden, en het wordt wereldnieuws. Noem geen namen, en bij het krieken van de ochtend vallen al de eerste koppen.

De Scheldemossel werd het withete onderwerp van de streek, een week na de hondsdagen. De geallieerde horecanen verklaarden de oorlog aan de zoetwatermosselman Pietie, zoals ze hem nu smalend noemden.

Anderhalve kermisweek later – de heksen van de herfst begonnen al hun bezems boven te halen – dobberde Pietie met zijn gezicht en navel naar moeder Aarde gekeerd in de wateren van de dode Schelde-arm ter hoogte van Outrijve. He slept with the fishes, met een ongeopende blauwe mossel in zijn afgetapete mond en samengebonden handen en voeten. Hij werd ontdekt door zijn twee priesteressen, die, verontrust over zijn lange wegblijven, de Relais in de steek gelaten hadden om hem te gaan zoeken. Ze weenden bitter over de man die zo vaak asiel verleend had aan zovele bootmosselen.

Een legertje chef-koks, obers, garçons en andere keukenpieten werd aan de tand gevoeld.

Probeer iets te weten te komen, en je tast in het duister. Zoek kennis, en je blijft met vraagtekens zitten. Pols naar namen, en hun naam is plotseling haas. Over Spiere/Helkijn en aanhorigheden daalde de stilte neer als een glazen stolp over een camembert. Iedereen kroop in zijn schulp. Er werd oorverdovend gezwegen als vermoord.

Onder de getrouwen van de Relais werd 7,5 een heilig getal. De rouwmaaltijd na de begrafenis van hun mosselman bestond uit bootmosselen in witte wijn. Maar Au Relais @ Pietie’s sloot definitief de deuren. De hoektand van Helkijn was getrokken. Weldra daalde de najaarsmist als een lijkwade over de binnenwateren neder.

02-07-17

ROUWKOP

ROUWKOP

 

‘Verschoore Jimmy?’
‘Nee: Jimmy Verschoore.’
‘O, de leukste thuis, Jimmy?’
‘De slimste.’
‘Geen broer of zus, zodus?’
‘Nee.’
‘Spreek met twee woorden a.u.b. Vooral in het huis van God.’
‘Nee, nee.’
‘Meneer Charles.’
‘Meneer Charles,’ papegaaide Jimmy.

Drieduizend zevenhonderd dagen na Jimmy’s geboortedag greep deze conversatie plaats in de sacristie van de Sint-Pietersbandenkerk in de provinciestad Torhout.

‘En waarom wil jij misdienaar worden?’ vroeg de baas van het stoelgeld en van de acolieten van de katholieke eredienst.

Jimmy Verschoore vermeed de volgende antwoorden:
- voor het zakgeld;
- voor de miswijn;
- om met toestemming van school sommige voormiddaglessen te spijbelen.

‘Ik zou graag begrafenissen dienen, meneer Charles.’
‘Waarom begrafenissen?’
‘Omdat ze zeggen dat ik een rouwkop heb, meneer Charles.’
‘Rouwkop??’
Jimmy zocht even naar een passende omschrijving.
‘Ja: mijn gezicht is voortdurend in de rouw. Ik kan heel goed kijken alsof ik het doodgewoon vind dat er iemand dood is. En ik zie graag zwart.’
Meneer Charles – een dun vijftigjarig geval van vijfenvijftig kilogram, anderhalve kerkstoel hoog, streng achterover geharkte grijze haren, muisgrijze stofjas met vier zakken in – keek hem door zijn hoornen bril onderzoekend aan. Geen spoor van een glimlach ontwolkte zijn snoet.

‘Ben je bereid wat Latijn te leren?’ vroeg hij dan.
‘Ja. Een heilige taal.’
‘Kun je makkelijk ’s ochtends vroeg je bed uit? Ik wil geen laatkomers.’
‘Ik ben altijd wakker met de haan.’
‘Hoe gaat het op school?’
‘Zesentachtig percent. Alleen Didier van de dokter was voor mij.’
‘Dan is het goed. Ik verwittig meester Daniël en directeur Mestdagh en geef een brief mee voor je ouders. De stage gebeurt tijdens de eerste week van de paasvakantie. Binnenkort dus. Je krijgt nog een brief daarover. Elke maand ontvang je je rooster van de diensten. Soms zul je ook naar de kapel in het bejaardentehuis moeten. Of naar die van het ziekenhuis.’
‘Goed, meneer Charles.’
‘Ik hoop dat je je best doet, Verschoore.’
‘Ja, meneer Charles.’
‘Op het einde van elke maand geef ik je dan een envelop.’
‘Dank u, meneer Charles.’

Jimmy sleurde met beide handen de zware sacristiedeur open tot zijn magere lijf er net door kon en sloeg die met een dreun achter zich dicht. Hij daalde de brede stenen trap af (waarbij hij zich al een beetje heilig voelde) en ademde diep in. Het steegje tussen de kerk en de witgekalkte blinde muren van de stadstuintjes stonk naar kattenpis en natte honden.

‘Mag je dan zomaar de klas uit?’
‘Iedere misdienaar krijgt maar twee missen per week, soms ’s ochtends, soms in de avond. Er kan ook een begrafenis in de voormiddag tussen zitten. De huwelijken zijn meestal ’s zaterdags.’
‘Dus: hoe meer er doodgaan, hoe vaker jij de school uit mag?’
‘Meester Daniël zal verwittigd worden. Er zijn nog misdienaars in de school hé, voor als er veel doden ineens zouden zijn.’
‘En het geld?’
‘We krijgen per maand betaald van meneer Charles. Een kleinigheid.’
‘Van het stoelgeld van al die pilaarbijters zeker? En hoeveel blijft er aan zijn vingers plakken?’
‘Soms geven de mensen een fooi, vooral bij huwelijken, als ze blij zijn.’
‘Met die rouwkop van je zullen ze je vooral begrafenissen laten dienen zeker?’
‘Ik denk dat ook.’
‘Wel wel. Andrea: we hebben een heilige in de familie. We komen nu zeker in de hemel.’
‘Ja, een hele geruststelling. We moeten nu alleszins niet zelf meer in die koude vochtige kerk gaan zitten. Zo sparen we ook stoelgeld uit. En we zijn zo al zeker van onze zaligheid, Georges.’
‘Tenzij jullie doodgaan,’ merkte Jimmy op.
‘Ja, maar dan dragen we een warme houten jas. En jij zendt ons met een Latijnse toverspreuk naar de zevende hemel. Haal nu de plakjes salami maar uit de frigo, Jimmy. Je herkent ze gemakkelijk: ze gelijken op grote rode hosties.’
‘Verloofd zij Jezus Christus, ma! Is ’t weer salami?!’
‘De oude brokkelkaas is op. Ze groeien niet op onze rug. Misschien kun je volgende maand een duit in het zakje doen?’
‘Of doe een mirakel, misdienaar,’ gromde pa Verschoore. ‘Met wijnwater.’

Met zijn allereerste geld dat hij heilige mis dienend en Kerklatijn prevelend had verworven, trok acoliet Jimmy Verschoore op een valavond na schooltijd naar De Lekkerbek – bij Etienne in de Hofstraat. In de witte envelop, die hij als een kostbare relikwie in zijn rechterhand hield, stak ook zijn dienstrooster voor de komende maand.
Aan de voorkant was De Lekkerbek  een winkel van koeken en chocolade, waar des winters in de vitrine een ja knikkende Kerstman stond. Aan de binnenkant was het een kleine tearoom waar je koffie, chocomel en bieren kon drinken. Aan de buitenkant was het ook een taxibedrijfje met één taxi. Het was een grote zwarte Plymouth met indrukwekkende  vleugels, die permanent voor de zaak geparkeerd stond. Taxi Etienne kon het stadje Torhout met gemak bestrijken. De firmanaam en het telefoonnummer prijkten in een halve cirkel op een van de vitrineramen en op een ijzeren fietsrek dat op het trottoir stond. De Lekkerbek werd niet alleen door theetantes bezocht. Schooljongens doken er na zestien uur onder om stiekem bier te drinken en sigaretten te roken. Winkelier / cafébaas / taxichauffeur Etienne maakte daar geen probleem van. In De Lekkerbek heerste het principe van de vrije markt en de ondernemingslust. De omvangrijke zwangerschap van Etienne was daar het symbool van.

Het was Jimmy’s debuut in de horecasector. Hij was hier nog nooit geweest. Een vrouw met zwart filmhaar stevende op hem af. Hij vroeg een warme chocomel. Er waren geen andere klanten in de tearoom; hij zat alleen aan een kleine ronde tafel. Nieuwsgierig keek hij rond. Dit waren de coulissen van de buitenwereld. Misschien wel het voorportaal tot een onderwereld. Je kon de achterwand zien van de etalage waar in de winter een Kerstman stond die voortdurend ja knikte en soms houterig een arm bewoog. Baas Etienne was er niet. Zijn vrouw veroorzaakte met oorverdovend geraas van een apparaat het gevraagde. Ondertussen peuterde Jimmy na consultatie van de prijslijst twee muntstukken uit de envelop: een hele en een halve. Dat was een kwart te veel. De vrouw zou hem wisselgeld terug moeten geven. Hij legde de munten op tafel en de envelop ernaast.
‘Zo, jongeman. Lekker warm.’
‘Dank u.’
Omheen de hete chocomel waren op het schoteltje nog twee klontjes suiker, een minikoekje en een lepeltje geschikt.
‘Maar buiten is het ook warm hé?’
Ze griste de munten van tafel.
‘Ja… ‘
Onmiddellijk daarna besefte Jimmy dat het te laat was. Hij was voor een kwart bedrogen. De vrouw had zo snel en zo beslist zijn geld bijeengegraaid en met een vakkundige blik goedgekeurd, dat er van wisselgeld geen sprake meer kon zijn. Zoveel was duidelijk. Verbluft bleef hij haar nakijken, tot ze met een trefzekere worp zijn munten in de kassa mikte. Ze keerde niet naar zijn tafeltje terug. Toen controleerde hij nog eens de prijslijst. Godverdomme.
Jimmy Verschoore werd overmand door een diep gevoel van onrechtvaardigheid, dat al vlug plaats maakte voor woede. Hij nipte van de chocomel; zijn gehemelte schroeide. Hij wierp woedende blikken naar de vrouw achter de toonbank, maar die was in de weer met alles en nog wat. Er kwam nu een vrouw binnen die donkere fondant kocht en een doos cacaopoeder. Jimmy hield de overdracht en teruggave van de gelden scherp in de gaten.
‘Warm hé buiten?’
‘Het is te hopen dat het het houdt.’
‘Zeg dat wel. Wat geven ze uit?’
‘Voor het weekend een graad of twee minder.’
‘Geen regen?’
‘Geen regen.’
‘Alstublieft.’
‘Voila.’

Jimmy nam nu vijf slokjes na elkaar. Daarna ontmantelde hij de suikerklontjes en verdronk die in de beker. Hij plonsde het lepeltje in de bruine oceaan en roerde. Ondertussen at hij het koekje op.
‘De groeten.’
‘Doe ik.’
De vrouw verdween zonder Jimmy aan te kijken. De bazin van De Lekkerbek was weer een en al bedrijvigheid.

Jimmy dronk de rest van zijn chocomel in één keer op nadat hij minutenlang cirkels gemaakt had met zijn lepeltje. Hij zon op wraak. Hoe kon hij zijn woede koelen op deze bedriegster? Hij vernauwde zijn ogen tot spleetjes en beloerde haar als een roofdier. Kauwgom of neuskeutels kwamen momenteel niet in aanmerking. Niet voorradig. Hij voelde evenmin aandrang om te plassen. Anders waren ook hier mogelijkheden geweest. Hij haalde zijn lepeltje uit de lege beker en likte dat schoon. Plotseling had hij het gevonden. Terwijl hij de vrouw nauwlettend in de gaten hield, nam hij het lepeltje met beide handen aan de uiteinden vast, tussen zijn knieën. Een golf van genoegen spoelde over zijn ruggengraat toen hij het ding in een scherpe hoek geplooid kreeg. Het was nu een heroïnelepeltje geworden. Omzichtig legde hij het verminkte schepseltje op de  tafel naast het schoteltje, stond op en laveerde vliegensvlug tussen de tearoommeubeltjes door naar de deur. De vrouw keek alleen maar even op, verstrooid ‘mm, ja’ mompelend. Na het getingel van de Lekkerbekbel zette Jimmy Verschoore het op een lopen, de Hofstraat door, diagonaal over de Markt, de Oostendestraat in.

Ter hoogte van bakkerij Clement hield hij abrupt stil, terwijl zijn hart nog bonkte als een drumstel. De envelop!! Hij had de envelop in De Lekkerbek laten liggen!! Zijn naam stond er duidelijk op geschreven, in dat belachelijke schoonschrift van misdienaarbaas Charles: J. Verschoore, acoliet. Nog erger, in de linkerbovenhoek prijkte in drukletters zo klaar als een klontje: DECANAAT TORHOUT – HOOFDPAROCHIE SINT-PIETERSBANDEN. En, allerergst: er zat nog een flapje in plus zeven munten. En zijn dienstrooster!

In Jimmy’s hoofd begonnen de doodsklokken te luiden. Hij zweette het drievoudige van zijn hete chocomel weer uit. Zijn benen weigerden dienst. Hij leunde voorover op de vensterbank en veroorzaakte zelfs bij deze lentetemperatuur damp op het raam van bakkerij Clement. Een mandje met sandwiches  verdween even in de mist. De bakkerin met haar torenhoge knoet op haar hoofd balde van achter haar kassa een vuist in zijn richting. Jimmy vluchtte andermaal, het smalle Zwanestraatje in. Achter ondoordringbare heggen en hagen hoorde hij eenden schaterlachen. Een verre pauw schreeuwde spottend plee-aaa! plee-aaa! plee-aaa!

‘Ewel, Jimmy, twee missen in de hoofdkerk, twee begrafenissen en een vroege kapeldienst: dat moet opgebracht hebben!’
‘Maar de eerste maand was om te oefenen, ma.’
‘Ah ja?’
‘Ja…’
‘Ze kennen er daar wat van, in die kerk!’
‘Meneer Charles is wel streng.’
‘Dus geen dame blanche in De Lekkerbek voor ons? We hadden gehoopt… hé pa?’
Jimmy’s hart sloeg andermaal tilt toen zijn ma het woord ‘Lekkerbek’ bekte, alsof haar mond vol slagroom stak.

‘Ha ja hé! Het moest wel geen vermenigvuldiging van broden worden, maar een dame blanche en een glas wijn zouden er wel in gefietst zijn, Jimmy! Doe volgende maand maar een keer iets wonderbaarlijks voor ons.’
Georges Verschoore vouwde de autokrant op de volgende bladzijde open. Jimmy scheurde moedeloos een hap uit zijn boterham met salami. Hij verwachtte elk ogenblik de lepelpolitie aan de deur.

De hel bestond dus. Die lag in de kerk. Jimmy Verschoore moest door die hel. Op zijn nieuwe dienstrooster stond namelijk alweer een begrafenis, op de eerste donderdagvoormiddag van de maand. Het naderde zienderogen. Hij vermeed ook angstvallig de Hofstraat, toch zijn kortste weg naar school. Dat was zijn vagevuur. Hij beschreef omtrekkende bewegingen. Ook was hij voorbereid om vliegensvlug weg te duiken wanneer die ene gevleugelde zwarte taxi zou passeren. Hij verschanste zich zo goed en zo kwaad als het ging tussen een groepje buurjongens waarmee hij gewoonlijk naar school opstapte, allemaal liefhebbers van de langste weg. Voor echte noodgevallen had hij stiekem zijn winterse bivakmuts diep in zijn broekzak verborgen; hij hield die permanent in zijn rechterknuist geklemd, klaar voor actie.

Geen nieuws goed nieuws? Stilte voor de storm?
Jimmy Verschoore bracht de komende dagen en nachten in angst door. Er gebeurde namelijk niets. Brieven brachten geen doodvonnis; telefoongerinkel betrof alleen tweedehandse auto’s. Zijn angst nam even af. Wat was nou een lepel? Iets wat je achterstevoren kon lezen en waarvan er miljoenen op deze wereld waren? Toch bleef hij het hele weekend veilig binnen in huis. Een nachtmerrie met gekromde lepels en suikerklontjes deed zijn angst weer accelereren. Doodmoe en met kloppend hart arriveerde hij die eerste donderdag van de maand in de sacristie. Het was zover.

Meneer Charles was zijn gewone zelf. De brillenglazen in zijn begrafeniskop flikkerden vervaarlijk. De zwarte ophaalbuidel, bevestigd aan een lange stok, lag gereed. Zo hengelde Charles rij na rij af, tot in de meest onbereikbare uithoeken. Soms ook stak hij gewoon zijn hand uit en stopte hij de centen in een van zijn jaszakken. En soms, als er veel volk was, deden nog extra collectemandjes de ronde.
Jimmy wurmde zich in zijn zwart-witte misdienaargewaden. Geert, zijn medemisdienaar, arriveerde even later ook. Hij was een jaar ouder en had al meer ervaring.
‘Hoi.’
‘Hoi. De wijn al geproefd?’
‘Nee.’
‘Bij begrafenissen is die lekkerder.’
‘Zal wel zijn.’
‘En er is meer ook, omdat er dan soms twee of drie priesters zijn. Je eerste begrafenis, Jimmy?’
‘Mijn derde.’
Ze verlieten de kleedruimte met de gigantische kleerkast en gingen naar de sacristie. Meneer Charles hielp priester Dezeure en deken Camerlynck in hun gewaden. Het wierookvat hing al klaar; er kringelde reeds rook uit.
‘Er zit veel volk in de kerk, meneer de deken, meneer pastoor,’ deelde Charles mee.
‘Ja, Emilie Vanthomme was vrij bekend in de stad hé.’
‘De hele kaartclub is er. Een paar nieuwe gezichten ook. Heb ik gezien.’
‘Dat is goed, Charles.’
‘Geert, Jimmy: klaar?’
‘Ja meneer Charles.’
‘Het is tijd.’  

Jimmy haalde opgelucht adem. Van dit front was er alvast geen nieuws. Meneer Charles keek op zijn horloge en knipte met zijn vingers. Ze stelden zich op: eerst de misdienaars, dan de priesters. Charles knipte andermaal en knikte. De kleine stoet zette zich in beweging. Geert trok bij het passeren aan de bel die vlak bij de tussendeur hing. Hierop begon kale Bemol, de koster van Sint-Pietersbanden, zijn onheilspellende gezang in te zetten. Dat klonk stoffig en muf, alsof hij voortdurend gewurgd werd. Priester Dezeure wierp hem een boze blik toe en schudde even het hoofd.

Jimmy Verschoore ratelde net als Geert vlotjes zijn Latijnse zinnen af. Alles verliep zoals het moest verlopen. Misschien zou de maand vlug voorbij zijn, en kreeg hij een nieuwe envelop. Misschien volgden er nog begrafenissen; die betaalden wat beter. Toen deken Camerlynck zijn troosttoespraak hield, keek Jimmy voor de eerste keer echt de kerk in. Dat was niet eenvoudig, en dat had hij de vorige maand moeten leren: naar tientallen, soms wel honderden hoofden tegelijk kijken zonder rood te worden of de slappe lach te krijgen.    
Hij begon ze al te kennen. Er waren mensen die naar elke begrafenis kwamen en steeds dezelfde plaats kozen. Zoals wratten immer dezelfde plaats innamen op bekende gezichten, zo dobberden tientallen vertrouwde mensenhoofden op een zee van stoelen.
‘Net als na het zinken van de Titanic,’ dacht Jimmy.
Het was niet licht en het was niet duister in de kerk van Sint-Pietersbanden. De brandglasramen toverden een soort bevreemdende schemer. De bleke vlekken van de gezichten kon je maar echt herkennen wanneer ze ter communie naderden. Bij een begrafenis hoorde eerst nog een offerande. Ook dan zag je ze duidelijk: de stoet van rouwkoppen, hun handen gekruist voor hun geslacht, de ijdeltuiten uit het Leger van God het hoofd geheven, het voetvolk met gebogen schouders. Jimmy vond het alvast een goede oefening dat hij misdienaar was, mocht het ooit zover komen dat ook hij in zo’n offerandestoet vooruit moest schuifelen. Alleen: bij het terugkeren naar je stoel was de afstand tot de honderden gezichten wel benauwend kleiner. Maar misschien bestonden daar trucs voor. Het doodsprentje onderweg bekijken, bijvoorbeeld.

De deken had gezegd. De begrafenismis was in een volgende fase. Jimmy keek naar de kist. Werd er nooit eens iemand wakker in zo’n kist? Was er nooit eens hevig geklop gehoord midden zo’n rouwdienst? Gesmoord gehuil? Een deksel dat – huu!! – onverwacht met krakend gesplinter open vloog? Waren er al oude kisten ontdekt waarvan de wanden en het deksel diepe krabbels vertoonden?
Priester Dezeure legde nu aan de micro uit hoe de offerande zou verlopen. Er moesten twee files gevormd worden, gezien het grote aantal aanwezigen. Kale Bemol begon lichte orgelmuziek te spelen om de geldstroom te begeleiden. Deken Camerlynck knikte naar Jimmy; samen gingen ze de trap af naar beneden. Even verder stelden priester Dezeure en Geert zich op. Meneer Charles kwam zijn misdienaars ieder een vergulde schaal geven. Daarop moesten de centen gelegd worden. De priesters hielden in hun ene hand een wit doekje en in hun andere hand een pateen vast. Dat was voor de kusscène. Twee mannen van de uitvaartonderneming kwamen met de gedachtenisprentjes naast ze postvatten.
Jimmy keek andermaal naar de hoofdenzee, nu vlak voor hem. Hij was klaar voor de grote offergang. De orgelmuziek van kale Bemol klonk nu wat luider. Priester Dezeure schraapte uitvoerig en luidruchtig zijn keel; deken Camerlynck keek verstoord opzij. Toen vloog plotseling het bloed naar Jimmy’s rouwkop, terwijl zijn adem even stokte. Daar zat ze. Op de tiende rij ongeveer. Uitgerekend aan zijn kant. Dat zwarte filmhaar herkende hij onmiddellijk. Wild klopte zijn hart in zijn keel. Bijna liet hij zijn collecteschaal vallen.
Godverdomme.
Had ze hem nu al de hele tijd in de gaten?

Hij wendde zijn blikken vliegensvlug naar de grond en wenste dat hij zelf in die kist lag in plaats van de oude Emilie Vanthomme, opgeplooid als… voor zijn ogen doemde nu dat verwrongen theelepeltje op. Dit was de hel hier.  

De eerste offerandegangers kwamen eraan. Dat waren de zwaarst rouwenden. De baas van de uitvaartonderneming begeleidde ze. Jimmy concentreerde zich op zijn schaal. Er kwamen steeds meer munten in te liggen. Van onder zijn half neergeslagen oogleden probeerde hij nu de Lekkerbekvrouw te ontdekken. Overal grijze en zwarte vlekken. En toen gebeurde het, onverwacht, veel vlugger dan Jimmy had verwacht.
Er werd een witte envelop op zijn schaal gedeponeerd. Jimmy keek verbijsterd op. Ze stond vlak voor hem. Ze keek hem even diep in de ogen, drukte haar wang tegen de pateen zonder haar blik van hem los te laten, griste daarna het gedachtenisprentje uit de hand van de uitdeler en stapte dan terug de middenbeuk in. In opperste wanhoop keek Jimmy  naar de envelop: J. Verschoore, acoliet – DECANAAT TORHOUT – SINT-PIETERSBANDEN. Naast hem stokte deken Camerlynck even in zijn routine. Hij boog zich wat opzij om met gefronste wenkbrauwen het vreemde voorwerp op Jimmy’s schaal te bekijken. Toen trok hij zijn wenkbrauwen weer omhoog, richtte zich op en kweet zich verder van zijn taak.
Met een bloedrode rouwkop fixeerde Jimmy de enveloppe, tot het wit ervan geleidelijk verdween onder een laag munten. Toen hij na lange minuten weer eens opkeek, zag hij dat de stoel waar de vrouw met het zwarte filmhaar gezeten had, leeg was.

Nu volgde nog de genadeslag voor Jimmy. De offerandegang was afgelopen. Meneer Charles kwam de buit ophalen.

De rest van de begrafenisdienst maakte Jimmy als in een nare droom mee. Meneer Charles had de beide schalen naar de sacristie gebracht en was onmiddellijk teruggekomen via een zijbeuk van de kerk, waar hij de gebeurtenissen van op een afstand volgde. Zijn brillenglazen flikkerden af en toe op in het licht dat door de brandglasramen viel. Had hij de envelop dan niet ontdekt onder de laag munten? Was hij zijn misdienaars gewoon aan het controleren en beoordelen? Moest het ergste nog komen? Gebaarde hij van krommenaas en martelde hij hem tot het uiterste?
Kale Bemol gaf er nu nog een laatste lap op. De mensen stonden op. Emilie Vanthomme zou nu echt ter aarde worden besteld, in een stoet van zwarte auto’s naar begraafplaats De Warande. Medemisdienaar Geert moest nog even met de priesters mee naar de uitgang van de kerk. Jimmy kon beschikken. Toen hij aanstalten maakte om zich snel weer naar de sacristie te begeven, merkte hij dat de stoel waarop meneer Charles daarnet gezeten had, leeg was. Wellicht had die zich ook al naar achter in de kerk gespoed, om het verdere verloop van de plechtigheid in goede banen te helpen leiden. Hier zat nog een laatste kans in.

Amper een dag later werd Jimmy Verschoore beschuldigd van diefstal. Hij werd diezelfde vrijdag na schooltijd door meneer Charles in de sacristie ondervraagd. Meester Daniël had Jimmy in de speeltijd van 10 uur 10 op de hoogte gebracht. Hij had ook al zijn ouders verwittigd. Jimmy Verschoore zat als een rat in de val.
‘Deken Camerlynck zegt dat er een witte envelop op jouw schaal werd gelegd, door een zwarte dame. Is dat waar, Jimmy? De deken liegt toch niet? Hé?!’
Jimmy zweeg.
Hij zweeg over de witte envelop – zijn envelop – die hij de dag ervoor in de verlaten sacristie vliegensvlug van onder de berg munten bevrijd had en vlak voor de middag mee naar huis genomen had. In de wc had hij de envelop onderzocht. Het flapje en de zeven munten waren eruit. Het enige wat er nog in stak, was een lelijke tekening, op de achterkant van zijn heilige dienstrooster: een gekromd koffielepeltje. Tussen de beide verwrongen uiteinden sprong een uitgestoken tong naar voren.

Tot het einde van zijn dagen als acoliet van de katholieke eredienst – en dat duurde welgeteld drieëndertig dagen – hield Jimmy Verschoore vol dat er helemaal niks in die witte envelop gestoken had. Niemand immers – tenzij het schepsel van de Lekkerbek – had ooit zijn naam of het gedrukte opschrift echt goed gezien. En niemand zou ooit de echte geschiedenis van de eerste en enige misdienaarenvelop van Jimmy Verschoore kennen.
Hij werd weggezonden als een dief. Toen de zware sacristiedeur dichtklapte, zaten er twee van zijn vingers tussen. De dokterpa van Didier moest aan huis komen om hem te kalefateren.

‘Wat is er daar allemaal gebeurd, Jimmy? In dat huis van God?’
‘Ik heb een envelop verloren en die Charles is een… een… ‘
‘Woorden schieten te kort, hé Jimmy?’
‘Dat is niets voor jou, Jimmy. Ondanks je rouwkop.’
‘Je zou later in de politiek moeten gaan: met zo’n kop geloven ze dat je voor de kleine man opkomt. Als je dan later verkozen bent, kun je de knop weer omdraaien.’
‘Godverdomme!’ zei Jimmy vol overtuiging.
‘Dat is een goed begin,’ knikte Georges Verschoore.
‘Haal nu maar de salami uit,’ gebaarde ma. ‘Pa heeft de brokkelkaas weer opgegeten.’
‘Uit puur contentement, Andrea. We gaan een autootje kopen, Jimmy. Wat zeg je daar van? En ik betaal alles in een witte envelop.’  

24-05-17

BESCHAVING WATERSTAAT

BESCHAVING WATERSTAAT

Het was niet op een dag of een nacht gebeurd. Er was wel al jaren voor gewaarschuwd. Zelfs decennia. Het ging om een sluipmoord die pakweg een kort mensenleven in beslag nam. Eén politieke partij had in dat verband altijd het voortouw genomen, af en toe omwille van stemmingmakerij in tijden van verkiezingen gesteund door opportunistische milieusnobs van ‘traditionele’ partijen. Maar men had noch nationaal noch internationaal deze onheilsprofeten van het klimaat ernstig genomen. En toch.

Alladin, de Alliantie van Adinkerke, een groene stroming die om de twee jaar een klimaattop in het uiterste westpuntje van de Vlaamse kust hield, had gelijk gekregen. Hun laatste vier ‘tops’ van de 21ste eeuw vielen zelfs enigszins in het water, letterlijk. Dobberend op een groot klimaatvlot hielden ze hun allerlaatste colloquium vooraleer de Lage Landen definitief overspoeld werden. Hun ergernis vertolkten ze toen via de slogan KUST ZE.  

Anno 2098 bestonden Nederland, Vlaanderen en Noord-Frankrijk uit paalsteden en drijvende dorpen. Er was geen land meer te bezeilen, alleen water. De Waalse en Franse Ardennen lagen nu aan zee.

Straten werden waterwegen; pleinen en pleintjes werden meren en poelen. Auto’s waren vervangen door vaarwagens en boten en bootjes van divers pluimage. Naast de nieuwe drijvende steden en dorpen stak hier en daar nog een kerktorenspits of de top van een appartement uit oude tijden als een vingerwijzing boven het wateroppervlak uit. Daar was het opletten geblazen voor het huidige waterverkeer. 

De Alliantie van Adinkerke, zegge en schrijve Alladin, had de macht gegrepen nadat de overspoeling alom een feit was geworden. Er was geen sprake meer van de oude landen of hun benamingen. Ook de traditionele zuilen en partijen waren verzwonden. Alladin bestuurde nu Waterstaat. Hun munteenheid was de aquarel. Je betaalde ongeveer drie aq. voor een halve kilogram vis. Zoogvlees, kippen, konijnen en grondgevogelte waren delicatessen die op grote grasvlotten gekweekt werden. Alleen Alladinaren konden zich die veroorloven. Ofwel moest je er lang voor sparen. Zwanen, eenden en ganzen verschenen weer op de spijskaarten. Op waterduiven, beverratten en allerlei ander watergespuis werd stiekem gejaagd. Stroperij werd oogluikend toegestaan, als onderdeel van een zwarte markt die de officiële economie gaande hield. Fruit en groenten waren het monopolie van Waterstaat, die over het eigendomsrecht van alle platte daken beschikte. De regering-Alladin kweekte er fruitbomen in potten en groentebedden. Alleen Waterstaatsdrones werden tot de daken toegelaten. Via aandelen, bonnen en inschrijvingen kon je van de oogst of de teelt genieten, maar de wachtlijsten waren lang, vooral wanneer een seizoen tegenviel. De woorden ‘witlof’  en ‘champignon’ bijvoorbeeld waren al uit de woordenboeken verdwenen. Zwemmen leerde je al vlak na je onderwatergeboorte. Het officiële Waterstatuut kon je vanaf je veertiende verwerven, wanneer je minstens drie maanden per jaar in een van de vele waterzuiveringsstations ging werken.

Waterstaat was een no-nonsense democratie. Wie het niet eens was met de meerderheid en zich daar slecht bij voelde, kreeg de kans te emigreren naar Zoutenisse, een gigantische lap zoutwater ter hoogte van het oude Polderland zonder ook maar één enkel zuiveringsstation. Op Zoutenisse dreven een vijftal dorpen die alle verankerd waren met de paalstad Zilte, de hoofdplaats van Zoutenisse. Verzouten was er de doodsoorzaak bij uitstek. Het krioelde er ook van de criminelen, want Waterstaat gebruikte het district Zoutenisse als verbanningsoord en openluchtgevangenis. Je raakte er niet ouder dan 103 jaar. Toch was overpopulatie er een groot probleem.

Joplini Van Wesemael zat op zijn plankier aan de Polenpoel zijn aquarels te tellen. Binnenkort zou een stuk zoogvlees mogelijk zijn. Rood vlees. Misschien zou hij eerst nog een paar waterduiven proberen te schieten. Dat leverde ook voedzaam vlees op. Of hij kon die op de Aquamarkt in Wrakijna verkopen, zodat zijn voorraad aquarels aangroeide. De gedachte aan rood vlees deed hem het water in de mond komen. Maar er waren nog andere kosten waar hij rekening mee moest houden.   

Er gleed een chique vaarwagen voorbij, bestuurd door een Alladinaar. Hij herkende haar aan de staatstatoeage op haar wangen (een stel kieuwen) en de codeplaat aan de zijkant: BW-WA3AL. Het was bovenwaterminister Marie-Solfège De Pourq. Joplini bracht de verplichte Waterstaatgroet, een soort golvende beweging vooruit met de rechterhand, maar Marie-Solfège bleef hooghartig voor zich uit staren en beantwoordde de groet niet.

‘Stomme vissenkop’, mompelde Joplini. ‘Kieuwenkut’.

De vaarwagen verliet gelijkmoedig puffend de Polenpoel. Marie-Solfège De Pourq had in deze armenbuurt niets te zoeken. Het betrof haar dagelijkse kille passage naar het Waterstaatconclaaf op het Blûûrmeer in deelhoofdstad Middenwater. Haar vaarwater was altijd eender. Alleen in verkiezingstijden beantwoordde ze de Waterstaatgroet, die voor elke inwoner verplicht was. Sporadisch, wanneer ze met het verkeerde been uit haar waterbed was gestapt, liet  ze haar vaarwagen stoppen om een Waterstater te straffen die de groet niet had gebracht, ondanks het feit dat zij zelf zeer zelden groeten beantwoordde. Dan rilde ze de onderwaterminister Yadisro op, die prompt een afgezant stuurde en korte metten liet maken met de niet-groeter: die werd zonder pardon naar een van de koraalmijnen verbannen, waar hij/zij zeven waterjaren lang onder beperkte zuurstofvoorwaarden tewerkgesteld werd. Maar meestal bleef Marie-Solfège stuurs voor zich uit staren, want het was onmogelijk om onderweg alle Waterstaatgroeten te beantwoorden. Je kon er een lamme arm van krijgen. En ze had haar rechterhand en –arm nodig om haar vaarwagen te sturen. Het vaarwater in de Polenpoel was onstuimig.

‘Elf’, telde Joplini hardop, maar verder kwam hij niet. Met hevig geproest en geplets dook plotseling Danny Darcq uit het water op. Hij schudde de druppels van zich af terwijl hij zich aan de stangen omhoog hees tot op Joplini’s plankier. Zelden kwam Danny met goed nieuws af. Hij leek zelfs op te beuren bij het ontdekken van onheilstijdingen.
‘Danny. Hoe gaat-ie? Ik schrok me een zeepaardjesbult.’
‘Joplini, sorry dat ik zo bruusk bij je aanmeer. Heb je het al gehoord? Er is weer massale vissensterfte op komst.’
‘Verdomme!’
‘Het is menens. Een heleboel bevoorrechte Waterstaters heeft al emigratie naar de Ardennen aangevraagd.’
‘Zoutenisse komt natuurlijk niet in aanmerking voor ze. Die emigranten zijn Alladinaren, wellicht?’
‘Je raadt het.’
‘Slecht nieuws voor de everzwijnen.’
‘Het asbest uit de ondergrond van vroegere tijden speelt de vissen in Waterstaat parten. En bij uitbreiding ons, natuurlijk. As op z’n best, snap je hem? Dood, Joplini, dood!’
Danny Darcq maakte een gebaar alsof hij zijn eigen keel oversneed.
‘Ik was net van plan weer waterduiven af te knallen.’
‘Beverratten zijn ook lekker.’
‘Dat wordt wennen, Danny. Kom erin. We drinken een Brûm.’
‘Dat sla ik niet af. Laten we alvast wat jaagplannen opstarten.’

Overal in Waterstaat werden gelijkaardige jaagplannen gesmeed. En dat was nou net het punt waarover de bovenwaterministers vandaag aan het vergaderen waren. De ene helft van de dierenpopulatie was besmet; de andere helft kwam daardoor in gevaar. De contaminatie betrof een euvel van lange duur. Dat betekende absoluut geen goed nieuws voor de regering-Alladin, die al meer dan een eeuw lang milieu als speerpunt had. Maar hun monopoliepositie verrechtvaardigde uitzonderlijke standpunten, harde ingrepen en ongezouten meningen. Er keek dan ook niemand echt verbaasd op toen plotseling bovenwaterminister Ermin Debruwaene, Afstandelijk Gouverneur van Zoutenisse, opperde:

‘Laten we mensenvlees op de kaart zetten. Lekker gezouten, zoals de prés salés van weleer uit de delta van de Somme. De schapen die vooraf bij leven en welzijn door omstandigheden al gezouten waren. Ik heb een voorstel, collega’s.’

Marie-Solfège De Pourq bolde haar kieuwen op, knikte goedkeurend en dacht aan het etentje dat ze binnenkort zou geven voor collega’s van het ministerie van Vlees noch Vis. Een carpaccio van menselijke prés salés reepjes met ouderwetse mayonaise en worcestersaus zou er zo in fietsen. Misschien opende dit dan perspectieven betreffende het ministerschap van Amfibieën en Reptielen. Er zat muziek in dat departement. 

Alladin was oppermachtig want alleenheersend. De mensenjacht was dus open. Zilte en de vijf verankerde strafdorpen werden ogenblikkelijk tot jaagkolonie uitgeroepen. De Afstandelijk Gouverneur Ermin Debruwaene loste er het probleem van de overbevolking aldaar mee op. Aan dat asbest en die vissensterfte zou later nog wel iets gedaan worden.

Nog diezelfde dag vernamen Joplini Van Wesemael en Danny Darcq het nieuws.
‘De vaarwateren naar Zoutenisse zijn zelfs reeds vrijgegeven’, zo klonk het uit de Waterstaat Cloud. ‘De vergunning voor een halve dag mensenjacht kost 6 aq. Die is aan te vragen bij de Zuil van Topus op het Dobbermanmeer of bij uw persoonlijke Straatwaterverantwoordelijke. Na Waterdag wordt dat 8 aq. Jagen op vissen wordt voorlopig nog toegelaten op eigen risico. Er kunnen gezondheidsproblemen rijzen na het nuttigen van vis.’
‘Mm… Voor mij een bil van een ouderwetse katholiek’, zei Danny likkebaardend. ‘Traag gegaard, met za’atar bereid.’
‘Doe mij maar een portie schroeivlees van zo’n caravansocialist’, zei Joplini. ‘De beide lendenstukken graag. Geflambeerd in Brûm. Op naar de zoute wateren! Ik ruik menschenvleesch!’

18-04-17

MOESKOPPER

MOESKOPPER


Ebenezer Moffaert was een beminnelijk mens, maar dat werd voor een flink stuk ontsierd door zijn hebzucht. Steeds minder mensen roemden hem om zijn  beminnelijkheid.
Moffaert E. – zo prijkte het op zijn naambordje onder zijn bel in residentie Old Brussels vijf hoog boven brasserie Hot Stone. Sommige van de steeds schaarser wordende bezoekers wezen hem op dat euvel. Of hij zich misschien in het leger waande? Of hij zijn eigen voornaam verloochende? Of hij een Hongaar was? Of hij zich de zoveelste minkukel in de pikorde van de menselijke soort voelde?
Ebenezer Moffaert aka Moffaert E. haalde dan gespeeld mistroostig zijn schouders op. Het naambordje hing er al jaren en vervanging zou misschien centen kosten. Zijn gierigheid was de keerzijde van zijn hebzucht.
‘Zo vinden ze me rap’, placht hij dan te zeggen.
‘Waarom moet je rap gevonden worden?’
‘Ik wil maar zeggen.’
Niemand moest Ebenezer Moffaert vinden. Tot op zekere dag iedereen Ebenezer Moffaert wou vinden: de man van wie beweerd werd dat hij in een stad aan de zee was komen wonen omdat hij dacht dat de gemeentebelastingen er gehalveerd waren – het was immers maar een halve stad; de andere helft was water.

Ze vonden inderdaad zijn naambordje rap.

De 47-jarige vrijgezel en hulpbibliothecaris Ebenezer Moffaert droomde ervan de lotto te winnen of zo rijk te worden als de zee diep was. Ongeduldig wachtte hij (als enige nazaat) op de dood van zijn beide verwekkers, van wie hij nog op zaterdagvoormiddagen het volkstuintje onderhield achter het bejaardenwoonerf in het hinterland van de Vlaamse oostkust. Zijn eigen bescheiden kapitaal groeide ondanks de crisis van de prille jaren van de 21ste eeuw gestaag dankzij een saai, voorspelbaar, veilig en omzeggens autistisch bestaan. Hij betaalde geen cent belastingen te veel, likte nooit een ijsje, woonde nooit trouwfeesten bij, ging nimmer op reis, scheurde constant bonnen en coupons uit kranten en magazines die hij in wachtkamers en op openbare plaatsen aantrof en at elke middag in het restaurant van het stedelijk OCMW of het ziekenhuis. Warenhuisprijzen vergeleek hij nauwgezet. Holland was vlakbij: hij gunde zichzelf wel eens een winkeluitje naar een van de grenswarenhuizen, waar de prijzen ‘gierig’ waren – een zelfspottende slogan van het koopmansvolkje.

Honderd jaar nadat het verdwenen was, werd andermaal urtogein gekweekt in Vlaanderen. Onderzoekers en veldwerkers van de universiteit van Gent waren er in geslaagd een proefveldje van deze vergeten plantgroente op te zetten, na een turbulente periode van genetisch gemanipuleerde aardappelen annex de nodige heisa. De planten waren al vijftien centimeter groot. Ebenezer Moffaert las er in de krant over, die hij elke dag gratis raadpleegde in de tijdschriftenafdeling van de bibliotheek. Daarna googelde hij wat, onder andere met Street View.    

Urtogein: ooit een peperdure Vlaamse eetbare plantgroente, voor het laatst gespot omstreeks 1915 in de omgeving van Eeklo. Inmiddels geheel verdwenen. Rodekoolkleurige bloemloze plant met tweevoudig geveerde, diepgezaagde bladeren, telkens vijf per stengel. Alleen de stengels waren eetbaar. De vier seizoenen rond mogelijke teelt in binnen- en buitencultuur, waarbij ganzenmest de hoofdrol speelde. Bevatte 0,03 % orobanche (bremraap), 0,04 % arsenicum en 0,01 % cicuta maculata ofte gevlekte musquashroot (waterscheerling). Intens neteleffect bij aanraking met de bladeren, alleen in ochtendzon tot en met 12 uur. De openbare teelt van urtogein was eigenlijk bij wet verboden, want de combinatie van orobanche, arsenicum en cicuta maculata werkte in deze verhouding verslavend en ‘bewustzijnsverruimend’. Vakkundig bereid en goed gebruikt sorteerde urtogein wel degelijk een speciaal effect, maar het bleef oppassen geblazen met de verhoudingen. Onachtzaam gebruik kon ook de dood veroorzaken. Was zeer gegeerd bij de chef-koks in de bekende restaurants uit die tijd (urtogein bleek in combinatie met ganzenlever een genot voor de smaakpapillen te zijn), in kunstenaarsmiddens en voor medicinale doeleinden in de farmacie en de heelkunde (extracten uit de stengels van de wonderplant konden meer en vlugger dan andere middelen of medicijnen pijn stillen, wonden helen, bloed stelpen en euforisch verdovend werken). Over urtogein deed een stadslegende de ronde. Wie zich netelde aan een blad (en dat prikte behoorlijk vinnig), voelde helemaal niks meer onmiddellijk nadat hij op het betreffende blad van de plant wat grof zeezout had gestrooid. Niet op de hand dus!

‘Peperduur’.
Dit woord bleef nazinderen bij Ebenezer, na het eenzame ledigen van een halve fles goedkope cognac op zijn appartement. Het werd tijd voor eigen kweek. Hij zou voor een primeur zorgen. Het  volkstuintje van zijn ouders, waar ze zelf nog nauwelijks verschenen, was de ideale plek. Het proefveldje van de universiteit bevond zich op het Galgenveld in het dorpje Afsnee, op enkele steenworpen van de Oost-Vlaamse provinciehoofdplaats Gent. Moffaert Ebenezer stak op een late zomeravond zijn vouwfiets in de koffer van zijn auto en begaf zich naar het ingedommelde Afsnee.

De proefvelden van de universiteit lagen op het Galgenveld in Afsnee alle samen op een terrein dat gehuurd werd van een land- en tuinbouwschool uit Melle. Je kon er met de auto tot vlakbij. De kwestie was natuurlijk er op dit uur binnen te geraken (en weer buiten met de buit). Een hoog ijzeren hekken vormde de hoofdingang, waardoor de toegang op het voorportaal van een begraafplaats geleek. Een brede zijingang vijftig meter verderop, voorzien op tuinbouwwerktuigen,  was afgesloten met een blinde poort die blijkbaar elektronisch werkte. Voor de rest was het domein omheind door een brede droogstaande greppel van wel twee meter diep, waarachter zich een drie meter hoge beukenhaag verhief die al jaren innig verstrengeld was met pinnige Vlaamse afrasteringdraad. Parkeren kon onopvallend: diverse buurtbewoners maakten in deze kalme zomerperiode gebruik van de mogelijkheden op de brede parkeerstroken naast de greppel en het fietspad aan de voorkant en aan een van de zijkanten van het proefdomein, zodat hun eigen opritten vrij bleven voor hinkelhokken, buurtbarbecues en straatpalaver.

Moeskoppen of moeskopperij is de diefstal van groenten, fruit, gewassen of een (deel van de) oogst. Het veronderstelt het plukken, afrukken, afsnijden of uitgraven van de vruchten. De Belgische strafwetgever heeft geoordeeld dat het wegnemen van groenten van het veld, het plukken van appels of druiven, niet moet bestraft worden als een wanbedrijf maar als een overtreding. Artikel 557 Sw. heeft het over: Zij die veldvruchten of andere nuttige voortbrengsels van de bodem die nog niet los van de grond zijn, roven. Alle andere vormen van diefstal, eventueel ook het wegnemen van een appel uit de winkel, worden wel beschouwd als een wanbedrijf, met zwaardere straffen. Als de veldvruchten in groep geroofd worden of 's nachts, dan is het ook diefstal. Ook het oprapen van een gevallen appel is geen moeskopperij, maar een gewone diefstal. De basisstraf voor moeskopperij is één tot vier dagen gevangenis en/of een geldboete van 5 tot 15 euro (te vermenigvuldigen met 6). Met ingang van 1 april 2005 is moeskoppen uit het strafwetboek gehaald en dus gedecriminaliseerd. Steden en gemeenten die dit wensen kunnen moeskoppen opnemen in hun politiereglement en zo opnieuw bestraffen via een gemeentelijke administratieve sanctie. In 2007 dook in België een nieuw verschijnsel op van grootschalige moeskopperij. Vele tientallen hectaren maïsveld werden machinaal door dieven geoogst en weggevoerd. Doordat het in groep en 's nachts gebeurde kon het toch vervolgd worden als diefstal.

Schuilen deed je het best in de openbaarheid: Ebnezer Moffaert parkeerde zijn auto net om de hoek op de parkeerstrook, tussen een Skoda en een mobilhome in. Er stonden nog minstens tien andere auto’s in de zijstraat. De vouwfiets bleek gezien deze meevaller overbodig; het doel was vlakbij. Aan de overkant bevond zich een langwerpige weide bevolkt door enkele ganzen, die nieuwsgierig naderden. Gelukkig hielden ze hun snater. De weide liep honderd vijftig meter verder in een punt toe, waar de huizenrij begon. Geen pottenkijkers dus. Het was ondertussen al goed donker geworden. Ebenezer wachtte een poos. De ganzen waggelden weer weg. Dan trok hij de kap van zijn fleece trui over zijn hoofd, gordde zijn rugzak om met een kniptang en een steekschep erin en verliet via de passagierszit in gebogen houding zijn auto. Even later waadde hij omzichtig door de droge greppel – een donkere gestalte met een bochel. Het was nu zoeken naar en hopen op een dunne kalende plek in de omheining. En misschien vormde die vintage afrasteringdraad ook niet zo’n probleem, gezien zijn ouderdom.         

Het proefproject ‘Snaterkracht’ onder leiding van professor Emma Hasselman van de Gentse universiteit verliep naar wens. De waakganzen handelden precies zoals ze ervoor opgeleid waren. Eerst verkenden ze de (eventueel bedreigende) situatie. Dan trokken ze zich terug om de tegenstand(er)(s) verder in te schatten. Daarna overlegden ze in verband met mogelijke actie en de noodzaak om in te grijpen. Ook de intensiteit van die actie werd bepaald. In combinatie met het proefveld waarop de urtogein werd gekweekt, betekende dit een uitermate geschikte test. Twee vliegen in een klap, zeg maar.

De alfagans met de elektronische nekband opende het poortje van de weide, zoals ze het aangeleerd was door professor Hasselman en haar team. Een peloton van zestien doodstille waakganzen stak omzichtig de straat over. Acht ganzen (peloton 1) haastten zich daarna  over het fietspad naast de parkeerstrook in de richting van de zijstraat; de andere acht (peloton 2) doken geruisloos de diepe greppel in en slopen op z’n indiaans verder in dezelfde richting. Beide groepen vervolgden op hun eigen tempo hun weg, tot ze om het hoekje waren.

Ebenezer dook nog dieper ineen: boven hem zag hij plotseling een aantal ganzenkoppen voorbij stuiteren, zich aftekenend tegen de nachtelijke zomerlucht. Ze gaven geen kik en keken strak voor zich uit. Waren die dan toch uit hun weide ontsnapt? Of betrof deze nachtelijke ganzenpas een zomerse ganzengewoonte? Toen de vreemde stoet gepasseerd was en hij aanstalten maakte om de haag verder op zwakke plekken te controleren, hoorde hij plotseling droog geknap en geritsel achter zijn rug. Verschrikt draaide hij zich om. Toen barstte de hel los. Oorverdovend gesnater vulde eensklaps de greppel, van twee frontlinies komend. Vleugels en poten wiekten en maaiden in een overweldigende mallemolen in het rond. Onder het gewicht van zestien hoogopgeleide waakganzen van de Gentse universiteit tuimelde moeskopper Moffaert E. diep ter aarde neer, frontaal en ruggelings aangevallen en geveld door deze blitzkrieg van boos gevogelte.

Death by a thousand beaks? Nee, hij leefde nog. Het deed niet echt pijn. Maar het voelde aan alsof zijn hele lijf met klemmen vastgehaakt was. Tientallen poten kneedden ondertussen het vlees van dat lijf, heen-en-weer huppend wisselend van plaats, terwijl ettelijke snavels hem door zijn kleren heen in bedwang hielden. Af en toe incasseerde hij een venijnige knauw. Een bepaalde gans trommelde ononderbroken met beide poten op zijn nieren. Hij kon geen kanten op. Gelukkig had hij zich op zijn buik kunnen draaien, zijn vuisten afwerend tegen zijn oren gedrukt. Door de opwinding van de aanval begonnen ook enkele waakganzen zich te ontlasten op het vege lijf van de moeskopper. Weldra zat hij onder de stinkende kledder. De hoofdgans met de elektronische band hield hem in een houdgreep ter hoogte van zijn nekhaar. Met haar beide poten beheerste ze het kloppen in zijn halsslagader. Tot zijn opperste verbazing hoorde Ebenezer elektronische geluiden achter in zijn nek, gevolgd door – godbetert! – de bevelende stem van een mens, waarop – droomde hij? Was dit een nachtmerrie? – de oppergans leek te reageren.

Ondertussen hadden enkele Afsnedelingen hun bed verlaten, gealarmeerd door het gesnater. Iedereen wist hoe de vork aan de steel zat. De waakganzen waren zich naar behoren van hun taak aan het kwijten. Dit betrof wel een primeur. Nieuwsgierig gingen de omwonenden op de haard van de heisa af. Daar troffen ze de gesneuvelde moeskopper aan, volledig onder het gevogelte en onder de schijt. Een halfuur later (een eeuwigheid voor Moffaert E.) arriveerden er een busje van de Gentse universiteit en een politiecombi. Er heerste uitbundigheid omwille van het slagen van het proefproject ‘Snaterkracht’, waarbij gelijk het proefveld van de urtogein beschermd was. Het duurde dan ook geen vijf minuten of er verscheen een lokale medewerker van Het Laatste Nieuws. De teams van de unief en de politie gingen graag in op diens verzoek om even te wachten met verdere ingrepen, opdat iedereen over pakweg zes, zeven uren ten volle van dit kluifje zou kunnen genieten – een neusje van de zalm in komkommertijden. Zowel de hoofdonderzoeker van het urtogeinproefveld als professor Hasselman kregen een kort interview. Ze benadrukten hun uitzonderlijke ecologische vorm van samenwerking. Pas een kwartier later leidden de onderzoekers de ganzen terug naar hun weide (waar die een feestelijke beloning voor hun snater kregen), terwijl het politionele team sanitairverpleegkundige hulp inriep in verband met de toestand van de moeskopper.

Moffaert E., met gebogen hoofd op de rand van de greppel gezeten, zag er uit als Lawrence of Arabia na maanden woestijntochten.

‘Hulpbibliothecaris??’ deed een ondervrager verbaasd. ‘Ge komt wel van ver!’
Ebenezer knikte.
‘Van aan zee’, mompelde hij stilletjes.
‘En wat deed gij hier in een Oost-Vlaamse gracht?’
‘…’
‘Met een kniptang en een steekschep? Hé??’
‘…’
‘Komt gij straks maar eens mee met ons. Maar we gaan eerst die smeerboel van u afborstelen. De cleaning service komt zo. Ha ha.’

De volgende dagen, tijdens een periode van landelijke komkommertijd, haalde Moffaert E. aka Ebenezer Moffaert de voorpagina’s van de kranten. Het begrip ‘moeskopperij’ werd uitvoerig ter sprake gebracht. Ook op YouTube kon een deel van de hallucinante greppelscène bekeken worden, dankzij de elektronische nekband van de hoofdgans. De jonge stagiair die bij ‘Snaterkracht’ betrokken was, kon het niet laten.   

Ettelijke keren ook werd er dwingend aangebeld bij Moffaert E. Ze vonden inderdaad zijn naambordje rap. De tweede nacht na zijn onfortuinlijke expeditie sloop hij naar beneden om zijn naam uit het vaag verlichte bordje te wrikken. De rest van zijn vrije zomerdagen verbeidde hij in afzondering en angst: over twee weken moest hij zich weer in de openbare bibliotheek melden. Er wachtte hem ook nog een politioneel onderzoek. Het openbare leven van Ebenezer Moffaert, ‘Moeskopper van de Kust’,  zou een hel worden.  

23-03-17

'ZIJ DIE DE LEGERMACHT ONTBINDT'

‘ZIJ DIE DE LEGERMACHT ONTBINDT'

 

… en Hij hield Zijn leerlingen de volgende gelijkenis voor …

‘Hoe hoger men gaat, hoe lager men valt. Zo was er eens een mooie vrouw, die bekend raakte als De Doodmaakster, toen de feiten die daaraan voorafgingen het daglicht hadden gezien. Zij betrok bijna geheel alleen de woontoren Ra’s Qasr aan de rand van de Nizmennost-woestijn op een steenworp van de zoute zee gekend onder de naam Sabkhat. Twaalf hoog, met uitzicht op de wandeldijk en de zee, woonde er wel nog één appartemens. Hij kwam nooit ofte nimmer naar beneden of naar buiten, maar zat ononderbroken aan het venster. Iedereen die er passeerde (en de wandeldijk kende behoorlijk veel passage) was vertrouwd met het beeld van het bovenlijf plus hoofd twaalf hoog, dat de klok rond de wandeldijk beneden gadesloeg. Ze noemden hem Vensterman.

Om twaalf uur en om zes uur bracht de vrouw van beneden hem zijn dagelijkse kost. Op het gelijkvloerse terras, waar de vrouw woonde, stonden enkele palmboompjes in grote potten. Voor de rest was de appartementtoren onbewoond. Achteraan was, beschermd door een hoge betonnen omheining tegen het woestijnzand, een afgesloten ruimte, geplaveid met magentakleurige steen uit de Nizmennost-woestijn. Daar landden wel eens enkele harpijgieren, die zich dan te goed deden aan het lekkers dat de vrouw daar af en toe deponeerde. Links en rechts van Ra’s Qasr stonden nog enkele woonblokken en –torens, telkens gescheiden door een grote zanderige opening waar de woestijnwind vrij spel in had. Ra’s Qasr paalde dus nergens aan.

Op een dag voer de satan in Lizie Verstraete – want zo was de naam van de vrouw, die later bekend zou worden als De Doodmaakster.

Op zeer geregelde tijdstippen ging zij als een spin in haar web postvatten. Zij hield van het gefluit van de woestijnwind om de woontoren. Soms hief zij even het hoofd, alsof zij in contact stond met de halve Vensterman twaalf hoog. Zij hield er ook van de wandelaars of toevallige voorbijgangers op de dijk met haar verrekijker te bekijken. De zoute zee Sabkhat mocht dan geen toeristische trekpleister zijn (de woestijnwinden speelden hier een bepalende rol in), toch kende de streek enige drukte. Elke dag waren er op de dijk wel joggers of dagjesmensen te bespeuren. De verrekijkster op het palmboompjesterras pikte er de mannen uit.

Soms wenkte Lizie Verstraete er eentje.
Soms ging Lizie Verstraete zelf naar de dijk toe.
En dat was nou net het werk van de satan. Aldus ging zij te werk.

‘Jongeheer? Meneer?’
‘ … ?’
‘Mag ik uw hand lezen, jongeheer, meneer?’
‘Eh… ‘
‘Het kost u niks hoor, helemaal niks. Ik geef er u nog een kopje thee bij, ginds, op mijn terras.’
‘Wablief? Nou ja… Gratis, zegt u?‘
(Variant 1: ‘Eh… ja… ‘) (Variant 2: ‘Eh… even maar, hé.’) (Variant 3: ‘Tja…ik… ‘) (Variant 4: ‘Nee!’)
‘U wilt toch weten… ‘
‘Ik geloof daar… ‘
‘Maar zéker dat u daar in gelooft!’
‘Maar… ‘
‘U zult versteld staan. Kom maar even mee. Het is lekker koel op mijn terras.’
(Variant: ‘Het is lekker warm op mijn benedenverdieping.’)

En zij nam zo’n kerel fluks bij de hand en leidde hem gevankelijk mee. De mooie Lizie Verstraete, die bij zulke gelegenheden minstens de helft van haar lichaam blootgaf, had weinig moeite om mannen te strikken.

‘U hebt echt mooie handen. Hebt u ook een naam?’
‘Zegt u maar Pjotr (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared). En u heet… ?’
‘Mooie naam ook. Het zijn vooral jonge handen, Pjotr. Lizie.’
‘Lizie.
Mooie naam.’
‘Hou je van de zee?’
‘O ja.’
‘Hou je van de woestijn?’
‘O ja.’
‘Waarom verwondert me dat niet? Beetje wilde natuur hé? Dacht ik al. Als u een vrouw of minnares hebt, dan mag deze van geluk spreken. Ik zie… Ik zie… ‘

Lizie zag helemaal niks in de stomme handlijnen, stekeblind was ze voor magie, maar vice versa verzopen de ogen van Pjotr tussen de beweeglijke gouden duinen van de waarzegster, terwijl nu eens zijn ene dan eens zijn andere hand gestreeld en gekneed werden. Van thee was geen sprake meer. Weldra belandde zo’n hand tussen de knieën van Lizie Verstraete, de dijen, op de topjes van haar duinen.

‘Wil je niet even mee naar binnen in de koelte?’
‘Ja… ‘ deed Pjotr verloren. (Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared).

De mooie Lizie Verstraete gaf zich dan onmiddellijk en geheel bloot. Nadat zij het mannelijke zaad eruit had geperst en opgeslagen had ergens in haar lichaam, vroeg ze dan:
‘Hebt u de man zien zitten aan het venster op de twaalfde verdieping?’
Soms knikte de uitgetelde kerel bevestigend, soms schudde hij verbaasd van nee, soms antwoordde hij niet door uitputting, want Lizie placht wel eens het onderste uit de kan te halen.
‘Doe me een plezier: trek je kleren weer aan en ga even mee naar boven om mijn man te groeten. Dat zal hij ten zeerste waarderen. De lift is vlakbij.’
‘Je man?! Maar waarom … ’
‘Ja. Hij is verlamd aan de benen en brengt zijn dagen op panoramische hoogte door. Af en toe heeft hij wel behoefte aan een kort gesprekje. Dan breng ik eens iemand mee tot op het twaalfde. Is-ie weer tevreden.’
‘Ah… ‘
‘Vooruit: voor wat, hoort wat!’
‘Oké dan.’

Eenmaal boven maakte de kerel kort kennis met de mindervalide echtgenoot van de waarzegster. In de cederhouten armleuning van zijn rolwagen kerfde die dan met een keukenmes een streepje bij de rest. Terwijl de bezoeker ietwat verbaasd toekeek daarop, nodigde Lizie hem uit om de rolwagen van haar man tot op het achterste balkon te duwen.
‘Dan heeft mijn man eens een zicht over de woestijn. Dat wil hij elke dag wel een keer. Maar dat ding is zo stug te bewegen, hier komen zo weinig bezoekers, ik heb niet genoeg kracht in mijn armen… en voel me uitgeput ook,’ zei ze samenzweerderig, terwijl ze veelbetekenend in de ogen keek van hij waarmee ze daarnet de liefde bedreven had. De bezoeker, onmiddellijk bereid tot deze kleine goede daad, reed het wagentje tot op het balkon, gevolgd door de vrouw, die intussen het keukenmes van haar man overgenomen had.

‘Prachtig… ! ‘ hadden Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter, Jared uitgeroepen.

Daarop plofte Lizie Verstraete hun het mes in de rug, wrikte het er met de hulp van de rechterhand van haar man enkele keren in heen-en-weer en opnieuw uit, en gaf de bezoeker dan een stevige duw, alweer met de hulp van haar man. Het slachtoffer kukelde over de lage balustrade van het balkon en stortte beneden te pletter op de restanten van zijn voorgangers. Het duurde telkens niet lang voor de harpijgieren hun weg naar het magentakleurige achterplaatsje vonden.

‘Zo,’ zei Vensterman dan.
‘Zo,’ zei De Doodmaakster dan.

Zij reed haar echtgenoot terug naar het venster aan de voorkant, waste het mes af en legde het weer binnen zijn handbereik.

‘Nog iets nodig?’
‘Nee schat.’
‘Ik breng je straks wat te eten. Chili con carne, is dat goed?’
‘Dat is goed, schat.’

Toen de verdenkingen tegen Lizie Verstraete zich begonnen op te stapelen, zoals ook de lijken zich op het binnenplaatsje opstapelden, duwde zij op een avond eerst haar man over de balustrade van het achterbalkon en vervolgens sprong zij zelf. Zij landde zacht, maar dodelijk. Zij viel op Pjotr, Charles, Robin, Ferenc, Brahim, Brian, Marc, Edwin, John, Peter en Jared. Of wat daar nog voor doorging. Dit geschiedde op de Dertiende Avond van de Fluitende Woestijnwind. Zo zie je maar: hoe hoger men gaat, hoe lager men valt,’

… besloot Hij Zijn gelijkenis. En allen gingen tevreden heen …

16-02-17

VAN DE KOOK

VAN DE KOOK

 

De dag dat ik Gordon Lawson googelde, rees de zon al vroeg uit haar nachtpan: bakkend, schroeiend, blakerend. Het had al anderhalve maand haaientanden gesausd. In die periode lag ik met een gecompliceerde rechterbeenbreuk thuis, mijn buikvlees ondertussen als een vergiet geperforeerd door dagelijkse injecties. Om de tijd te doden en bij gebrek aan goeie films of docu’s bekeek ik op tv alle kookprogramma’s die ik maar binnengezapt kon krijgen. Misschien leerde ik nog wat bij. Koken zat in de lift. Op de jaarlijkse nationale Boekenbeurs waren de grote mannen (tiens: de vrouwen? Tijdsgebrek?) de koks geweest: duizenden mensen hadden hun boeken gekocht. Literaire auteurs verdwenen erdoor in het niet. Thrillerschrijvers flambeerden wanhopig hun whodunits met recepten, drankzucht of gastronomie. Het leek wel alsof de hele wereld aan de kook was. Koks waren de nieuwe rockstars.

Nu monsterde ik die chef-koks en hun scheikunde op het scherm. Na enkele weken van pollepelkromtaal en overspannen keukendramatiek googelde ik Gordon Lawson: de bekende eenhandige én eenkleurige kok, zoals hij zich noemde. De kerel bestond het per dag maar één kleur aan zijn gerechten te geven, elke dag een andere. Zijn rechterhand was hij kwijtgespeeld na een bloederige keukenruzie in de jaren tachtig in Venezuela. Hij kon zich echter bijzonder goed behelpen. Hij had zelfs een tijdlang nog basket gespeeld met zijn lange lijf en zijn ene goeie poot, voor diverse goede doelen van de Wereldvoedselbank.

Met een kussen in mijn rug en mijn kapotte rechterbeen in witte geneesverpakking voor mij uitgestrekt op een verhoogde voetbank, besurfte ik de webstek van Gordon Lawson. Alleen al door met mijn vinger het touchpad van mijn laptop te beroeren, zweette ik als een das. Vreselijke bijgedachte: druppelde er wel eens kokszweet in gerechten? Om van andere lichaamssappen nog maar te zwijgen. Met mijn domotica-knoppenbakje ritste ik tussendoor ook de linkerhelft van het overgordijn dicht, wegens te fel zonlicht.  

Gordon Lawson had voor vandaag 31 juli 20XX in zijn restaurant ‘De Kokskeerkring’ aan de periferie van Plymouth een purperen dag aangekondigd. Met één hand, uiteraard: zelfs zijn embleem vertoonde zijn handicap. Zijn gasten zouden donkergekleurde borden voorgeschoteld krijgen: paaps paars, rauw rouwend purper, rauwkost, rouwkost…   

Plotseling werd mijn aandacht afgeleid door een hevig gezoem – opstandig en agressief. Een kwade wesp in geel-zwarte voetbalkleuren kroop tegen de daarnet dichtgeritste gordijnhelft op. Instinctmatig greep ik naar mijn bordje met appelcake op, dat mijn vrouw net voor haar vertrek naar haar namiddagshift binnen mijn bereik klaar had gezet. Bedrieglijk traag duikend en zwenkend als een helikoptertje stortte de wesp zich nu op mijn linkerhand. IJlings trok ik die terug; het bordje kletterde op de grond aan scherven. De boze wesp belandde daardoor pardoes op mijn halve voet die het gips nog vrijliet. Ik greep snel naar een van mijn krukken, maar het was al te laat: het beest had zich via de onderkant van mijn grote teen in de gleuf tussen gips en mensenvlees naar binnen gewroet. Een halve seconde later incasseerde ik de pijnlijkste injectie van de afgelopen anderhalve maand. Alles behalve mijn ingegipste been krulde van de pijn. Ik gilde het uit, moederziel alleen, wapperde met mijn handen, probeerde het uiteinde van mijn witte been te bereiken, forceerde en rekte mijn heupen en lendenen, gooide me op mijn rug, vertrok mijn gezicht in een munchschreeuw.

Toen de wesp weer tevoorschijn kwam, plette ik ze in haar zomerse streepjestruitje tussen mijn gezonde linkerhiel en mijn gipsen rechterwreef. De pijn gloeide ondertussen op, op een donkere plek onder aan mijn voet, onbereikbaar. Ik had het gevoel zelf versmacht te worden.

‘De stekels, de haren en de schubben eraf,’ beval Gordon. ‘Vooruit!’
Ik rukte gedwee voornoemd oneetbaars van en uit het lijf. Het was niet anders dan het pellen van een garnaal.
‘Sstt… niet weggooien!’ riep hij, toen hij merkte hoe ik naar de mond van het afvaltonnetje mikte. ‘Dat koken we nu. Daar trekken we een lekkere bouillon van.’
Vervolgens opende hij vakkundig het wespenlijf en peuterde er de darmkanaaltjes en dergelijke uit. Terwijl ik de schubben aan de kook bracht, perste Gordon een rodekool uit. Dat sap werd bij het kookvocht in het pannetje gevoegd. Vlak na het kookpunt gooiden we het wespenlijf erin. De vrolijke geel-zwarte strepen verdwenen onmiddellijk; in de plaats kwam een smakelijk sereen purper.
‘O… en de angel, Gordon?!’ vroeg ik. Het schoot me pas nu te binnen.
‘De angel? Maar die zit in je voet, kerel!’ glimlachte de eenkleurige kok. Hij pakte zijn vildersbijltje en hakte er in twee bewegingen mijn linkervoet mee af.
‘Maar het is mijn rechtervoet!’ schreeuwde ik. ‘Nu kan ik helemaal niet meer… ‘
‘Links smaakt beter!’, riep Gordon gezwind, en hij gooide van op minstens vijf meter afstand mijn linkerpoot – plop! – bij de wesp in de bouillon, die ook al vlug intens purper kleurde. De bekende kok was duidelijk een goed basketspeler geweest.

09-01-17

DOOD

DOOD

 

Na de leegte van de flessen hadden we een grote honger naar een volle maaltijd. We lieten de tuin van de jarige Maureen als een rampgebied achter en reden in colonne naar eethuis Het Vagevuur. We droegen het feestvarken op onze schouders naar binnen en weer naar buiten, want het was mooi weer en we wilden op het terras eten. Er was gereserveerd voor tien personen van het menselijke geslacht. Op dat feest – waarvan verder niets ter zake doet, want ik liet er het leven – zouden we de beroemde kogelvis eten, voorafgegaan door een veilige forel. Een forelgraat deed me de das om. Ik stierf nog voor de gevreesde kogelvis op tafel kwam. Het Vagevuur doofde die dag uit.

Nadat de worggreep van de dood me helemaal te pakken had, dreef ik achterwaarts mijn leven uit. Ik deinsde uit mijn lijf terug en verliet het bestaan op deze aarde. Trillend als een snaar maakte ik de overslag tussen tijd, ruimte en materie en wisselde die in voor het 5-gehalte. (Ik kies hier voor het cijfer 5 als symbool voor iets onbeschrijfelijks). Mijn geluk werd onmiddellijk vermenigvuldigd met honderd. De laatste scènes uit Het Vagevuur bleven nog even vlakbij, maar riepen een feestgevoel op. Ik werd verwelkomd door een grote hoeveelheid 5. Snaargewijs werd ik er zelfs naartoe getrokken, definitief weg uit de vleselijke wereld. Het fameuze licht waarover zoveel geluld werd door teruggekeerden, leek nog het meest op het zonnezwart. Het ontbrak in het wereldse kleurenspectrum, maar nu onderging ik het wel van aan de andere kant, voorbehouden voor niet-mensen.

In een van de eerste 5-slingers wachtte Maria Morfine me op. Een serpentine a-materie leek me naar haar toe te zuigen.
‘Amsterdaman’, groette MM. ‘Men was mens.’
‘Mijn lievelingsnaam’, mompelde ik. ‘Wat deugd.’
‘Zwemt Met De Zalm.’
‘Die ook. Zalf. Ziel goed.’
‘Of Gedroogd Vlees.’
‘Evenzeer. Vleit. Harttik.’
‘Hier ben ik voor. Ontvang.’
Maria Morfine splinterde in talloze partikeltjes.
‘Word getroffen door alle feesten.’
Zacht sissende geurvlagjes namen bezit van me, terwijl ik spreidde en happend lachend hikkend de flinters ontving. Mijn 5 werd een parabolisch vierkant waarvan de opspanning nog veel meer heerlijks beloofde.
‘Vlie dan’, vertolkte Maria Morfine. ‘De Zeusen zijn er. Ook de Schaduwwakers. Elke on-man daar en hier. Elke niet-vrouw hier en daar. Is-was. Was-is.’
Mijn begrip werd hoger; mijn 5 intenser. Mezelf kon ik niet voelen, maar nog nooit (ooit? nu? nimmer?) had ik me zo gevoeld. Mijn parabolische vierkant knapte aangenaam. Ik zweefde, daalde, steeg, viel en struikelde prettig een eeuwige tel tot ik met kosmiet geladen (of was het watheid? veelektriciteit? maanroes?) opduikelde tot bij Maria Morfine.
‘Maria Morfine, u weer’, groette ik.
Ze verstraalde in een flukse deining.
‘Niet ik’, zei ze. ‘Maria Morfine is-was, was-is.’
‘Hoe dan aan wie mijn watheid besteed?’
‘Niet-vrouw Simon Sevensegel wijst.’
‘U?’
‘Jezebel Ocharmen. Een schuilnaam. Scheldnaam. Ik ben een kant van Maria Morfine. U ziet: onvolmaaktheid is perfect. Vond me. Ga dan.’
Stuiterend belandde ik alweer geboren in de donkerloze zone van Simon Sevensegel, de passantenduider.
‘U wijst waar mijn watheid?’
‘Is het kosmiet?’ vroeg SS.
‘Roes en veel.’
‘Duik, plons. O… uw naam?’
‘Amstelzalm’.
‘Heel goed. Niets zelf. Een aanwinst.’
Nu deinde ik terloops maar voorgoed het 5-staketsel tegemoet. Nimmer bestond er een gelukkiger niet-mens.

Het scheelde niet veel of er stikten er enkelen van het lachen op mijn crematie. Een visgraat!  

Tijdens mijn rouwmaaltijd (de nabestaanden en genodigden kregen rauwkost) vertelde een bevriend verpleger dat verstikking bij een maaltijd een frequente doodsoorzaak betekende. Wekelijks werden er dergelijke gevallen op de Spoedeisende Hulp bij hem binnengebracht.

Het kon me echter allemaal niet meer schelen. 

24-12-16

OGEN GESPERD DICHT

OGEN GESPERD DICHT          

(A Candid Story)

 

Iedereen in de familie had van die grote, droevige ogen. Vooral in december, dat onderdak voor de donkerste weken. Het waren ogen die veel gezien hadden. Het waren ogen die daardoor ook spraken: ‘Ik neem niet langer deel aan het woeden van de wereld. Ik wens alleen nog te observeren.’  Daarom vielen ze zo op in december. Die ogen behoorden toe aan mensen die bovenal keken, zagen en nimmer veel zeiden. Ze spraken met hun ogen. Ze oordeelden met hun ogen. Zelden deden ze uitspraken. Hun ogen spraken boekdelen.

< De hoeveelheid regen waarvan een mens kan genieten, is beperkt. Kom binnen > zeiden die ogen.

< ‘Moeten’ is een rare vogel > zeiden die ogen.

< Van uw bagatel maak ik een hoofdzaak > zeiden die ogen.

(En ze dachten erbij: < Hoofddrol >)

< Ik zag u in verdachte omstandigheden > zei het ene oog. < Maar dat ‘ik’ schiet over en die omstandigheden zijn er niet meer > vervolgde het andere oog.

Het leek erop alsof iedereen in de familie vergevingsgezind was. Zwijgen betekende immers toestemmen. Maar neen. Niets was minder waar. Deze ogen, deze grote droevige ogen, van generatie op generatie overgeleverd, oordeelden stilzwijgend. Zij keurden, keurden af en keurden goed. Deze ogen keken door lichamen heen. Door andere ogen.

Het moest er van komen. Iemand uit de familie werd oogarts. Bijgevolg kreeg iedereen in de familie een bril op de neusbrug gepoot. Men ging eensgezind fokken. Deze oogarts, een verblindend mooie vrouw (het oog wil ook wat), schreef iedereen een bril voor. De laatste honderd jaar werden er namelijk te veel depressies en zelfdodingen genoteerd in de familie. Brillen konden dit verhelpen. Ogenschijnlijk veranderde er dus veel in de familie, omdat bijna iedereen nu een bril droeg. Toch bleven goedertierenheid en erbarmen opglanzen in de ogen en de hulpogen van de vele foureyes. Men zag er enerzijds wat slimmer, anderzijds wat begripvoller, somtijds wat welwillender uit. Men had ook niet langer ogen in de rug nodig.

Wat doet een bril eigenlijk? Nou: een bril – net als een microscoop – vergroot een probleem. Daardoor kan je het beter zien. Een onzichtbaar monster is erg; een zichtbaar monster is minder erg. Het oogcontact met de wereld doet zich daardoor op andere manieren voor.

En zie: in een verre zijvertakking van de familie werd nog een tweede geval gesignaleerd. Iemand begon lenzen te collectioneren. Hij was gevallen voor het besef: ‘Lenzen kunnen de wereld veranderen.’
(Wat betekent inderdaad een Arts Zonder Lenzen?)
Telescopen, microscopen, verrekijkers, brillen, vergrootglazen… niets ontsnapte aan zijn verzamelwoede. Geslepen als deze lenzenverzamelaar was, onderhield hij nauw contact met de oogarts. Aanvankelijk hielden ze elkaar scherp in de gaten. Gemeenschappelijke interesse en nieuwsgierigheid mondden uit in liefde en begrip. (Het oog wou weer wat). De familiebanden bleken ver genoeg uiteen te liggen om met elkaar te kunnen trouwen, na ampel forensisch onderzoek van de wederzijdse gevoelens. De oogarts en de lenzenverzamelaar ontdeden zich van hun eerste huwelijk (hun respectieve brillen, lenzen hadden hun ook de ogen geopend) en gingen gezamenlijk in een tweede bootje schommelen.

En zie: hun werd een zoon geboren. Ze noemden hem Lance. Toen die, zoals de meeste volwassenen, de volle 23 % van zijn hersenen ging benutten, koos hij resoluut voor het beroep van cameraman. Hij kreeg zijn opleiding in de hoofdstad. Omdat het een fysiek zwaar beroep is, vond hij vlug werk. Goede cameramannen waren dun gezaaid. Hij kon aan de slag bij de commerciële televisiezender TBC4U. Weldra belandde Lance bij een programma dat met verborgen camera’s mensen voor schut zette: CAKE JE?

Een opdracht omstreeks de jaarwende zou de jonge cameraman fataal worden. De grote, droevige ogen in de familie werden daardoor nog groter en droeviger. Vooral in december.

Het zat zo. Bijna elke dag grepen er vechtpartijen plaats op de immense parkeerterreinen van het megawarenhuis MEDIOPRIMEDIA. Ook aan de speciale bushaltes was het telkens weer hommeles. MEDIOPRIMEDIA stond bekend voor zijn dumpprijzen voor televisies, camera’s, computers, dvd-spelers, enz… Het gigapand lokte elke dag weer duizenden gegadigden. Maar veel van die mediatoeristen, reeds opgejut door de gedachte aan hun uitgestelde kredieten, uitgeput door het gesjouw met de grote kartonnen dozen, raakten er slaags met elkaar in verband met parkeerplaatsen en buszitjes. Er werden oorlogjes uitgevochten om toch maar de beste plaatsen te verwerven teneinde de goederen vlot aan te kunnen slepen. Niet zelden sneuvelden een televisie of een pc in de strijd.

Reality-tv was in. Ook de zender TBC4U wou van die koek mee snoepen. In samenspraak met en natuurlijk dik gesponsord door MEDIOPRIMEDIA werd besloten tot een candid camera programma, getiteld CAKE JE? De kartonnen-dozentoeristen zouden stiekem gefilmd worden, een of twee undercover tv-collaborateurs zouden er een schep bovenop doen en later zouden sommige slachtoffers daar dan op tv geconfronteerd mee worden.
‘CAKE-cijfers gegarandeerd,’ grinnikte de redacteur.
Zo gezegd, zo gefilmd. Lance voelde zich als een vis in het water. Een week lang opereerden hij en zijn ploeg undercover op de parkeerterreinen en aan de bushaltes. Vrouwen die heftig wuivend de beste plekjes voor de auto van hun man probeerden te reserveren, werden zowat omvergereden door andere auto’s van concurrerende mannen of vrouwen. Kinderen zaten huilend op grote kartonnen dozen. Pubers vormden falanxen met winkelwagentjes. Kroostrijke gezinnen en alleenstaanden voerden een duw- en trekoorlog met hun dozen, waaruit vaak een dof kerstgerinkel van scherven opsteeg. Aan de twee speciale bushaltes was de toestand nog erger. Daar bevonden zich de echte frontlinies. Van normale filevorming was hier geen sprake. Eerder van een openluchtkraam met botsmensen. Op gevaar van eigen doos bestormden vele mediatoeristen keer op keer de aanhobbelende bus. Velen raakten er niet op. Vaak reden de bussen weer weg met gedeukte kartonnen verpakkingen tussen hun sissende in- en uitdeuren geklemd, terwijl binnenin een grote hoeveelheid mens-en-doos als haringen in een ton vervoerd werd en in elke bocht dooreen gehutseld werd.

De verborgen camera’s en de camera van Lance verorberden dit alles gretig. Na een paar weken werden de opnames beëindigd, ingeblikt, gemonteerd en gereed gemaakt voor uitzending. Vijf weken lang zouden de kijkers van TBC4U smullen van onvervalste reality, met studiogasten. Wie zich op een van de filmpjes herkende, mocht bellen en werd een week later live in de studio ten tonele gevoerd. Prijzen verzekerd, uiteraard. Misschien een tweede tv! En lachen geblazen!

Dat was echter buiten het dozenvolk gerekend.

Zij die van het megawarenhuis MEDIOPRIMEDIA heelhuids met hun lijf en doos thuis geraakt waren, hun televisie uitpakten en het ding opstartten, wreven zich op zaterdagavond prime time de ogen uit bij het zien van de beelden. Op hun met uitgesteld krediet gekocht scherm speelde zich hun belachelijke kartonnen oorlogje af, waarin zij de hoofdpersonages bleken te zijn. Het schaamrood steeg hun naar de schermen. Het brak hun zuur op. Met open mond en ogen vol afgrijzen staarden ze hun eigen reality aan.

En zie: door een of andere geheimzinnige cement vonden de mediatoeristen elkaar, na de tweede uitzending. De maat was vol. Ze sms’ten, belden, mailden. Hun in MEDIOPRIMEDIA aangekochte gsm-toestellen gloeiden rood op. ‘CAKE JE?’ werd enkele dagen lang hét codewoord. Ze voelden zich gezamenlijk in hun kruis gepakt, door het alziend oog van hun eigen heilige koe: de teevee.

Enkele dvd-toeristen zouden er werk van maken. Ze zouden het er niet bij laten. Ze contacteerden het warenhuis en de televisiezender. Die zonden de delegatie van het kastje naar de muur. Maar de gedupeerden hielden vol en beten zich vast. Iemand moest boeten.

Nog anderhalve week later visten de reddingsdiensten een grote dichtgesnoerde kartonnen doos uit de Schelde op, ter hoogte van de parkeerterreinen van het gigawarenhuis MEDIOPRIMEDIA. Er stak een aan handen en voeten gebonden cameraman in. Zijn ogen waren met zwarte tape afgeplakt. Het was een krachtig statement.

Hij had van een bagatel een hoofdzaak gemaakt.

Hij nam niet langer deel aan het woeden van de wereld.

CAKE JE? werd prompt afgevoerd, en een krant blokletterde ‘BLINDE WOEDE’.

20-11-16

GROTE KUIS

GROTE KUIS

 

Nathalie Portugal snoot luidruchtig haar neus. Dat gebeurde zo hard dat de reiger die buiten op het tuinmuurtje begerig naar het vijvertje zat te staren, geschrokken het zwerk weer in zeilde. Daarbij dropte hij een schrikkwak op de kop van de kabouter in de belendende tuin. Nathalie Portugal scoorde van op vijf meter afstand met het snotpropje een driepunter in de papiermand. Daar was ze bijzonder tevreden over, want ze was bijgelovig.

NicoTine schudde op hetzelfde ogenblik heur kruidnagelkleurige haren hevig door elkaar, om die vlak daarna nog heviger te kammen, tot haar hoofdhuid echt pijn deed, eerst met diep gebogen hoofd, daarna omgekeerd. Ze geloofde dat ook haren eerst wakker moeten worden vooraleer ze kunnen functioneren, net zoals een voet die slaapt evenmin zijn functie kan vervullen.

Nathalie Portugal was de buurvrouw van taaldokter Otto Sananas, die met de stenen tuinkabouter de enige bewoner was van het pand met gebouwde en ongebouwde aanhorigheden.

NicoTine kwam tot tweemaal toe ‘s weeks met de bus van gene zijde van de stad om bij dokter O.S. schoon te maken. Ook kookte NicoTine op diezelfde dagen voor Otto. Eerst schuimde ze koopwoedend de algemene voedingswinkels af op zoek naar allerlei heerlijk eetbaarsch, daarna bewoog ze zich kookwoedend tusschen de fornuizen en de ovens in de keuken des taaldokters. Haar noenmalen mochten er zijn; de dokter was er vol lof over. Hij vierde uitbundig zowel het kleinste spruitje als de grootste cake door altijd alles grondig te vermalen en door te slikken, washed down met exquisiete rode wijnen waarmede hij met de regelmaat van een verslaafde boeddha gelijk zijn kiezen omspoelde.

Nathalie Portugal hield dit alles immer nauwgezet in de gaten. Zij deelde op haar beurt een belangrijke plek met taaldokter Sananas: zijn bedstee, met name. Hoe hard NicoTine ook schuurde, schrobde, kookte of bakte: deze liefde bleef enkel en alleen door de maag gaan. Het was immers Nathalie Portugal die vaak tot tweemaal toe per week gepenetreerd werd.

(Met excuus voor deze gekloofde zin – ook volgens taaldokter Otto Sananas is zo’n zin soms noodzakelijk, omwille van de klemtoon)

De taaldokter verrichtte zowel visites als consultaties. Daarom was zijn woning vaak onrein. Niet alleen van taal, maar ook van stof, modder en ander vreemd voetzoolvuil. Taaldokter Otto Sananas behandelde professioneel afwijkingen zoals daar zijn tantebetjestijl, contaminaties, verbalisme, foutieve syllogismen, hoogdravendheid, verkeerde woordvolgordes, spellingbokken, slechte beeldspraak, overladen zinnen, adjectiviteit, tusschentaal, fouten aangaande Hoofdlettergebruik, schuinsmarcherende betrekkelijke voornaamwoorden, valse klemtonen, populistische oneliners, de kwaal van de lachmerries (verplicht te aanhoren moppen), bekakte taal, punten na titels, witte vlekken in voornaamwoordelijke bijwoorden en kommakoorts bij uitbreidende en beperkende bijvoeglijke bijzinnen. Intussen poetste NicoTine zowat door zijn ramen heen en molk Nathalie Portugal hem elke week te gronde. Ook dat betrof grote kuis.

Mocht de stenen tuinkabouter over de gave van de taal beschikken, dan zou hij

° wis en zeker behoorlijke Algemene Taal hanteren;

° in niet mis te verstane bewoordingen de stiekeme relatie tussen Otto Sananas en Nathalie Portugal in diezelfde AT uit de doeken doen (hij keek al zolang naar die schutting...)

Nathalie Portugal snoot dus haar neus en NicoTine schudde dus heur haren. Voor een van hun beiden zou het de laatste dag op deze aarde worden.

Die ochtend ontving taaldokter Otto Sananas tot 10 ure een vijftal patiënten: een vrouw die raad kwam vragen over het opstellen ener brief aan de gasmaatschappij, een politicus die een toespraak kwam kopen, twee mannen die de avond ervoor aan de toog een weddenschap hadden aangegaan betreff. de schrijfwijze van het woord faliekant, een dyslecticus voor zijn wekelijksch oefenkwartiertje. NicoTine gaf intusschen de keuken een grondige beurt terwijl ze gelijk coq-au-vin toebereidde met eigenhandig geschilde frietjes. Wat ze niet vermoedde: boven was Nathalie Portugal met schele hoofdpijn in de sponde van Otto blijven liggen. Ze kon het helle daglicht niet aan, verklaarde ze. De dokter had geknikt dat het oké was om ter plekke wat uit te blijven zieken. Pas toen NicoTine omstreeks het derde voormiddaguur de kokhalzende geluiden hoorde die gepaard gaan met het zg. ‘overgeven’, snelde ze, gewapend met een zwabber, de trappen op. Het was intusschen al over tienen; de dokter was zijns weegs gegaan teneinde zijn dagelijksche taalronde te ondernemen.
Ze trof er een halfnaakte, brakende bijslaap aan, half uit de slaapstee des dokters hangend boven een teil die de vorm had van een grote lever en blauwachtig was als wintermelk. Woede jegens deze bevoorrechte buurvrouw welde eensklaps bruischend in haar op; gramstorigheid nam ras bezit van haar.

Toen Nathalie P. zich weder oprichtte, propte NicoTine terstond de zwabber in de geopende mondklep van de overspelige! Dit deed zij zolang, tot de ongelukkige rochelend nederzeeg en stikte in braaksel, vuil en zwabberlappen. NicoTine bleef doordouwen, zoals zij het gewend was met aandrang borstels in wc-potten te proppen. Toen Nathalie Portugal de geest had gegeven, ademde NicoTine diep in. Haar hart bonsde als een klok in haar borst. Toch golfde er een ola van genoegdoening over haar ruggengraat.

De taalarts zou zeker niet voor de middag opdagen. Hij was immers verslaafd aan de porto van diverse herbergen in de stad. Van deze tijd maakte NicoTine gebruik om de heengegane buurvrouw naar de kelder te slepen (eigenlijk duwde ze de stoffelijke resten gewoon van de trappen), haar met de grote keukenjaap vakkundig in bloederige hompen te verkavelen en deze onder te brengen in diversche diepvrieschcompartimenten. De niet-lichamelijke onderdelen (zoals daar zijn: kleren, juwelen) begroef ze in de omgeving van de tuinkabouter. Na gedane zaken zwabberde NicoTine het hele huis ondersteboven, tot het weder geheel zuiver was. Ze kuischte tevens de keukenjaap grondig af. Daarna stak zij tevreden een cigarette op.

De taalgeneesheer stond schaakmat. Hij kon niemand interpelleren omtrent de verdwijning van zijn belendende minnares. Zijn naam en zijn praktijk stonden op het spel. Hij diende zelfs uit te kijken voor verdachtmakingen die zijn kant uit konden gaan. Voor NicoTine begon zich een mooiere toekomst af te tekenen. Reeds droomde zij zich een verdieping hoger ten huize Sananas. Om de dokter alvast wat te troosten, bereidde zij hem de daaropvolgende weken enkele adembenemende stoofpotjes toe.

Mocht de tuinkabouter echter over de gave van de taal beschikken…  

08-10-16

DE RODE FONTEIN

DE RODE FONTEIN

(BLOEDDORST) 

                                      Isten, áld meg a magyart (God, zegen de Hongaren)

01

Boedapest zinderde in de zon. De stad woedde in volle hevigheid. Het was in het holst van augustus. Mensen kwamen terug en mensen vertrokken. Wie aan de slag bleef, deed dat vrijwel naakt. Dat lokte noch protest noch begeren uit. Fonteinen vormden de epicentra van concentrische mensen- en huisdierencirkels. Ook de zitbankjes tegen de gevels van de huizen in de schaduw zaten eivol.

Op het muurtje rond een van die fonteinen zat Solferino Espa. Hij was op weg naar zijn werk even aan het verpozen bij deze bron van verkwikking. De hitte was te drukkend om een sigaretje te rollen. Straks misschien nog even, in de koelte van de lounge in Magenta – de enige plaats in het restaurant waar gerookt mocht worden – , vooraleer de helse keuken in te duiken. Solferino Espa keek naar niets en naar alles. Een inktzwarte man met kroeskrulletjes stapte uit een paarse auto. Een blanke wandelaar met grijze haren werd opgeschrikt door een fladderende duif vlak boven zijn hoofd. Hij wou die wegmeppen, maar struikelde daardoor over een bordes. Hij viel languit op de grond, krabbelde verrassend kwiek weer overeind en stapte door alsof er niks gebeurd was, nagestaard door honderden ogen in vooral geamuseerd lachende gezichten. Een vrouw dronk met getuite lippen uit een frambozenrode pul vruchtensap en gaf die dan aan een kind door.

Solferino Espa registreerde dit alles gedachteloos, terwijl de bloedgeur van de keuken in Magenta langzaam bezit nam van zijn neus. Het werd dus tijd om op te stappen. Hij liep een stuk van de immer drukke Váci utca af en dook enkele rustiger zijstraten in. In de oude Burchtwijk (waar hij zich zoals gewoonlijk een weg diende te banen tussen groepjes Japanners) sloeg hij de Óbuda utca in. Waar de straat een halfronde uitstulping vertoonde die het Andrassypleintje heette, lag restaurant Magenta: drie sterren, art nouveau, magentarode voorgevel met toefjes aquarel oker, twee eetverdiepingen, traditionele Hongaarse keuken. Magenta opende elke dag om 11 uur 30. Van klokslag 12 uur af werden gerechten geserveerd. Solferino Espa was er een van de vier koks. Voor dezelfde hete vuren stonden ook nog Timi, Béla en Ferenc. Ze werkten redelijk goed samen, onder het motto: ‘There is no I in TEAM’. Toch was Solferino Espa de kampioen van de vissoepen en Timi het genie van de patisserie.

Onkruid bestaat niet. Onkruid is kruid dat op het verkeerde tijdstip op de verkeerde plaats groeit. In de doolhof van aanhorigheden aan de achterkant van restaurant Magenta bevond zich een verborgen moestuintje.

Een groene barbaar zou hier alleen maar onkruid aantreffen.

Een snuggere Magyaar had hier op dit geheime plekje een hoog gehalte aan kruidigheid veroorzaakt.

Het Magentatuintje was de goede plaats om op de goede momenten brollèrt te kweken.


[  Brollèrt: rodekoolkleurige bloemloze plant met tweevoudig geveerde, diepgezaagde bladeren, telkens vijf per stengel. De vier seizoenen rond mogelijke teelt in binnen- en buitencultuur. Bevat 0,03 % orobanche, 0,01 % arsenicum en 0,01 % cicuta maculata ofte gevlekte musquashroot. Intens neteleffect bij aanraking, alleen in ochtendzon tot en met 12 uur. Orobanche (ofte bremraap) was eigenlijk een parasiterende, bladloze en kruidachtige bloemenplant (de bloemen waren bleekgeel met paarse of blauwe rand) die voor het laatst opdook in 1928 in Apeldoorn. Intussen verdwenen uit België en Nederland. Vreemd genoeg bevindt de substantie orobanche zich nu in brollèrt, een zeldzame Midden-Europese cultplant met vele mogelijke toepassingen. Ook de aanwezigheid van een minieme hoeveelheid musquashroot (waterscheerling) is onverklaarbaar. De teelt van brollèrt is verboden, want de combinatie van orobanche, arsenicum en cicuta maculata zou in deze verhouding licht verslavend en ‘bewustzijnsverruimend’ werken. Vakkundig bereid en goed gebruikt sorteert brollèrt wel degelijk een speciaal effect, maar het blijft oppassen geblazen met de verhoudingen. Daardoor wordt brollèrt vaak vergeleken met de kogelvis (waarvan de werkzame stof in de ingewanden vijfentwintig keer sterker is dan het indiaanse
pijlpuntgif curare): een delicatesse in sommige Japanse restaurants, maar dodelijk indien onachtzaam gedissecteerd, bereid en verorberd.

Over brollèrt doet ook een stadslegende de ronde. Wie zich netelt aan een blad van de brollèrt (en dat prikt behoorlijk vinnig), voelt helemaal niks meer onmiddellijk nadat hij op het betreffende blad van de plant grof zeezout heeft gestrooid. Niet op de hand dus!  ]

Zoals de buitenlanders (die vaak aan zeeën woonden) naar Hongarije afzakten (een land dat niet aan zeeën grensde en alleen het Balatonmeer als grote binnenplas had, het grootste zoetwatermeer van Europa) om er helende waterkuren te doen, zo kwamen de Hongaren van elders in het land naar restaurant Magenta in hoofdstad Boedapest om er van eenkleurige brollèrtgerechten te genieten. (Straks meer over die eenkleurigheid). D.w.z.: gerechten waarin brollèrt was verwerkt. Het effect daarvan werd omschreven als een combinatie van euforie, luciditeit, welbevinden en vredigheid.

De Hongaarse overheid (in dit geval vooral de commissarissen van politie, lang na de val van het communisme nog steeds gevreesde instanties) liet dit alles oogluikend toe. In het Hongaars vertaald: elk jaar betaalde de manager van Magenta, mevrouw Kossuth Dorottya (in Hongarije vermeldt men eerst de achternaam), een fikse brollèrtbelasting aan het Voedselagentschap én aan het Gulyás Genootschap teneinde dat publiek-geheime maar toch stiekeme monopolie te kunnen behouden en van het verborgen Magentamoestuintje een gedoogzone te maken. ‘Economische’ argumenten gaven hierbij dus de doorslag. 

Alleen Solferino Espa kende de geheime verhoudingen in verband met brollèrtgerechten. Dat was erg belangrijk, niet alleen voor de smaak, maar ook in verband met leven of dood van de klanten. Zo kon bijvoorbeeld alleen hij de brollèrtspa aanmaken, een ogenschijnlijk gewoon glas water met muntachtige smaak. Brollèrtbier, brollèrtthee, brollèrtpasta, brollèrtvissoep, brollèrtgebak, brollèrtgulyás… : Solferino was er de kampioen van, vooral van de vele vissoepen, en hij verklapte zijn drie kokskompanen net voldoende van zijn geheimen, zodat er inderdaad ‘geen I in TEAM stond’.

Ook het moestuintje werd angstvallig afgeschermd en verborgen gehouden voor de buitenwereld. Brollèrt was alleen als begrip bekend; nimmer hadden niet-ingewijden de plant in het echt aanschouwd. Wel sierden afbeeldingen van de plant hier en daar het interieur van restaurant Magenta.

Solferino Espa haatte hartgrondig groen en alles wat groen was. In de eerste plaats haatte hij de groene kleur, pas daarna de zaken en voorwerpen die groen waren.

Hij had nare dromen over zo’n werkelijkheid.

Groene paprika.

De natuur op het Hongaarse platteland zovele jaren na Tsjernobil. (Zowel ornitologen – die vroeger Hongarije als een paradijs ter zake beschouwden – als groene jongens constateerden echter een eerder permanent bruine tint in struiken en bomen; er was ongetwijfeld wat aan de hand hiermee).

De groene baan in de Hongaarse vlag.

Het groen van vele Škoda’s.

De lelijke vanzelfsprekendheid en overbodigheid van alles wat groen was, kortom.

Zelfs de brollèrt in het geheime moestuintje – gedoogd door de overheid – had geen groene bladeren. Nee: rodekoolkleurig was dat fameuze kruid waar men van heinde en verre voor kwam.

Solferino Espa was dé Eenkleurige Kok bij uitstek in Boedapest, Hongarije. Magenta stond bekend voor zijn eenkleurige gerechten – per dag één kleur, uitgezonderd groen. Dan was alles die dag echt wel in een en dezelfde kleur: voorgerechten, hoofdschotels, toetjes. Alle gangen. Het licht stond enkel toe dat alleen de wijnen (de wereldbekende Tokaj, Egri Bikavér, Grijze Monnik en Stierenbloed) en de waters hun vanzelfsprekende kleur bleven behouden. In al die schotels en gangen verwerkte Solferino brollèrt, waar hij via mevrouw de manager het alleenrecht op had. Tijdens bepaalde fases van de eenkleurige bereidingen zonderde Solferino zich dan ook geheel alleen even af, in een daartoe voorzien apart keukentje. Hij varieerde ook de eenkleurige gerechten onvoorspelbaar. Zo kon men bijvoorbeeld op zondag oranje eten en op donderdag scharlakenrood, maar net zo goed veranderde dat totaal de week daarna. Dan konden berlijnsblauw of onderwatergrijs op het menu staan. De klant bleef wel koning: dagelijks kon hij kiezen uit diverse gerechten, maar met de kleur van de dag moest hij wel zonder meer akkoord gaan. Die kleur werd pas telkens twee dagen op voorhand bekend gemaakt. Vele kleuren waren mogelijk, het palet van Solferino Espa was indrukwekkend, maar voor groen en varianten van groen moest je ergens anders reserveren.

De combinatie eenkleurigheid – brollèrt vormde hét recept voor het succes van restaurant Magenta op het halfronde Andrassypleintje in Boedapest.   

Hoe men in Magenta tot die keuze gekomen was?

Hoe men de brollèrt op een bepaald moment (her)ontdekte?

Wat de rol van Solferino Espa daarin was?

Misschien had hij het van oudsher thuis gezien en geleerd, op het Hongaarse platteland.

Misschien had hij inspiratie opgedaan toen hij wereldreizend twee jaar lang in San Domingo rondzwierf en uiteindelijk in de hoofdstad aldaar bliksemsnel van keukenhulpje tot kok promoveerde – een oertalent.

Hoe dan ook: het plakboek dat hij na zijn wereldreis en terug in Boedapest mevrouw Kossuth Dorottya, manager van het toen slabakkende restaurant Magenta, als curriculum vitae voorlegde, bleek gensters te slaan. Het idee oogde bijzonder fraai en was origineel. De brollèrt – waarvan de oorsprong strikt geheim bleef, mevrouw Kossuth Dorottya wist er wel het fijne van – ‘kleurde’ alles nog eens extra, en onzichtbaar voor het blote oog. Voorwaar: de tong, het hart en de hersenen kregen een fijne beurt in Magenta.

Al vlug stond Magenta op de libertijnse fijnproeverskaart. Men ontdekte dit oord van de goede kleursmaak in de jaren negentig – de jaren van de opstoot der Hongaren in de vaart der Westerse volken, na ettelijke moeilijke decennia. Ook Michelin en Gault et Millau kenden de weg al. De forinten schoven vlot over de toonbank. Solferino Espa, Timi, Béla en Ferenc verdienden er goed hun brood.

Het ging Magenta na een tijd zo voor de wind dat mevrouw de manager Kossuth Dorottya anno 2013 besloot dat er in het halfrond van het Andrassypleintje, in het kleine parkje vlak voor het restaurant, een rode fontein moest komen, op kosten van restaurant Magenta. D.w.z. : een fontein die magentarood water ejaculeerde. Krek dezelfde kleur als de gevel van het restaurant. De watertoelevering kon geen probleem vormen, want op dat vlak was Magenta letterlijk zelfbedruipend middels een bronnetje dat er in de tuin opwelde. Dat bevloeide reeds het geheime brollèrtperkje – een nieuwe ondergrondse leiding was een koud kunstje. Kossuth Dorottya beschouwde dit als een gebaar van dankbaarheid van harentwege ten opzichte van de overheid die haar brollèrtmoestuintje gedoogde. Viszlater Janosch, een van de stadsarchitecten van het Burchtkwartier, kreeg de professionele supervisie over de magentafontein. In drie weken tijd was de klus geklaard, met de nodige hinder voor het verkeer. Ook moest een openbare buste van Franz Liszt (een van de vele in Boedapest) sneuvelen. Bij de plechtige opening van de ‘rode fontein’ werden uitsluitend donkerrode dranken geschonken; in Magenta zelf werd die avond duur donkerblauw gegeten.

Solferino Espa besloot nog even op een van de leverkleurige marmeren blokken bij de rode fontein te gaan zitten. Ondanks de hitte rolde hij dan toch maar nog een haastsigaretje. Donkerrood welde het water op, lichter rood waaierde het daarna boogvormig weer uiteen, versplinterd door het helle zonlicht.
‘Misschien,’ dacht hij, ‘komt al het bloed van alle abattoirs in Boedapest hier in een vergaarbak samen en recycleert men het ononderbroken als fonteinvloeistof, elke dag aangevuld met vers bloed.’

Hij stond weer op en naderde de fontein om met zijn vrije hand wat druppels op te vangen. Eenkleurige Kok Solferino Espa, gestuurd door beroepsautomatisme, proefde even van het fonteinwater. Hij hief zijn hoofd wat om diep na te kunnen denken over de smaak van dit water. Dan schudde hij ongelovig het hoofd. Had iemand het hem toen gevraagd, dan zou hij geantwoord hebben: ’60 % water, 40 % dierenbloed.’

Hij ging weer zitten, zoog grondig aan zijn sigaret, inhaleerde diep en bekeek ietwat verbijsterd de rode fontein.

 

02

 

‘De nanoen stinkt als een viskop.’

Deze versregel van de dichter Csoóri Sándor spookte door het hoofd van de werkloze contrabassiste Hunyady Judit-Emese uit Transylvanië, sedert anderhalf jaar in Boedapest neergestreken. Ze liep de Tigris utca af, richting Attila út, een grote verticale hutkoffer op wieltjes achter zich aan zeulend. Verscheidene taxichauffeurs hadden al uitnodigend geclaxonneerd (een ervan beschikte over het trompgeluid van een olifant, de hele straat schrok zich een bult), maar telkens had Judit-Emese nee geschud of een wegwuivend handgebaar gemaakt. Toch zweette ze al zichtbaar. In de hutkoffer bevond zich namelijk haar mariablauwe contrabas, dik ingepakt in watten en ettelijke proppen krantenpapier. Ze was er zo angstvallig zuinig op, dat ze de voorkeur gaf aan deze vorm van verplaatsing dan dat ze haar instrument, zelfs stevig verpakt, door vreemde handen wou laten gaan. Een taxi was in dat verband compleet onbetrouwbaar; de chauffeurs raasden als gekken door Boedapest. Rond elke bobbel of oneffenheid beschreef ze een omtrekkend beweginkje, zodat ze de andere voetgangers voortdurend hinderde. Maar het ding was zo groot (net iets groter dan haarzelf) dat niemand het in zijn hoofd kon halen ertegenaan te botsen.  

Het duurde ettelijke minuten voor Judit-Emese met haar gevaarte de Attila út overgestoken had en de straten rond het Burchtkwartier in kon duiken. Bij het Škodawieldoppenmonument van de Slowaakse kunstenaar Michal Meciar hield ze even halt. Haar aandacht werd namelijk getrokken door het woord bassist: een jonge kerel (het tsiganetype) stond er op een muurtje voor te lezen uit een dichtbundel van de Hongaarse schrijver Juhász Ferenc. Even bleef ze luisteren, tussen een tiental toeschouwers.

‘De dwaas die voetbal speelde met het maanoog van de nacht/
De zigeuner die zijn dromen in een zoen zag open bloeien/
Van strijkstok en viool de diamant aan zijn wang deed gloeien/
Hij die de zwoele bloem van leed bedolf in de kelders van zijn huis/
En de bassist genageld op de contrabas als Christus aan zijn kruis’

Judit-Emese keek naar de dichter en naar de lucht die boven diens hoofd gedrapeerd stond. Ze hoorde het zomerse gezoem en gedreun van de dichte en de verre stad. In een opwelling weekte ze zich los uit de groep omstanders, ontmantelde haar helblauwe contrabas en pootte die op de grond neer. De toeschouwers keken nieuwsgierig en bewonderend toe. De kleur van het instrument ontlokte kreetjes van verbazing. Even wachtte Judit-Emese, terwijl de dichter – aldoor citerend – haar verrast glimlachend toeknikte. Toen begon ze de snaren te plukken en te aaien, zich schikkend naar het metrum en het ritme van de verzen. De zon kleurde haar contrabas tot het allerblauwste voorwerp in de omgeving van het wieldoppenkunstwerk.

Aan de rode fontein werd Solferino’s aandacht plotseling gecapteerd door een ver en toch nabij klagend geluid. Het bereikte zijn rechteroor, haaks op het zachte geklater van het rode water. Hij stond op, snoof diep in en liep dan, neus omhoog, immer snuivend naar het nabijgelegen Szondystraatje. Dat mondde uit op een pleintje met een moestuintje middenin, waar die gekke wieldoppenassemblage stond. Even daarachter, nog een stuk straat verder, raasde en flitste het grote drukke verkeer over de brede boulevard voorbij. Halfweg het Szondystraatje ontwaarde Solferino Espa, zich op de tippen van zijn tenen uitrekkend, de kleine samenscholing rond een man op een muurtje en een vrouw naast een mariablauwe verschijning. Toen hij naderde, ontdekte hij dat het een contrabas was. De man droeg voor uit een boek, de vrouw bespeelde een onmogelijk blauwe contrabas. Af en toe klaterde wat applaus op uit het groepje toeschouwers.

De onverwachte openluchtsessie werd plotseling stomweg afgebroken. Dat was de schuld van een kladje overvliegende stadsduiven. Van de glanzend blauwe contrabas gleed langzaam een witte kwak duivenpoep naar beneden, terwijl de jonge dichter eenzelfde decoratie op de linkerschouder toegediend kreeg. De omstanders barstten in lachen uit. De uitvoerders staakten lacherig hun performance en probeerden de hemelse stront op te dippen en weg te vlakken. De betovering was verbroken; er kwam beweging in de groep toeschouwers. Ook Solferino Espa keerde op zijn stappen terug.

In een tijdelijk verbond, waarvan de cement bestond uit duivenstront, raakten Judit-Emese en de tsiganedichter in gesprek. Voorlopige hoofdbekommernis betrof natuurlijk de gevolgen van de luchtaanval: het was bekend dat vogelpoep na kort verloop van tijd ernstige schade kon toebrengen – het vrat zich door zowat alles heen.

‘Ik ken een plaats met water, vlakbij,’ zei Leventeh, de performer-dichter. ‘Daar kunnen we die… eh… die shit wegwassen.’

Judit-Emese knikte en pakte haar contrabas weer in. Leventeh stopte zijn voorleesbundel weg en hielp haar met haar gevaarte door het Szondystraatje. Aan de rode fontein op het Andrassypleintje ontblootte Judit-Emese haar instrument andermaal. Ze maakte haar zakdoek nat in het magentakleurige water en wreef er grimmig de laatste restjes van de duivenkwak op haar contrabas mee weg. Daarna maakte ze met haar handen een kom en slurpte wat van het fonteinwater. Leventeh volgde haar voorbeeld.

‘Zouden we wel van dat water mogen drinken?’ vroeg Leventeh zich hardop af, terwijl hij zijn kunstenaarsjasje uitspeelde en de zakdoek aannam die Judit-Emese hem nu aanreikte. Hij spreidde het jasje over een marmeren blok en gomde de zakdoekprop verwoed heen en weer over de getroffen schouder.
‘Drinken?’ herhaalde Judit-Emese. Ze borg de contrabas weer op in zijn harnas. ‘Weet niet, hoor. Die kleur… Maar ’t is ook zo warm hé… en drinken hebben we nu toch al gedaan.‘ Haar blik viel nu op de gevel van restaurant Magenta. Omdat hierbij haar mond openviel en haar ogen zich sperden, volgde Leventeh die blik. Ook op zijn gezicht manifesteerde zich eenzelfde abrupte verbazing, alsof er ijlings een donkere wolk overheen trok.

 

03

 

Solferino Espa ging via de zijingang restaurant Magenta binnen. Op de gelijkvloerse en de eerste verdieping waren de kelner en de twee diensters al druk in de weer, hoewel er nog geen klanten zaten – het was kwart voor twaalf. In de keuken op de souterrainverdieping weerklonken combinaties van scherp gerammel en dof geroep. Ferenc, Timi en wellicht ook Béla (die vaak te laat kwam) brachten de potten en de pannen al aan de praat. Naarmate Solferino meer trappen beklom, dimden de geluiden uit de keuken. Hij passeerde nu de lege lounge, een soort tussenverdiepinkje met bar en zitkuipjes. Op de derde verdieping (die onderdak bood aan kleerkasten, extra serviezen, wasgoed en vermoeid of dronken personeel dat het ’s avonds laat soms niet meer zag zitten om naar huis te gaan) trok Solferino zijn zomerse T-shirt uit en hulde zich in zijn magentakleurige koksplunje, muts incluis. Nu al zweette hij dikke druppels. Hij opende een van de ramen aan de voorkant, ging, op zoek naar een briesje, in de opening postvatten en keek naar beneden, naar de warme drukte aan de rode fontein op het Andrassypleintje. Een seconde later wapperde hij even met zijn handen voor zijn borst en zeeg toen op de grond neer.

Judit-Emese en Leventeh geloofden hun ogen niet. Aan een van de geopende vensters van restaurant Magenta verscheen een gestalte, in dezelfde kleur als de voorgevel. Hij droeg een koksmuts. Even klapwiekte hij met zijn handen voor zich uit, als om te oefenen, waarna hij met bredere en trage armslagen dat open venster uitzwom en langzaam klapwiekend opsteeg en boven de daken uit het zicht verdween. Verbouwereerd keken Judit-Emese en Leventeh naar elkaar, daarna om hun heen, dan weer naar elkaar. Het zomerse gekabbel, geklater en getater aan de rode fontein gingen gewoon door. Blijkbaar had niemand had iets gemerkt. Weer staarden ze met open mond en zonder iets te zeggen naar dat geopende venster. Het duurde ettelijke minuten vooraleer ze woorden met elkaar durfden te wisselen.

‘Eh… heb jij dat ook gezien?’
‘Ja… ja zeker. Eh… jij toch ook, hé?’
‘Jaja!’
Weer keken ze naar het gat op de derde verdieping van het grote kaartenhuis.
‘Het was daar… dat middelste venster ongeveer… ‘
‘Ja… een kok hé? Zag je ook dat het een kok was?’
‘Ja… een kok… in dezelfde kleuren als de voorgevel… die muts… ‘
‘Zag je hem ook… eh… wegvliegen?’
‘Ja hoor, zeker weten!’
‘Hij vloog toch echt wel plotseling weg, hé?’
Leventeh knikte langzaam, bedachtzaam, overtuigd en overtuigend.
‘Daar wil ik toch het fijne van weten,’ zei hij dan, het restaurant taxerend op zijn mogelijkheden. ‘Gaan we naar binnen om iets te drinken?’
‘Met dat ding hier mee?’ wees Judit-Emese.
‘Nou, misschien bieden ze je werk aan als muzikant.’
‘Tja, waarom niet. Eigenlijk was ik toch op sollicitatieronde. Net zo goed… ‘
‘Je zou je contrabas toch overal mee naar binnen moeten nemen? Om een demonstratie te geven?’
‘Ja hé… dat was ik wel van plan.’
‘Wel dan. Kom.’
‘Vooruit met de bas.’

Manager mevrouw Kossuth Dorottya daalde de trappen tussen de derde verdieping en de lounge af met haar handen voor haar mond en gesperde ogen daarboven. Op de eetverdiepingen weerklonken de beginnoten van de Zesde van Mahler. Bij het middelste venster van de derde verdieping had ze daarnet op de grond de koksplunje van Solferino Espa ontdekt – er zat een bloedvlek op en de Eenkleurige Kok zelf was spoorloos. Dorottya stevende ontzet door naar het souterrain, zonder acht te slaan op het tweetal in de lounge.

In een mengeling van verbijstering, begrip en nieuwsgierigheid keken Judit-Emese en Leventeh naar haar, naar de trap vanwaar ze kwam, naar elkaar. Toen de vrouw in de diepte verdwenen was, stormde Leventeh in een opwelling naar boven.

‘Blijf daar!’ riep hij naar Judit-Emese.
‘Alleszins!’ antwoordde ze, met een korte knik naar haar contrabas. 

Leventeh had kamers verwacht, een aantal deuren, maar in plaats daarvan kwam hij in een grote ruimte waar het zomermiddaglicht uitbundig doorheen gulpte en alles in een withete gloed zette. Enkele opzijgeschoven overgordijnen bewogen langzaam, want aan beide zijden waren ramen geopend, waardoor een lauwe bries over de verdieping walmde. Even bleef Leventeh staan, knipperend met zijn ogen. Hij moest wennen aan het helle licht. Hij voelde zijn hart tegen de dichtbundel kloppen, die hij onderweg in zijn binnenste borstzak had laten glijden. Toen viel zijn blik op een bundeltje kleren bij het middelste raam. Erbovenop lag een koksmuts. Leventeh bleef er secondelang naar staren, alsof hij verwachtte dat er elk ogenblik leven in kon komen. Plotseling werd zijn aandacht getrokken door het dansende stof in een helle lichtbundel die door de zaal priemde. De koksplunje op de grond trok langzaam het lichtstof aan, dat zich intussen leek te organiseren tot…

Gefascineerd keek hij toe hoe zich nu het woord vérszomjúság vormde, stofferig, transparant, magentarood, fluctuerend. Even bleef het boven het bundeltje zweven, om dan met een kwieke duikersboog door het raam te verdwijnen, alsof het van buiten uit weggezogen werd. Leventeh schudde zijn hoofd en knipperde met zijn ogen. Vaag registreerde hij het verre geloei van een ambulance – de soundtrack van een snikhete middag in de stad.

Het duurde lang voor Leventeh weer verscheen – te lang. Judit-Emese parkeerde haar contrabas op een ietwat veiliger plek in de lounge en besteeg behoedzaam de trap. Beneden klonk Mahler; boven een vaag geflap, als van een vlag in de wind. Ze nam de laatste wenteling en piepte nieuwsgierig met haar hoofd boven de leuning. Het eerste wat ze zag, was de dichtbundel op de grond. De bries bladerde stevig door de onwillige bladen, wat flappende geluiden veroorzaakte.
‘Leventeh?’ riep ze halfluid.
Verschrikt speurde ze de verdieping af. Ze zag het rode koksbundeltje liggen bij het open raam. Twee veldbedden. Drie grote linnenmanden. Waar was Leventeh? Er straalde een eigenaardige gloed door de zaal.
‘Le… ‘. Plotseling klonk gestommel op de trappen onder haar.

Ferenc, Timi en Béla verlieten ijlings hun souterrainkeuken, gevolgd door mevrouw Dorottya, die hen gealarmeerd had. Ze fladderden de wenteltrappen op, verdieping na verdieping steeds heviger stommelend en bonkend. Ter hoogte van de lounge hielden ze verbaasd halt, tegen elkaar opbotsend.
‘Een lijkkist!’ riep Timi uit.
Het ongewone gevaarte dat tegen de bar aan leunde, konden ze niet onmiddellijk thuiswijzen. Ze naderden nieuwsgierig, vier op een rij.
‘Maar daarnet stond dat hier nog niet!’, jammerde mevrouw Dorottya hardop. ‘Wat gebeurt hier toch allemaal vandaag? Mijn restaurant is bespookt!’

Alsof het werkelijk zo was, gleed het grote vreemde ding het volgende ogenblik opzij en viel daarna met een doffe dreun op de plankiervloer, gevolgd door een donker, gesmoord nageluid. Misschien hadden de koksmaatjes te veel deining in de houten vloer van de lounge veroorzaakt. Misschien was Magenta wel degelijk behekst.

Judit-Emese hoorde nu een bons, dichterbij. De schrik sloeg haar om het hart. Op hetzelfde ogenblik zeilden twee duiven door het open raam op de derde verdieping naar binnen. Ook dat gedruis en geklapwiek bereikten haar oren. Ontzet draaide ze zich om, struikelde over haar eigen voeten en sloeg steil achterover de diepte in.

In opperste verbazing rukten Dorottya, Timi, Béla en Ferenc hun hoofd opzij. Een vrouwenlichaam, gesmoorde kreten van pijn slakend, kwam de trap afgerold, won na de laatste wenteling nog aan snelheid en kegelde zichzelf tegen de omgevallen kist aan, waarvan het deksel met een eigenaardig piepend geluid open klapte. Druppels bloed sproeiden over een helblauwe contrabas. Het lichaam schokte enkele keren na en bleef dan roerloos liggen.

Mevrouw Kossuth Dorottya gilde secondelang. Timi greep Bela vast en plantte al haar nagels diep in zijn huid, door zijn T-shirt heen. Ferenc hield verbouwereerd zijn hoofd schuin, sperde zijn ogen en staarde met wijd open mond naar het tafereel.

 

04

 

‘De bries heeft de boomkruin leeggedronken.’
‘De dorst opent de wonde.’

(Dobai Péter)

Een nabijgelegen klokkentoren dicteerde met donker gebons dat het 12 uur was. Het had vandaag in de keuken en op de eetverdiepingen van Magenta een parelgrijze dag moeten zijn. Zo was het al twee dagen ervoor aangekondigd.

Het werd een zwarte dag.

Ondanks het helle wit van de zomerzon kleurden blauwe zwaailichten het Andrassypleintje. Die verfden om de haverklap de magentarode gevel van het restaurant. Dat veroorzaakte telkens een ongewoon kleurenpalet, waarop de aquarel okeren komma’s vurig en vloeibaar leken te dansen als op een verblind netvlies.

Er werden drie levenloze lichamen naar buiten gebracht: dat van de Eenkleurige Kok Solferino Espa, de Transylvaanse contrabassiste Judit-Emese en de straatperformer Leventeh. In het restaurant trof men aan: magentakleurige kokskleren, een dichtbundel, een helblauwe contrabas en wat duivenkwak. Het werd een moeizame queeste naar het verband tussen de drie afgestorvenen.

De lijkschouwers vonden na lang zoeken hevige concentraties van orobanche, arsenicum en cicuta maculata in de getroffen lichamen aan. Nochtans hadden noch de muzikante, noch de dichter ooit van brollèrtgerechten geproefd. Het personeel herinnerde zich hun gezichten zeer zeker niet. Weken later vond een diep peinzende onderzoeker, gezeten op een leverkleurige marmeren blok bij de rode fontein, de oplossing. Hij proefde niet, maar nam een staaltje van het fonteinwater mee.

De kleine bron in de ‘officiële’ tuin van Magenta kon, mits enige ‘afleidingsmanoeuvres’, ook het geheime brollèrtperkje bevloeien. Dat water werd anno 2013 op zijn beurt verder ondergronds afgeleid teneinde aan de overkant op het Andrassypleintje de rode fontein te helpen bevoorraden, letterlijk ‘bewateren’. Dat werd allemaal met veel plezier door mevrouw de manager Kossuth Dorottya gefinancierd.

Wie echter in de ochtendzon voor 12 uur ’s middags van het rode fonteinwater nipte of dronk – zelfde omstandigheden als wat de fameuze netelkracht van de brollèrt betrof – kreeg te maken met uitgesproken hallucinaties. Korte tijd later volgde de dood – net zoals elk jaar wel enkele onfortuinlijke Japanse smulpapen pech hadden met de fameuze kogelvis. Alleen de Eenkleurige Kok Solferino Espa kende de juiste verhoudingen en toepassingen van de brollèrt. Het ‘afgeleide’ irrigatiewater dat in de rode fontein terecht kwam, was dus reeds ‘onder invloed’ – zonder diens noodzakelijke ingrepen.

De schrandere onderzoeker gaf het ding een naam. De diagnose luidde: vérszomjúság, ofte bloeddorst.

Nadat het nog achttien keren op de middag twaalf uur had geslagen op de nabijgelegen klokkentoren, werd de rode fontein droog gelegd. Ook aan de brollèrtgerechten in Magenta kwam een abrupt einde.

Hongaren hebben het nooit onder de markt gehad.

16-08-16

GEORGE, SERIEMOORDENAAR

GEORGE, SERIEMOORDENAAR

George (neem die vreemde Engelse linkse bocht in de mond bij het uitspreken van de klinker in de naam) was een ongewone seriemoordenaar. Zijn serie betrof namelijk alle series van al zijn collega’s. Dat zat zo: George nam van elke serie zelf één moord voor zijn rekening. In hoogsteigen persoon. Als kameleon en copycat had hij daar het talent voor. Alle seriemoordenaars kregen dus eigenlijk een moord te veel op hun kerfstok gegrift, zo ze al gevat werden en alles bekend hadden. En zodoende bleef George buiten schot, want het kon een seriemoordenaar helemaal niet schelen hoeveel hij er vermoord had. En als het hem wel kon schelen, dan was hij zelfs fier op het grote aantal. Daardoor kon George lang op de arbeidsmarkt actief blijven. Hij bezat als het ware een geheim monopolie. Wat dat betrof: geen recessie voor de kerel. Toch deed één bepaalde moord hem de das om.

Die vlinder was er te veel aan.

Hij kwam ook niet reeksgewijs het leven van George binnenfladderen, zoals die dat gewend was van de mensen. Hij hoefde bij het mensdom maar te plukken uit een serie. Die vlinder echter was een zeldzaam eenmalig unicum. Totaal onverwacht danste hij het bestaan van de menselijke seriemoordenaar binnen. De Vanessa Atalanta Recessionista was de enige bekende volledig zwarte vlinder. Zijn vleugels vertoonden niet het minste teken van kleur of design. Zijn poeder scheen zeer gegeerd te zijn door miniatuurschilders, anesthesisten, modeontwerpers en farmaceutische specialisten. Vooral tijdens periodes van schemering en deemstering, de crisistijden van elke dag, kwam de inktzwarte vlinder tevoorschijn. Toch kon hij ook totaal onverwacht overdag opduiken, gewoonlijk als voorbode op een onweer. Het was een geheimzinnig beestje, waarover nog vele onopgeloste vragen bestonden, net zoals over motten, nacht- en monarchvlinders. Sommige onderzoekers opperden dat de zwarte vlinder een dwaalgast was. Maar waar kwam hij dan vandaan? De maan?

George had de wondere wereld der mooie tuinen ontdekt. Zuid-Engeland, Picardië, Normandië, Vlaanderen: hij bereisde het allemaal. Mooie tuinen trokken mooie vrouwen aan, en vlinders. En George, ex-fotograaf, ex-taxichauffeur, pril in ruste. Nou, rust.

Onrust dreef George naar die parels van flora. In deze biotopen werd het kabbelen van zijn bloed een kolken. Het kon zich voordoen dat wie daar (letterlijk) zijn pad kruiste, in de nabije toekomst een onaangenaam lot beschoren was. De tuinbezoeken van George betroffen studierondes annex rustige achtervolgingsscènes. Wee de goedbewaarde of mooigeweeste vrouw die een dezer lusthoven betrad: zij waagde haar leven in een dodelijk lottospel.

Op een dinsdagnamiddag zat George very English te zijn op een bank bij de Lime Walk in Sissinghurst Castle Garden. Het was eind juni. Bloemkoolbewolking bolde tegen een strakblauwe lucht op. George knabbelde van een gezond granenkoekje. Een twintigtal mensen, vooral oudere koppels, kuierden her en der over de uitgestippelde paden. Plotseling bevroor George halfweg een voedergebaar. Zijn blikken zeilden hongerig over de gazons, paadjes en perkjes. Voelde hij wat? Rook hij wat?

Hij stopte de rest van het koekje in zijn mond en verliet de bank. 

De vrouw die hij plotseling in het vizier kreeg, deed de adem in zijn keel stokken. Een lange zwarte jurk kon niet verhullen dat ze over een lichaam als een kathedraal beschikte. Waarom, in hemelsnaam, koos zo iemand voor zo’n verpakking? Bovenal viel ter hoogte van haar blanke borstpartij – een omgekeerde witte driehoek midden een zwarte zee van haren en textiel – de donkere vlek op. Bij het naderen (George: opzettelijk; zij: onopzettelijk) doemden geleidelijk aan de contouren van een zwarte vlinder op. Hij was volstrekt symmetrisch getatoeëerd op haar borstbeen, vlak boven haar beloftevolle verborgen broden en onder het wurgkuiltje bij haar keel, daar waar bij vele vrouwen vaak iets edelmetaalachtigs bungelt.

Om geen argwaan te wekken, sloeg seriemoordenaar George een zijpaadje in, vlak voor ze elkaar zouden kruisen. De zwarte schubvleugelige had hem van zijn stuk gebracht en bleef op zijn netvlies gebrand. Hij inhaleerde de warme lucht zo diep dat het pijn deed. Toen hij even stil bleef staan en de ogen sloot, warrelde de vlinder doorheen de donkere kamer van zijn hoofd. No design; only painted black. Hij telde 21, 22, 23 en keerde op zijn stappen terug. Ze was nog maar een tiental meter op de Lime Walk gevorderd. Haar rug vertoonde ook een grote blanke V, vlinderloos.

Toen sperde George zijn ogen in opperste verbazing: een inktzwarte vlinder bleef fladderend even boven het hoofdpad hangen, danste wat om het hoofd van de vrouw (die niks leek te merken) en streek dan op haar blanke V neer, waar hij met gespreide vleugels bleef zitten.

‘Soort zoekt soort?’ mompelde George dan half hardop, terwijl hij zijn ogen wat dichtkneep en tot op enkele meters de poedervleugelige vrouw naderde. Visioen van twee schouderbladen waarvan het vlees verwijderd was.

Visioen van twee schubvleugels op de rug van een vrouw.
Visioen van vlindervrouw met gespreide vleugels op een bord geprikt.

Volgens de indianen mocht je een wens doen wanneer je met je rechterhand een vlinder kon grijpen en die weer losliet.

Vlinders waren ook mensenzielen: er was het bekende verhaal van de Engelse regisseur die na zijn dood af en toe zijn schouwburg en zijn toneelgezelschap opnieuw bezocht in de gedaante van een vlinder.

George liet niet meer los. De zwarte vlinder evenmin.

Lime Walk. Elizabethan Tower. Moat Walk. Cottage Garden. Rose Garden. White Garden. Priest’s House. The Orchard. Nog es Lime Walk. Had de vrouw ogen op haar rug gehad, dan had zij haar moordenaar gezien: een schriel kereltje dat al twintig jaar geleden oud geworden was, herodesbaardje zuinig over kin en kaakbeen verdeeld, dunne lippen, vogelkopje, grijs, opzij geharkt haar met hitlerscheiding, likkebaardende oogjes, des winters wellicht halflange regenjas met ceintuur in een knoop.  

Het was nog een poos stappen naar het parkeerterrein in Jockey Lane, Cranbrook. Toen de bloemkoolwolken van kleur veranderden en dreigende gezichten begonnen te trekken, zochten dagjesmensen en seriemoordenaars de parkeerplaatsen weer op.

George begon aan het moeilijkste deel: de achtervolging. Hij verliet de broeierigheid van het parkeerterrein in het zog van de donkergroene Vauxhall met de twee X’en in de nummerplaat – makkelijk herkenbaar. Het spitsuur was inmiddels in volle gang. Kent, The Garden of England, wemelde van de auto’s. High Street. Biddenden Road. A28. Chart Road. Ashford. Van de vele oponthouden en bumper-bumperfases maakte George gebruik om zijn bovenlijf in politieplunje te wurmen en zijn namaaklegitimatie klaar te leggen. Flishinghurst. Glassenbury. So far, so good. Blackbush Wood. Waar woonde die vlindervrouw? George laveerde zijn ouwe Primavera achter de X-factor aan, handig slalommend. Een zonnige dag was ongemerkt en vrijwel naadloos in een bewolkte valavond overgevloeid; boven Kent hing een grijs gedrapeerd dat onweer kon betekenen.  

Hopelijk reed ze niet richting Dover… de boot op… alhoewel… kosten noch moeite spaarde George zich… maar met dit halve fake-uniform… verdorie… misschien moest hij er zich straks weer uit wurmen…

Waar reed dat mens verdorie naartoe? Het werd blijkbaar noch Dover, noch binnenland. Wanneer ze goed en wel richting zuiden gelanceerd was, en George haar van op een afstand moeiteloos kon volgen, verliet ze plotseling de snelweg en koos ze weer voor de richting van waaruit ze gekomen was. Op de snelweg had George haar ook vreemde bewegingen zien maken, duidelijk zichtbaar in het tegenlicht van de zakkende zon. Wuifde ze naar iemand? Danste ze mee op radiomuziek? Zat er een bij in haar auto?

Weer Blackbush Wood. Verdorie. George kreeg het op zijn heupen. Had ze misschien iets vergeten in de Castle Garden tuinen? Hier was de omgeving ideaal om… Dat had hij drie kwartier geleden al gemerkt, in omgekeerde richting.

In een opwelling deed George diverse keren na elkaar zijn lichten flikkeren, in combinatie met stevig kleven. Zijn hart bonkte; hij hapte naar extra adem en kreeg weer dat vlindergevoel in zijn buik. De Vauxhall vertraagde. Hij zag hoe de vrouw even een hand opstak. Ze had het begrepen. Even later pinkoogde ze naar links en hield stil op een uitwijk- en pechzone. George zette zijn auto vlak achter de hare. Hij klemde zijn legitimatie zo stevig in zijn handpalm dat die een snijwondje veroorzaakte. Vooraleer hij het portier weer dichtsloeg, veegde hij het bloed op het pasje aan zijn broek af en likte hij zijn hand schoon. Er kwam nog een auto oprijden. Die hield zo’n vijftig meter verder halt. George temporiseerde even. Een vrouw wandelde met een prul naar een vuilnisbak. Daarna vouwde ze op de motorkap een kaart open. George zette zich in beweging.

Alexandra keek bedenkelijk naar de lucht en besloot de Castle Garden te verlaten. Het briesje dat haar rug even aaide, kon net zo goed het verkennertje zijn van een Engels junionweer op z’n best.

Zijkijkend merkte ze dat ze de Kameleon nog altijd in haar zog had; hij struinde nu ook weer voor de tweede keer over de Lime Walk. Het hele circuit was hij haar gevolgd. Ze voelde zijn ogen zwarte gaten branden in haar rug. Dat zag er oké uit.

In de auto zorgde ze ervoor dat hij haar niet kwijtspeelde. Ter hoogte van Blackbush Wood belde ze de collega’s in hun auto op: DCS Clarke en DI’s Patton en Leary en DS Brooke. Niet de kleinste jongens. Op de snelweg wrong ze zich niet zonder moeite uit haar jurk. Een broek had ze al de hele namiddag aan; de rest volgde: het uniform van de vrouwelijke DSI.
‘De Kameleon krijgt een koekje van eigen deeg,’ flitste het bij dit manoeuvre door haar hoofd. ‘Hij zal vreemd opkijken.’

Ze beschreef de lus terug; hij volgde trouw en begon opvallend te kleven ter hoogte van Blackbush Wood. Toen knipperde hij met zijn lichten.

Achteruitkijkspiegels vormden nu de ogen op haar rug. Ze merkte dat de Kameleon even weifelde. Haar collega’s waren net de uitwijk- en pechzone opgereden. DS Brooke (in burger) ging zoals afgesproken iets in de vuilnisbak gooien en spreidde vervolgens een kaart op de kap open. De Kameleon leek geen onraad te bespeuren. Hij maakte nu aanstalten om op haar auto toe te stappen. Met bonzend hart en haar rechterhand op haar Automag V in de shoppingbag wachtte ze hem op. Ze opende het portier.

Zoals een oude stoomlocomotief een diepe zucht slaakte en een pluimwolk ejaculeerde, zo ontsnapte met een hevig geruis een grote klad inktzwarte vlinders uit de Vauxhall – eerst noodgedwongen langgerekt, dan als van nature samenhangend als een atoom. De turbulente compacte wolk kwam snel op George toegefladderd.
‘Een minitornado!’ flitste het door diens hoofd. ‘Toch bijen?!’

Verbijsterd zag hij de razende bol naderen. Vlak voor die bij hem arriveerde, nam het ding de vorm aan van een reusachtige vlinder met gespreide vleugels. Georges horizon werd inktzwart. Voor hij van de verbazing was bekomen, ontfermde de vlinderwolk zich over zijn vege lijf. Hij werd letterlijk ingepakt. Zijn keel werd dichtgesnoerd. Hij voelde geen pijn, alleen poeder, alom donker poeder. Van onder tot boven werd hij overpoederd. Zijn huid staakte het ademen; zijn hart werd zwart; zijn hersenen ontploften en hij suisde in alle richtingen de kosmos in.

Duizend zwarte zielen hadden wraak genomen op seriemoordenaar George.

Alexandra en haar collega’s constateerden eensklaps hevig vuur. Vlammen zo groot als populierenkruinen dansten verzengend om de Primavera en de man heen. Ze sprongen uit hun auto’s, maar de hitte hield ze op een afstand. Alles leek vuurvleugels gekregen te hebben. Materie steeg ten hemel op en liet vormloosheid op aarde achter. Alles gebeurde pijlsnel. De man richtte zich als een grote vuurvlinder nog eenmaal op. Toen, voorafgegaan door een steekvlam en een doffe knal, ontplofte de hele zaak.

13-07-16

ZOUTE-WATERGEM

HERFST IN ZOUTE-WATERGEM

 

Bussen volgestouwd met dagtoeristen op weg naar de Vlaamse Ardennen of een stuk Mooi Wallonië stopten hier soms. ‘Pitstop’, hijgde de reisleider dan door de microfoon. Mensen met volle blazen stapten uit. Plassen maar. Een bosschage onttrok de nabijgelegen heuvel aan het zicht. Hier was niets te zien, niets te koop. Dit was nergens. Wildplassen vormde hier het opperste genot, begeleid door de permanente dreun van de autostrade. Halte Zoute-Watergem: zijn niets, zijn plaspauzes, geen bronnen, geen grotten, geen heiligen.

En toch.

Ooit was Zoute-Watergem van strategisch belang. Getuige daarvan waren de vele gewapende bezoeken van vreemde stammen en mogendheden in de loop der eeuwen. Zoute-Watergem vlijde zich namelijk op de flanken neer van de enige molshoop in deze waterrijke lage streek. Deze heuvel vormde het voorportaal op een Mooier Vlaanderen, dat al vaker in toeristische brochures verscheen. Het stadje was vooral bekend voor zijn waterlopen omheen dit bergje en voor tweemaal twee verdwenen watermolens. Een gepensioneerde lector Aardrijkskunde aan een hogeschool, die in de nadagen van zijn carrière zelfs even Geografie doceerde aan de universiteit, ijverde voor de heropbouw van minstens één waterrad, maar dat was vechten tegen de bierkaai, met name allerlei instanties die ook ijverden voor industrieel en cultureel erfgoed en elkaar voortdurend in de weg liepen. De enige die ooit concreet toehapte en stappen ondernam, was de zaakvoerder van een lokaal middelgroot houtbedrijf aan de andere kant van de heuvel, maar in de naweeën van de economische crisis ging het bedrijf door een teveel aan wanbetalers overstag. De plannen van oud-lector Luc V. vielen hierbij definitief in het water. Hij behielp zich dan maar met het schrijven van een boek over het Verdwenen Zoute-Watergem, waarin de watermolens een centrale plaats kregen. Dat zette toch ietwat de kroon op het werk. Het was echter moeilijker dan verwacht. Bij bekende uitgeverijen ‘paste het niet in het fonds’, tenzij het om een drukopdracht zou gaan. Nee dus. Ze groeiden niet op zijn rug. En toch zou zijn levenswerk er komen. Luc V. ging uiteindelijk voor een publicatie in eigen beheer, met een VZW-voorintekenlijst, verwijzend naar de titel van het boek: Verdwenen Zoute-Watergem. De auteur bleef niet bij de pakken zitten en voerde een intense pr-campagne op en rond de heuvel. Het werd een succes: 734 exx.! Het boek kon opgehaald en betaald worden in drukkerij Debaere. Je kon er ook voor kiezen naar de officiële voorstelling te komen en het daar te kopen. Meteen gesigneerd, desgewenst.

Bij een grondige leesbeurt, waarbij men het ding helemaal open spreidde, hoorde je wat licht gekraak ter hoogte van de rug. Even later lieten enkele bladen los. Zes van de 734 kopers protesteerden daar even tegen. Ze ontvingen prompt een vers exemplaar van Luc V., waar al net zo prompt enkele bladen uit zeilden wanneer ze het boek proefondervindelijk openvouwden en omgekeerd even dooreenschudden. Meer kon Luc V. niet doen; de voorraad strekte maar tot 750 exemplaren en de bibliotheek had beloofd er nog tien aan te schaffen. Vreemd toeval: telkens betrof het de bladen waarin het over de verdwenen watermolens ging. De hoofdstukken over het strategisch belang van het stadje en de vele gewapende bezoeken bleven intact.

Bij de voorstelling van Verdwenen Zoute-Watergem in OC De Waterheuvel eind van de milde meimaand las Anemoon Iemant voor uit het boek. De lerares Woord & Voordracht (die eigenlijk Leen Depelser heette, Anemoon Iemant was haar pseudoniem) had gekozen voor een fragment over de oude muziekschool, waar in de Eerste Wereldoorlog een Duits lazaret was ondergebracht. De passage over gewonde soldaten die geplette luizen als schoensmeer gebruikten, maakte indruk. Na een muzikaal intermezzo door dwarsfluitiste Veerle S. las Anemoon enkele zelfgeschreven gedichten voor over de watermolens die er niet meer waren. Bij het eerste glasgerinkel begonnen de kopers aan te schuiven voor een handtekening van de auteur. Een leuke file ontstond, bijzonder deugddoend voor de auteur, die zijn chique Cross-vulpen meegebracht had. Hierbij zag je af en toe bladen op de grond dwarrelen, alsof het herfst was. De oranje hostessen die met de dienbladen rondgingen, stapten er eerbiedig over. De getroffen koper bukte zich daarna om het verloren hoofdstukje weer op te rapen en te adopteren.

‘Bij een digitale publicatie heb je dit niet, ha ha!’ (Een voorloper)
‘Bij een serieuze uitgeverij ook niet.’ (Een kwade tong)
‘Bij deze VZW dus wel.’ (Een droge humorist)
‘Naaien, binden, niet lijmen!’ (Een vakman)
‘Boekhouderslijm is sterk.’ (Een betweter)
‘Moet het niet zijn: boekbinderslijm?’ (Een kenner)
‘Bladhouderslijm ware beter!’ (Een grapjas)
‘Slijm! Nog beter!’ (Een kloothommel)
‘Die watermolens willen er echt weer uit hé.’ (De bibliothecaresse)
‘De bladluizen hebben eraan gezeten!’ (Een woordspeler)
‘Die bladeren zijn nog niet droog!’ (De broer van de woordspeler)

Het grapje van de bladluizen, mede aangewakkerd door de voorleesbeurt van Anemoon Iemant, verspreidde zich als een lopend vuurtje. Nog erger: in de drukte van de receptie die volgde (witte en rode wijn, bier, fruitsap), werden een tiental losgekomen bladen nu helemaal niet meer opgeraapt en ongenadig vertrapt of met de schoenpunt achteloos opzijgeschoven. Op sommige exemplaren zag je de stempel van een schoenzool. Hakken hielden ook huis onder de gesneuvelde bladen. De auteur keek verbijsterd toe. Mensen die daarnet om een handtekening hadden gevraagd (‘Voor Mireille, veel leesplezier’, ‘Marcel: van harte’), stonden nu onachtzaam op de gevallen bladen te trappelen, sommigen alsof ze met hun voeten druiven aan het pletten en het persen waren. Wanhopig wendde hij een paar keer zijn blikken uitdrukkelijk en dwingend naar de grond, maar ze snapten het niet.  

Op tafeltjeshoogte deden zich ook drama’s voor. Om de handen vrij te hebben, deponeerden diverse mensen hun boek tussen de vettige knabbelschalen, gebruikte servettenproppen en morsige glazen. Verscheidene exemplaren van VZW waren zo al gedoopt met alcohol, chipsschilfers en olijvensap. Her en der zag je ook de losgekomen watermolenbladen uit de buik van de publicatie piepen, evenzeer gereed om de geest te geven. Waar was het respect voor het boek? De eerbied voor drukwerk? Hoe meer de feestelijke avond vorderde, hoe meer repen er van de ziel van oud-lector Luc V. werden gescheurd. Woedend en ontgoocheld verdween hij in de avond, met medeneming van enkele onachtzaam achtergelaten exemplaren van zijn boek.

Begin juni manoeuvreerde een bus vol dansmariekes plus begeleiders zich de kleine stopplaats Zoute-Watergem op. ‘Tijd om te wateren,’ grapte de chauffeur, knikkend naar de naam op het bord. Terwijl het plasgebouwtje bestormd werd, dook hij zelf ook even het bosschage erachter in. In een overvolle vuilnisbak naast een picknickbank torende een heus boek boven alles uit: ‘Verdwenen Zoute-Waregem’. Op het gras ernaast krulden enkele bladen op. Wellicht uit dat boek. Verbaasd plukte hij het ding er even uit en bladerde wat. Het ging inderdaad ook over de naam op dat bord. De ontbrekende bladzijden lagen blijkbaar op de grond. De chauffeur haalde zijn schouders op, propte het boek terug in de vuilnisbak en wreef zijn handen grondig schoon aan zijn broek.  

Toen de dansmariekes weer bij de bank verzamelden, wees er eentje: ‘Hé! Zulke bladen lagen er ook in de toiletten. Ik heb er mijn billen mee afgeveegd, want er was niks anders.’ ‘Hé: ik ook!’ ‘OMG: Ik ook! Ik herken die foto!’

Toen de chauffeur voor de tweede keer zijn handen schoon had geveegd en zich omwendde om weer uit de struiken te verschijnen, verstijfde hij even. Dertig meter links van hem stond een man in bidhouding met zijn hoofd tegen een boom geleund, zo leek het, half naar het parkeerterrein gekeerd. Of stond hij ook te plassen? Maar… met zijn armen naast zich hangend? Misschien glurend naar de dansmariekes bij de picknickbank? Het zonlicht van mei ketste even af  op iets dat uit zijn bovenzak stak.     

14-06-16

BLACK MUSK

BLACK MUSK

Er moest toch iemand de boekhouding van deze dwaze wereld bijhouden? Dat kon niemand anders zijn dan Edwin Boens. Immers: van jongs af werd zijn schedel door zuinige haargroei getooid. Bijna engelachtig. Tevens torste hij een haakneus, aan weerskanten waarvan een kraaloogje als een blinkend muntje de wereld in de gaten hield. Zo iemand moest wel accountant worden.

Ik had Edwin Boens lange jaren geleden, decennia geleden zelfs, gekend. We speelden ooit in dezelfde volleybalploeg. We studeerden aan dezelfde universiteit, zij het aan totaal andere faculteiten. We verlieten allebei ons geboortestadje, om definitief ergens anders te gaan wonen. Of bleef hij honkvast haperen? Eigenlijk wist ik dat niet. Ik was plotseling zijn spoor bijster.

Soms groeit de behoefte iemand van lang geleden weer te zien of er ten minste wat informatie over te verzamelen. Vaak echter heeft dat geen zin. Zelfs op collectieve gedenkdagen van een generatie veertig-, vijftig- of zestigjarigen voel je het ongemak. Te veel verschillende levens zijn ondertussen harde feiten geworden, waardoor herinneringen weggedrukt zijn. Het is zelfs zinloos om, gewapend met een goed geheugen, dingen uit het verre verleden op te vissen, want de meerderheid van de betrokkenen staart je aan alsof je staat te liegen dat je zwart ziet. Ze zijn een en ander compleet vergeten.

Toen ik op een dag op het grote etalageraam van een fraai kantoorgebouw aan de kust Accountancy Decock, Maes & Boens zag staan, met daaronder Edwin Boens nog eens apart vermeld, toen wist ik dat ik beet had. Ik had me namelijk al die jaren diverse keren afgevraagd: waar is Edwin Boens? Wat doet hij? Is hij rijk geworden? Heeft dat engelenhaar op zijn hoofd de kans gekregen grijs te worden of is het door beurscrashes pijlsnel uitgevallen? Zijn die kraaloogjes van hem gunstig geconverteerd in de Europese munteenheid? Houdt hij ook nog andere boeken bij dan die met getallen en kolommen? Ik schreef haastig straat en huisnummer op en reed door, op zoek naar een boetiek waar ze black musk verkochten: nog iets uit mijn jeugdjaren waar ik naar verlangde. Die oude gevaarlijke geur, weet je wel. Ik wou dat straffe goedje weer eens met mijn vingertoppen achter mijn oorlelletjes aanbrengen, zodat ik het roerige verleden weer op kon snuiven. Ik rook namelijk graag lekker. De kust telde wel een paar van die exotische boetiekjes waar je dergelijke dingen kon vinden.
Thuis googelde ik Edwin Boens. Een en ander werd bevestigd door amper één zuinig item. Hij was het.

Ik besloot een truc te gebruiken om niet alleen Edwin Boens, maar ook een deel van de vroegere reutemeteut uit mijn geboortestadje weer te kunnen zien, zonder zelf verdacht te zijn. Via de werkgroepen die de generaties na veertig, vijftig en zestig jaar leven op deze aardbol ter herdenking op reünies weer samengebracht hadden, verwierf ik diverse adressen. Dat van de hr. Boens zat er niet tussen. Hij was ook nooit op zo’n reüniefeest verschenen. Daarom ook had ik die namiddag aan de kust dat accountancyadres vlug neergekrabbeld.

De volgende stap betrof een oude gekke droom van mij. Ik had die al een paar keer in mijn hoofd geconcipieerd. Nu maakte ik er werk van. Ik zond pakweg vijftig ouwe bekenden ieder een aparte brief. De inhoud en reden van mijn schrijven varieerde naargelang van hun beroep, interesse, leven… en was ondertekend door telkens aan ander pseudoniem. Er ging een uitnodiging mee gepaard, om te verzamelen op een welbepaalde plek op een welbepaald tijdstip. Het betrof telkens een individuele uitnodiging met een welbepaalde reden, plek en tijd. Maar ieder individu kreeg dezelfde plaats en tijdstip van afspraak… zodat ik een samenscholing for old times’ sake kon veroorzaken. Ikzelf zou daar ook zijn, opgaand in de groep, tevens ‘uitgenodigd’. Ook Edwin Boens zou opgaan in de massa. Ik zou hem onverdacht kunnen observeren. Niemand zou in de gaten hebben dat het allemaal voorwendsels betrof. Ik zou mezelf niet verraden. En ik zou me ook na een halfuur mee met de verontruste groep afvragen:

‘Maar wat doen wij hier eigenlijk? Wie is X, Y of Z? Wat gebeurt er hier nog? Is dit misschien voor een programma? Worden we gefilmd? Een immense grap? Toon eens uw brief? De mijne vertelt iets anders. Het is toch hier hé dat we moesten zijn? Of zijn we gemist van dag?’

En ik zou toch enkele kornuiten uit een ver verleden teruggezien hebben, waaronder de heer accountant Edwin Boens. Dat laatste vormde de hoofdreden voor mijn eigenaardige campagne: ik wou per se constateren hoe de tand des tijds Edwin Boens, voorheen schooljongen en student, thans accountant, toegetakeld had.

Twee dagen lang typte, vouwde en likte ik. De voorpret kon niet op.

Hem lokte ik met geldgedoe.

En hij daagde op.

Zesenveertig van de vijftig door mij opgeroepenen, incluis Edwin Boens, verschenen die dag omstreeks of klokslag 19 u op het Lindenplein in de middelgrote stad K., ieder gelokt met een aparte brief. Ikzelf arriveerde ook netjes op tijd.

Waar ik echter niet op gerekend had: enkelen hielden onmiddellijk al mijn brief in de hand. Verbazing en onbegrip haalden immers al vlug de bovenhand. De samenscholing vond zichzelf blijkbaar verdacht van in den beginne. Als een epidemie verspreidde het zich: meer en meer genodigden haalden de brief boven. Om niet op te vallen  deed ik dat dus ook maar, want ook naar mezelf had ik een uitnodiging gezonden. Ik merkte nu hoe sommigen aan hun brief roken. En hoe enkelen hun brieven uitwisselden om er op hun beurt ook aan te ruiken. Ook de chique meneer Edwin Boens stak zijn haakneus in zijn envelop.

Hoewel elke brief neutraal geprint was en zoals gezegd undercover voorzien van pseudogegevens, werd ik na vijftien minuten al door de meute als de dader aangewezen en ontmaskerd. Mijn plezier was van korte duur. Ik werd ter plekke besnoven door mevrouw Liliane Deurynck van parfumerie XxX, tevens door mij onder vals voorwendsel uitgenodigd. Toen die bevestigend knikte, begonnen nog anderen aan hun brief en aan mij te ruiken. Ik werd ondervraagd, afgezonderd, beschimpt, door woedende middenstanders gestompt en geslagen en beduusd op mijn zitvlees op de designkasseitjes van het Lindenplein achtergelaten, op een bed van geurige witte rozen: de tot proppen gebalde brieven van de ontgoochelden. Ik meende in een flits nog Edwin Boens de heksenkring te zien naderen, maar zeker was ik daar niet van. Dat betekende het einde van mijn gigantische practical joke, die ik alleen maar opgezet had om de heer Edwin Boens, voorheen klasgenoot en student, thans accountant, uit zijn tent te lokken.

De black musk had me verraden.

08-05-16

BOREN NAAR OLIE

BOREN NAAR OLIE

(HET URSINIMYSTERIE)

 

Pomm’o’Pomm was de hele maand augustus gesloten. De zaak had blijkbaar het stadsmonopolie over de ursini producten, want in alle andere delicatessenwinkels van Kortrijk stond de vermaarde ursini olijfolie gelijk aan toeten en blazen. Ofwel deden ze alsof ze de hooggeprezen olie niet kenden, ofwel daalden hun mondhoeken minachtend, ofwel schudden ze te snel van nee, ofwel probeerden ze je andere olie aan te smeren.

Sinds Annabel op restaurant in Italië een priester de hemelse geneugten had zien smaken (en hardop horen verkondigen) van simpele gekookte aardappelen en eenvoudig brood in ursini olijfolie gedoopt, had ze diezelfde olie culinair heilig verklaard. Telkens als het oliepeil in haar fles tot onder het etiket was gezakt, ging ze naar Pomm’o’Pomm voor een verse portie van dat heilig oliesel. Dat het lekkers dan ook telkens ongeveer een euro duurder geworden was, vond ze niet erg. Voor kwaliteit moest je pinnen en inleveren.

Maar nu – hoge nood – was haar fles zo goed als leeg en het was pas 14 augustus. De zaak was dicht. De andere zaken hadden Annabel in de steek gelaten. En ursini moest en zou het zijn. Ze wou zelfs twee flessen kopen, want er was er eentje jarig in de buurt – een hobbykok die van ovenwanten wist. Met zo’n fles ursini  zou ze zeker scoren. Maar het verjaardagsetentje van vriend Pilipili naderde zienderogen, eind ‘oogst’. Twee dwingende redenen dus om op pad te gaan en een queeste naar ursini olijfolie te ondernemen.

Van 15 tot en met 31 augustus stelde Angelique B. haar vagina’s tentoon in galerij Kust Ze in Doddewege, een schilderachtig dorp met witte huisjes en dito horeca in het hinterland van de kust. De keramiek kunstwerkjes vormden al jaren geen onderwerp van discussie meer, maar toch kreeg Angelique B. einde kunstzomer nog veel volk over de vloer. Kijkers, geen kopers. Haar poging om een reuzenvagina aan de bekende kerktoren op te hangen, werd geaborteerd door alle verenigingen en instanties die de schijn van heiligheid predikten. Geen sekstoerisme in Doddewege. Alleen binnen de wanden van Kust Ze konden de vagina’s gedijen.

Annabel, al jarenlang een trouwe vriendin en volger van de kunstenares Angelique B., trok op een woensdag medio augustus naar Doddewege. Op haar programma: vagina’s en olijfolie. Doddewege was immers een deelgemeente van de grote stad Brugge. Daar moest toch ursini olijfolie te vinden zijn, in de stad van pralines, kant, Japanse fotoapparaten en geklikklak van paardenhoeven? In dat Venetië van het Noorden?

Annabel had nog vier dagen om in haar opdracht te slagen. Dan was haar huidige fles leeg. Dan was culinaire vriend Pilipili het jarige feestvarken.

‘Let maar niet op de onderbroeken. Ik moet die nog…’.
Angelique knikte naar de collectie slipjes die over de rand van de keukentafel hingen. Op die tafel lagen nog enkele vagina’s-under-construction. De afgewerkte exemplaren had Annabel daarnet al in de galerij bewonderd.
‘Poëtisch hé? Sommigen vinden het choquerend.’
‘Ja.’
‘Jammer van de kerktoren. Hij, eh… zij zou twee meter groot geweest zijn. En zo rood als het Heilig Hart van Onze-Lieve-Heer.’
‘Wow.’
‘Ja, en je zou er ook de vage afdruk van Onze-Lieve-Vrouw in gezien hebben, zoals op dat schilderij hier. Gezellig in haar grot. Maar vaag, hi hi. What’s in a word, snap je?’
Angelique wees naar een tegen de muur geleund schilderij waarop in een grotachtig geheel een wazige gesluierde contour te ontwaren viel. Het kon ook een moslima zijn.
‘Mooi.’
‘Beetje heilig en geilig hé?’
‘Ha ha.’
‘De pilaarbijters hebben er een stokje voor gestoken. Voor mijn kerktorenproject, bedoel ik. Kut, hoor.’
‘Jammer verdorie. Ik had graag je schaamlippen aan de kerktoren zien bungelen.’
‘Ik ook. Een oude droom. Komt nog wel. Het middeleeuwse Doddewege zal nog opkijken. Letterlijk dan. Cava? Sigaret?’  

Twee glazen later vertelde Annabel over haar queeste naar ursini olijfolie. Het gesprek was namelijk de richting uit gegaan van de Doddeweegse horeca, die  uitdrukkelijk aanwezig was in dit fraaie dorp, dat zo wit zag als een tafellaken.
‘Nog vier dagen, zeg je?’
‘Ja, de tijd dringt. Pilipili is een goeie vriend. Hij zal het bijzonder weten te appreciëren. Ursini olie behoort tot de top. Maar als ik in Brugge niets vind… ’
‘Dan gebruik je maar je kutsap, meid. Luister naar de raad van een erkende vaginiste.’
‘Hi hi hi’. 
‘Afkolven en op flessen trekken, drie dagen lang. Pittige smaak, heerlijke smeerboel, gladde glibberigheid. Vraagt om eerlijk dagelijks brood of een simpele patat – het droge tegenwicht voor dat heilig oliesel.’
‘Je bent een echte kunstenares, Angelique. Je zou ook boeken moeten gaan schrijven.’
‘Mijn schaamlippen zijn niet verzegeld, Annabel. Gaat en doorkruist Brugge. Voorwaar, ik zeg u: gij zult olie vinden! Venetië kan niet op één dag zinken!’
‘Ik hoop het, verdorie.’
‘Hier: neem een kutje mee. Cadeau van mij.’
‘Maar… ‘
‘Toe: neem maar. Weigeren is kutschennis.’
‘Dank je.’
‘Kust ze. Hi hi hi! Hier!’
Angelique B. wikkelde behendig een vaginaatje in de voorpagina van de Doddeweegse Bazuin.
‘Asjeblief. Een voorvagina.’
‘Ha ha! Moest je niet gedaan hebben. Merci. Ik geef het een mooie plek.’
Het ding verdween in de dieptes van Annabels handtas.
 
Na een broodje scampi met het grondsop uit de fles cava verliet ze de galerij der bloedrode, flamingoroze en vleeskleurige schaamlippen in het verblindend witte polderdorp en reed hoopvol naar de stad der witte zwanen.

Boren naar olie in Brugge. Annabel parkeerde haar auto aan de periferie. Na een kwartier stappen werd de aanslibbing van toeristen zo dik dat ze bijna niet meer vooruitkwam. Van en op het trottoir huppend stak ze er wat meer vaart achter, ondertussen de vitrines en etalages screenend op een mogelijk Italië-gehalte. Na anderhalf uur struinen leek het een vruchteloze expeditie te worden. Delica, Oil & Vinegar, Dille & Kamille, Pasta Si en Pasta La, Huppeldepasta, Huppeldepepe of hoe ze ook mochten heten, pizzeria’s, restaurants, bistro’s, delicatessenshops: noppes.

Ursini was van de wereld verdwenen.
Er was een vloek over ursini uitgesproken.
Er rustte een taboe op ursini.
Het u-woord stootte alom op ontkenning.
Het Venetië van het Noorden was een ursiniloze stad.

Moedeloos ging Annabel met een witte wijn op een terrasje zitten, in een kalme straat achter de oude stadsschouwburg. Hier dokkerden de toeristenkoetsen niet om de haverklap voorbij.
INDIAN – THAI AFRICANS FOOD prijkte het krakkemikkig op een raam aan de overkant, vlak naast het grote theatercafé. Het winkeltje was op deze klaarlichte zomerdag verlicht als een bordeel. Een sigaret lang bleef Annabel zitten, terwijl ze van iedere voorbijkomende vrouw of meisje de schaamdriehoek taxeerde. Dat waren er niet zoveel. Het was een rustige buurt.
Angelique zou ook een fotoboek kunnen maken, dacht ze. Titel: V. De bedekte schoot der vrouwen. Verhulde vagina’s. Lage streken. Voila: daar had ze al haar eerste boekpublicatie. Annabel staarde naar de S van AFRICANS.
‘Urini’, mompelde ze. ‘Hi hi’.
Toen stak ze de straat over.

Een vrouwtje uit het Andesgebergte verscheen als een djinn tussen een massa rommelige winkelwaar en ging postvatten achter een regiment dozen met snoep – voorheen een toonbank. In een van de dozen lagen in rijtjes van zes een aantal grillige bloedrode winegums die sterk aan het werk van Angelique B. deden denken.
‘Goede dag’, groette de zaakvoerster in vlekkeloos Brugs.
Annabel knikte en viel met de deur in huis: ‘Hebt u ursini olijfolie?’
‘Olie?’
Het vrouwtje wees in de richting van een onooglijk loopgraafje tussen de hooggestapelde rekken.
‘Daar een grote keus. Gaat even kijken.’
‘Dank u.’
Annabel dook het gangetje van de ansjovissen en de kokosproducten in en belandde warempel – in gebogen houding – bij een assortiment huishoudoliën in plastic en blik verpakt.  
‘U vindt het?’ klonk het van achter de snoepwering.
‘Ja hoor.’
Tweemaal zeilden haar blikken over het aanbod, voldoende om ontstentenis aan ursini olijfolie te constateren. Only Indian-Thai Africans Food.
‘Verdomme.’
Ze trok zich terug uit de loopgraaf, schudde haar hoofd en haalde haar schouders op.
‘Nee? Geen urani? Niet?’
‘Nee.’
In een opwelling wees ze naar de winegums.
Give me six… eh… Ik neem zes van die dingen.’
‘Zes?’
‘Ja.’
’Vijfentachtig cent.’
Pas toen Annabel met twee vingers het gevraagde uit het smalle dijzakje van haar jeans opduikelde, realiseerde ze zich dat ze haar handtas niet meer bij zich had.
‘Verdomme.’
‘Eh?’
‘Sorry. Alstublieft. Een euro. ’t Is oké. Hou maar.’
‘Dank u.’
Ze graaide het papieren zakje zowat uit de handen van het snoepvrouwtje en haastte zich naar buiten. De tas stond er nog, aan de overkant op het terrasje:  precies zoals ze die achtergelaten had, op de stoel naast het tafeltje met het lege wijnglas, dat blijkbaar nog altijd niet afgeruimd was.
‘Oef!!’

Annabel stak andermaal de straat over en ging uit pure dankbaarheid jegens een heleboel goden en godinnen weer op dezelfde plek zitten.
Het niet-vinden van ursini olijfolie was een vloek.
Het weervinden van haar handtas was een zegen.
De dingen hielden elkaar in evenwicht. 
‘Nog eens hetzelfde a.u.b.’
‘Witte wijn?’
‘Ja.’
Ze controleerde de inhoud van haar tas. Alles was oké. Ze plukte een winegum uit het papieren zakje en stopte de rest in de tas. Ze bestudeerde het zoete ding even en stopte het dan in z’n geheel in haar mond. Kauwend monsterde ze de bordeelverlichting van de winkel – wellicht haar laatste halte in de queeste naar ursini olijfolie.
‘Alstu. Dat is dan nog eens twee vijftig hé.’
‘Alstublieft.’
Annabel wachtte tot de vrouw weer naar binnen ging en nam toen een fikse slok van haar wijn. Daardoor schoot ongewenst en onverwacht met een soort van hikkramp ook de winegum diep haar keel in, waar hij vervolgens ter hoogte van haar luchtpijp vastliep. Annabel patste ijlings het glas op tafel neer, schokte met haar bovenlijf vooruit, hoestend, schrapend, kokhalzend, stikkend. Vervolgens bracht ze alleen nog gepiep voort. Ze zakte van haar stoel op haar knieën en greep met beide handen naar haar keel in een wurggebaar. Haar tafeltje wankelde; het glas viel aan diggelen en de rest van de wijn zocht zich een weg naar de rand.

Helaas voor Annabel was dit een kalme straat achter de oude stadsschouwburg. Zowel de vrouw met het wisselgeld als het winkelvrouwtje kwamen te laat toegesneld.

Heel even werd Annabel voorpaginanieuws. De winegums gecombineerd met het in Doddeweegs krantenpapier verpakte kunstwerk vormden de vreemde ingrediënten van een verhaal dat twee betrokkenen probeerden te vertellen, maar nog vreemder leek het verband met ursini olijfolie. Had Annabel in al haar wanhoop zichzelf een heilig oliesel toegediend zonder op de olie te wachten? Het glijmiddel bij uitstek? De winegums uit Brugge werden vergeleken met hun lookalikes in galerij Kust Ze in Doddewege. Angelique B. en de zaakvoerster van INDIAN-THAI AFRICANS FOOD, in het belang van een onderzoek even bijeengebracht, communiceerden over ursini en urani. Een ontredderde Pilipili werd erbij gehaald; het viel Angelique B. in dat diens naam was gevallen in de galerij. Die kon het mysterie alleen maar raffineren: ja, hij was een gebruiker van ursini olijfolie. Niet van vagina’s: dit heeft u goed begrepen, beste mensen. Men kreeg er kop noch staart aan. De ursini olijfolie, en vooral de queeste ernaar van de afgestorvene, bleven een mysterie.

Geen kut op een kerktoren kon daar aan tornen.

02-04-16

DE CHINEES

DE CHINEES

Hildegarde zat voor de zoveelste keer bij ‘De Chinees’. Dikke soep, rood of groenbruin, met geroosterde partjes brood. Zoetzure en gefrituurde hapjes als voorgerecht. Een keuzebuffet van verkavelde stukjes vlees, vis, sojascheuten, ui, prei, erwten en zwammen. Het sissen van de sauzen in de wokpan. Alweer een ‘spread’ die je voldoende energie leverde om de Chinese Muur mee af te joggen.

Er waren ten minste acht Chinese restaurants in de stad, maar iedereen verwees naar alle acht als ‘De Chinees’, met de betreffende straatnaam erbij. Er bestond namelijk geen uitgesproken voorkeur onder de Chineesgangers en –gangsters. Toch droeg elk van die etablissementen een naam. Enkele bekten Oosters, zoals ‘Mei Lin’; andere Vlaams, zoals ‘De Lange Muur’. Alle acht waren ze ruim, overwegend rood en goud en kitscherig. Er werden geen katten, honden, slangen of meisjesbaby’s meer geserveerd, vertelden grapjassen.

Hildegarde zat bij ‘De Chinees’ in de Citadelstraat op haar vaste plaats. Het was er halfduister, maar overal brandden gezellige lampjes, lampions en zelfs kaarsen. Zes andere klanten waren nog aan hun entreebord bezig. Zij was al aan de hoofdschotel van het keuzebuffet toe. De kerel die de wok bediende, had nu zijn vuren even verlaten. Wanneer ze zich even rekte, kon ze zijn gebogen rug heen en weer zien bewegen achter de lange balie. Het licht van een zaklamp zeilde daar af en toe even bovenuit. Zijn mama keek onbewogen toe. Dat verontrustte haar. Zocht hij iets? Was hij iets kwijt? Had hij iets gezien? Hildegardes mes en vork bleven haperen boven haar gefrituurde scampi’s. Ze rekte zich nog verder uit en vernauwde haar ogen tot spleetjes. Gedachten aan ratten en muizen belaagden haar hersenen en dicteerden haar gebaren en mimiek. Die balie (of toch het deel ervan dat ze van hieruit kon ontwaren) zag er slordig uit: halflege flessen cola, zwervende kastickets op pinnen en tegen de houten wand geplakt, verspreide schrijfspullen en notitieboekjes, vodden, afgeruimde ongewassen glazen (ongetwijfeld nog van gisteravond), keukenhanddoeken, kandelaars met halfopgebrande kaarsen. De wokman bleef maar gekromd als een vraagteken heen en weer bewegen, half zichtbaar achter de lange balie. De mama glimlachte even van in de nabije verte naar Hildegarde, toen ze merkte dat die zat toe te kijken. Hildegarde grimlachte terug; van op vijftien meter kon dit als een glimlach doorgaan. Misschien moest ze hier maar nooit meer terugkomen. Wat viel er in hemelsnaam met een zaklamp achter een balie in een restaurant anders te ontdekken dan…

‘Ratten en muizen… moeten verhuizen…’ klonk het in haar hoofd.
Plotseling begonnen overal de lampen te sputteren. Tegelijkertijd deed zich een collectief trillen voor van kopjes, schoteltjes, borden, glazen. De stapels borden bij de wokvuren en de batterij glazen achter de balie maakten het meeste kabaal. De klanten keken verbaasd op. De China-mama begon overspannen en luidkeels klanken uit te stoten. De wokkelner rees met ogen als schoteltjes uit zijn queeste op en verstarde ter plekke. Hildegarde had niet eens de tijd om zich te realiseren wat er echt gaande was, terwijl ze opsprong omdat haar karafje witte wijn in haar schoot was beland.

De modderstroom nam natuurlijk niet gewoon de voordeur. Hij gulpte bruut en snel en smerig alles versplinterend en krakend De Chinees binnen, zoals hij dat ook deed met alle huizen in de zeventien omliggende straten.   

Een zaklamp.
Een dode duif.

In het Pompei van ‘De Chinees’ waren dit de eerste dingen die de reddingswerkers aantroffen. Er waren daar alleen al ook elf slachtoffers van menselijke kunne.         

 

03-03-16

MET NAME

MET NAME

Jan Peruwelz kon het ook niet helpen dat hij zo heette. Liever had hij Jean Liedekerke geheten. Of Ben Vos. Sommigen waren echte gelukzakken op dat vlak. Doeschka Peper bijvoorbeeld was best tevreden met haar namen. Boudewijn Decraene simpelweg ook.

Maar nu ter zake.

Zulma Stinckens fietste naar huis op het pad langsheen de Leie. In enkele boomstammen boven op de verhoogde berm naast het water waren harten gekerfd. Ze kende die al vanbuiten. A/R. Rik en Petra. L & B. Justine love. Een K midden in drie harten. Er kwam een tegenligger aangefietst. Zo’n kleurrijke wielertoerist die met hoge snelheid van zichzelf wegfietste, ook al was de aardbol rond en kwam hij zichzelf toch weer tegen. Misschien omdat hij Dick Proot heette?

Maar nu ter zake.

Was het het lage scherpe zonlicht van die valavond in november? De afleiding door die boomharten gecombineerd met hoge tegenliggende snelheid? Hoe kwam die hardhandige verstrengeling tot stand? Wie zag klaar in dit kluwen? Deze plotse copulatie tussen een elektrische gazelle en een racefiets met een frame van carbon? Wie ontwarde Zulma Proot en Dick Stinckens?

Twee minuten na de frontale botsing bereikte Jan Peruwelz de plaats des onheils. Achter op zijn tandem zat Doeschka Peper. Ze vlijden ijlings hun gevaarte tegen de bermhelling neer. Het stilleven van twee lichamen op de grond omarmd door de chaostheorie was immers verontrustend. Bij het afstappen viel Doeschka’s portefeuille op de grond, waarbij een foto van Ben Vos met ontbloot bovenlijf tevoorschijn piepte.

Verder ter zake.

Met name advocaat Boudewijn Decraene regelde de scheiding.
Met name begrafenisondernemer Jean Liedekerke zorgde voor een waardige afscheidsdienst van wielertoerist Dick Proot.

Pas twee jaar later, na haar revalidatie, kocht Zulma Stinckens een nieuwe fiets.
Zonder elektriciteit.

02-02-16

GASTRONOMIE

GASTRONOMIE

‘Inderdaad: gastronomische bedragen,’ herhaalde Faye Abernattie gnuivend en nadrukkelijk. Iedereen schoot in de lach. Deze week nog had een rechter een misnoegde restaurantklant gelijk gegeven. De vrouw had restaurant Kokkerel aangeklaagd wegens te duur in verhouding tot het product. Maurice Dujardin van de Kokkerel kreeg eindelijk wat hij verdiende. Abernattie, aanpalend restaurateur in het iets nederiger Sea & Shells, kon haar tevredenheid niet op. Gerechtigheid was geschied. De Kokkerel zou gas terug moeten nemen wat de prijslijsten betrof. Snobs en blasés zouden ergens anders hun toevlucht moeten zoeken. Of zich verwaardigen de Sea & Shells binnen te treden, de echte wereld van het eerlijke voedsel.

‘Misschien,’ flitste het op een onbewaakt ogenblik door Fayes hoofd, ‘misschien is het ogenblik aangebroken voor wat nieuwe gerechten. Een tegenzet? Nee: de doodsteek’, terwijl ze zelf nog naglunderend in verband met haar oneliner het gezelschap in taverne Modest haar intelligentste glimlach schonk. Op datzelfde ogenblik betrapte patron Carl van de Modest (leunend op zijn tapkranen) haar op een grimlach.
‘Vrouwen!’ schoot het door diens hoofd. Hij zwierde zijn keukenhanddoek over zijn linkerschouder als een flagellant.

De Modest werd vooral gefrequenteerd door horecanen op hun eigen sluitingsdagen. Bij de meesten was dat de dinsdag. De Modest bleef dus op dinsdagavonden tot in de late uren the place to be voor chefs, kelners, obers, geranten, koks, sommeliers en fijnproevers van divers pluimage. Er werd zelden of nooit over voedsel en drank gesproken. Meestal ging het over geld, en werd er duchtig gedronken en gerookt.

Joppe Meivink was in deze biotoop een gedeisd toeschouwer. Hij had drie faillissementen als restauranthouder achter de rug (Bistrot Français, Grill Suzy Q en Mushroom). In de pikorde van de huidige horecaantjes stond hij dus vrijwel achteraan. Zijn gezicht vertoonde een permanent misprijzen voor de mensheid. Het was een publiek geheim dat hij tegen betaling stiekem ging koken bij de rijken – stiekem, want ‘de fiscus’ zat permanent achter zijn vodden. Joppe Meivink was een genie met heilbot, tong en rog. Helaas was hij ook herhaalde malen iets te creatief geweest met boekhouden. Tot op heden beklaagde Joppe het zich bitter dat hij zich niet tot de kookboeken had beperkt.

Elke dinsdag rond elf uur in de avond betrad Maurice Dujardin (‘zwezerik’ voor de vijandelijke intimi) het pand van Carl & Cie. Zo ook nu, op deze stormachtige dinsdag, – zijn eerste entree na de rechterlijke uitspraak. Servetten en bierviltjes werden van de tafels geblazen. Maurice kwam onbevangen binnen, met in zijn zog zijn chef-kok, een keukenhulp en een wijnkelnerin, die door de wind bijna weer naar buiten werd gezogen. Moedig glimlachend passeerde de manager van de Kokkerel het Sea & Shells-groepje, dat zich eensgezind en iets nadrukkelijker dan gewoonlijk had omgedraaid toen hij binnenkwam.
‘Ha, Faye! Alles kits in de kitchen van de zee, meiske?’
‘Wie het eerst het woord neemt, staat gewoonlijk sterker’, dacht Maurice.
‘Jaja Maurice: boter bij de vis, hé!’
Dat was dus duidelijk buiten de waardin gerekend.
‘Verdomd serpent.’ (Weer een gedachte)
Gelach alom. Carl veerde verheugd van zijn tapkranen op: leven in de brouwerij. Joppe Meivink schaterde zo hard dat hij nooit ofte nimmer nog moest rekenen op een job in de keuken van de Kokkerel. Maurice probeerde de donkere blikken uit zijn ogen weg te knipperen, maar kreeg geen controle over zijn mondhoeken. Hij palmde met zijn gezelschap de overgebleven plaatsen aan de toog in en knikte naar Nand Dagschotel van de Patria, die andermaal door een overdaad aan Duvels niet goed meer wist ‘van welke parochie hij was’, zoals ze hier zeggen.

‘Nand! Hoe is het? Reeds een beetje onder de olie?’
Nand reageerde alleen met afwerende lichaamstaal en pulkte zijn veertigste sigaret uit een pakje.
‘Binnenkort is ’t gedaan hé met peuken in het restaurant?!’
Het kwam er voor de Kokkerel-baas vanavond op aan de aandacht vooral op anderen te vestigen. Die feeks van een Faye zou hem wel de hele avond…
‘Zwezerik… ‘ ving hij op. Zie je wel. Niet reageren.
‘Carl!’
‘Meneer Dujardin. En goed en ook schoon gezelschap. Wat mag dat zijn vanavond?’

Af en toe keek iedereen gezamenlijk verontrust naar buiten, waar een februaristorm door de straat gierde en met diverse uithangborden en panelen aan het rammelen was. Het misprijzende mombakkes van Joppe Meivink klaarde bij elke windstoot even op: hij hoopte wellicht op een allesvernietigende tornado, die vooral de welstellende horecazaken in deze stad en hun pompeuze chefs treffen zou. De storm bolde zijn wangen en blies warrelende serpentines stuifsneeuw voor zich uit. Af en toe bogen de grote ramen van de Modest vervaarlijk.

Faye Abernattie daalde na een plasintermezzo de trappen af en stevende recht op het Kokkerel-groepje af.
‘En, Maurice: al een beetje bekomen van de prijzenslag?’
Maurice Dujardin probeerde kunstmatig in een lach te schieten, maar dat lukte niet echt, het werd een mislukte auditie van een grimlach. Zijn personeel spreidde eenzelfde mimische wrangheid tentoon.
‘Ik verzuur tenminste de markt niet hé, Faye. Nooit werk ik onder de prijs.’
‘Gaan madame Porsche en meneer Corvette nu nog willen komen met zulke zotte prijzen in de Kokkerel?’
‘Gij rijdt toch ook met zo’n Cabriotoestand?’
‘Ja: een Cabrio Bouillabaisse,’ gnuifde de wijnkelnerin van de Kokkerel samenzweerderig.
Faye Abernattie, leeuwin, richtte zich nu uitdrukkelijk tot haar: ‘De Kokkerel wordt een dumpzaak hé. Wat ga je die goedkope klanten nu inschenken? Zure wijn? Azijn? Rechtstreeks van de zuidflanken van den Aldi?’
‘Da’s nog altijd beter dan die viswijn… eh… piswijn van bij jullie, viswijf,’ beet de vrouw haar toe. ‘Daar heb jij niet eens een sommelier voor nodig.’
Bij deze goedkope woorden ontplooide Maurice Dujardin zijn breedste glimlach. Faye Abernattie schudde meewarig haar hoofd en droop weer af. Achter haar weerklonk overwinnaarsgelach.

Omstreeks kwart voor middernacht dook traiteur John nog handenblazend de Modest binnen, in voorspelbaar ornaat: een haastig van de kapstok geplukte overjas met opstaande kraag boven zijn horecaplunje (: wit, streepjes, blauw). Niet zelden vertoonde deze outfit sporen van voedsel, maar men verdacht John ervan deze opzettelijk aan te brengen. Hard labeur tot laat in de nacht, weet je wel. Zichtbare arbeid. Hij evolueerde van iedereen naar iedereen, en slaagde erin voor de derde opeenvolgende week zijn leatherman te showen, die hij van de horecavereniging MEALS ON WHEELS cadeau had gekregen voor diverse verdiensten. Zijn leatherman, een glanzende luxe-uitvoering van het klassieke Zwitsers mes, maar dan wel met maar liefst negentien mogelijkheden, was zijn trots. Alleen de fine fleur van het traiteurdom kreeg er zo een van MEALS ON WHEELS.
‘Altijd handig, overal. Ik grijp er, ik ga niet overdrijven, tien tot twintig keer per dag naar, ik zweer het u!’
Het ingebouwde knipmes zag er het vervaarlijkst uit.
‘Waarom zitten er negentien eh… dingen in?’ informeerde Joppe Meivink. ‘En geen twintig bijvoorbeeld?’ (John was niet te beroerd ook bij deze verloren kerel zijn opwachting te maken – kwestie van aandacht; Joppe voelde zich daardoor weer even bij de mensheid betrokken, tot de geweldige John dan weer naar een ander groepje verdween).
‘Twintig zou te symbolisch zijn,’ poneerde de traiteur met grote stelligheid.
‘Moogt gij daar zomaar mee rondlopen?’
‘Ik loop er wel niet mee te zwaaien hé, Joppe. Ziet ge dat mes? Ziet ge mijn handpalm? Vergelijk die eens? Ik… ‘
(John was dertig jaar geleden dienstplichtig para geweest bij de Belgische strijdkrachten. Hij beweerde dat hij een mens binnen de vijf seconden kon doden met zijn blote handen. Daarbij bediende hij zich graag van het woord charcuterie.)
‘Er zit ook een getande zaag in, kijk.’
John toverde na enkele ingrepen een haaiachtig instrument uit zijn leatherman tevoorschijn.
‘Amai,’ deed Joppe, maar dat meende hij niet.

Op dat ogenblik tuimelde Nand Dagschotel wederom van zijn barkruk. Wederom, want dat gebeurde wel vaker. Daarom keek niet iedereen opzij: men verdacht Nand ook van opzettelijkheid in dat verband. Nand krabbelde dus uiteindelijk weer recht. Intussen rukte de storm de laatste staande plant van op het trottoir voor de Modest weg. Carl had geen tijd gehad zijn voorraadje siergroen binnen te slepen. De potplant kukelde midden op straat, maar hinderde hierbij niemand, gezien het late uur en de ligging van de Modest. Het ding tolde, bevolen door de wind, nog even heen en weer en brak ten slotte tegen de trottoirband in stukken, waardoor een deel van de potgrond als zwarte sneeuw door de straat stoof.

Voortekenen worden door de mensen ofwel niet gezien ofwel niet geïnterpreteerd. Die zwarte sneeuw stoof onbewaakt en ongezien verder door de stad, de witte slangen stuifsneeuw achterna. Dat westernachtig stofwolkje was de voorbode van naderend onheil. Een halfuur later wapperden bliksemserpentines boven de stad, terwijl een vreemde februaridonder ergens in de onmiddellijke verte aan het grollen sloeg. Intussen wakkerde ook de storm nog aan. Het was een ongeziene en ongehoorde combinatie.

(Ergens in een groot huis op de tweede verdieping stond een slapeloos nachtkind door het venster te kijken naar het tempeest. ‘God schroeit met zijn lastoestel de ozongaten weer dicht,’ dacht het. ‘Hij is boos op de mensen omdat ze gaten in zijn hemel hebben gemaakt. Maar morgen ruikt het weer lekker in de stad, zoals na elk onweer.’)

De verzamelde horecanen in de Modest keken ontzet opzij, alsof iemand op hetzelfde ogenblik hevig aan hun hoofden rukte. Simultaan klapten de deuren naar het sanitaire compartiment en de dubbele voordeur open. Een kolk van stof en straatvuil wervelde vanuit onverwachte hoek naar binnen en door de hoofdingang weer naar buiten, onmiddellijk gevolgd door een stampede van tientallen dolle wolken die wervelden en kolkten.
‘Gastronomisch,’ flitste het weer door Faye Abernattie’s brein, maar tijd om daarover na te denken had ze niet. Met een dreigend, sonoor gebulder, aangepord door gerinkel van scherven en oudtestamentisch gefluit van wind, passeerde iets machtigs, iets naamloos, ijlings door de Modest, door de hele straat, door diverse horecazaken, en het kwam van ver, en het ging nog ver door, en het liet een spoor van vernieling achter, terwijl mensen opzij sprongen, ineen doken, elkaar vastgrepen, knielden, naar hun hoofd grepen of op de grond vielen.

Hoelang het geduurd had?

Eeuwenlange seconden, zestien minuten lang.

Lang genoeg om de prijslijsten en menu’s van de restaurants en bistro’s door elkaar te hutselen, aartsrivalen Faye Abernattie en Maurice Dujardin in een dodelijke omhelzing te dwingen, traiteur John met het getande zaagje van zijn leatherman door zijn linkeroog zieltogend naar de Spoed van het UZ te doen transporteren, patron Carl tegen zijn geaardheid in bovenop een inmiddels dode wijnkelnerin aan te treffen en menig ander stedeling uit de onmiddellijke omgeving gewond of gestorven te betreuren.

Nand Dagschotel, kampioen van het vallen, overleefde de ravage.
Joppe Meivink, pechvogel, werd buiten westen geknokt door een zwevende kapstok, bood van dan af nergens meer weerstand tegen en vrijwaarde aldus zijn lijf van overlijden, omdat hij per toeval onder een beschermende tafel met een marmeren blad was beland.

Zeven dagen later zat de H. Horekerk op het Thomas van Aquinoplein stampvol.
Anderhalf jaar later werd door het straatnamencomité de bewuste straat herdoopt tot de Nicolaas van Myrastraat. Voorheen was het de Dollemanstraat geweest.

02-01-16

DE MOORD OP KILLMOUSKI

DE MOORD OP KILLMOUSKI

Het was in het holst van een bloedhete zomer. Half Europa had vakantie genomen; de andere helft lag op apegapen door de aanhoudende hitte. Golfbalduiker Gianluigi Pentangeli, booreilandbediende Rita di Laurentiis en onderwaterlasser Archangelos Karvelas waren aan het snorkelen in de Libische Zee bij het eiland Gavdos, het zuidelijkste punt van Europa – een speldenprik op geografische kaarten. Aan de overkant lag Afrika. Op het strand bewaakte dobbelsteeninspectrice Ilina Tsjechova hun kleren, hoewel er geen levende ziel te bespeuren viel. In deze zinderende namiddaghitte bleven zelfs de schaarse hangmattoeristen en de zwervende hippies weg. Er viel ook helemaal niks te beleven op Gavdos, dat lange tijd geen water- of elektriciteitsvoorzieningen kende. Er was één taverne, bij Evangelina, waar je met wat geluk iets kon eten en drinken. Een Griekse omelet bijvoorbeeld, doorgespoeld met koude Helleense kouffos: een variant op Irish Coffee, waarbij ouzo een belangrijk ingrediënt was.

Ilina volgde met haar kijkertje het trio snorkelaars. Plotseling werd er op haar schouder getikt. Met een gilletje sprong ze overeind. Het verrekijkertje kukelde tussen de keien in het zand. Het was Killmouski Askehave in hoogsteigen persoon. De Vreselijke Deen.
‘Wat… wat voor de duivel… ‘ hakkelde ze. ‘Jij was toch… ‘
Dan kruiste ze ijlings haar armen voor haar borsten, want ze was in monokini.
Undercover crimesceneschoonmaker Killmouski grinnikte.
‘De tweeling is in blakende gezondheid, zo te zien’.
‘Wat moet je hier?’
Ilina deinsde nog een stap achteruit. Zeker weten dat die Scandinavische engerd gewapend was.
‘Ben je dan vergeten wat er in Heraklion gebeurd is, schat?’
Ilina gluurde even naar de snorkelaars. Die waren al een flink stuk naar links afgedwaald. Het zonlicht schetterde over het water en belette een duidelijk zicht op de situatie.
‘Reken maar niet op hen, schat. Ik heb je al driemaal gewurgd vooraleer ze hier weer staan. Je teerling is geworpen. Je hebt me verraden.’
‘Dat… in Heraklion… dat was een ongelukkige samenloop van omstandigheden, Killmouski. Alstublieft: begrijp dat toch!’
Er golfde één ononderbroken zwarte wenkbrauw boven zijn ogen, een tweede wenkbrauw was naar beneden gezakt en ontsierde zijn bovenlip; beide gingen misprijzend de hoogte in.
‘Toon nog eens je tieten voor ik mijn tanden in je zet’, gebood hij, terwijl hij een kingsize gekarteld mes tevoorschijn toverde.
Ilina’s blikken scheerden weer even over het wateroppervlak. Hel glinsterend licht alom. Toen spreidde ze haar armen.
‘Hier zijn ze.’
‘Maar… het zijn er nu drie!’ riep Killmouski Askehave verbaasd uit.
‘Ik ben niet voor niets dobbelsteeninspectrice hé’, merkte Ilina Tsjechova fijntjes op.

De undercover crimesceneopruimer, in het onwerkelijke leven bedrijfsspion, zeeg verbouwereerd in het zand neer. Toen rezen uit de Libische Zee de golfbalduiker Gianluigi, de booreilandbediende Rita en de onderwaterlasser Archangelos op.
‘En dat zijn er ook drie!’ wees Ilina.
Industrieel spion Killmouski Askehave werd in volle gelaat door een golfbal getroffen op het ogenblik dat hij opzij keek. Zijn mes zeilde een eind gek weg en plofte meters verder neer.
‘Bull’s eye!’ riep Gianluigi vrolijk. ‘Roos!’
‘Een Scandinaaf met zwart haar kun je niet missen hé!’ grinnikte Archangelos.
Een oogwenk later lag de Vreselijke Deen met opengespat gezicht in het zand te kronkelen. Zijn bloed kleurde het zand roze.
‘Die wenkbrauwen vormden een perfect doelwit. Boogje boven – boogje onder. Dat middelpunt zoog gewoon die voltreffer naar zich toe. Een uitnodigende smiley, ha ha ha!’
‘Eindelijk weer peis en vree wanneer we terug op ons booreiland zijn.’
‘Wat doen we met zijn lijk?’
‘Als bedrijfsspion: zand erover. Een diepe kuil op een stille plek, hier in dit zonnige vakantieoord.’
‘En zijn mes?’
‘Dat neemt hij mee in zijn zandgraf. Hij zal het nodig hebben in zijn walhalla.’

De booreilandbediende, onderwaterlasser, golfbalduiker en dobbelsteeninspectrice schoten wat kleren aan en togen aan het werk. In de schaduw van een grillig begroeide kalkrots op het eiland Gavdos – een speldenprik op geografische kaarten – kregen de Vreselijke Deen en zijn mes hun laatste rustplaats respectievelijk roestplaats.

29-11-15

BAKKES

BAKKES

Ik hou van maandagen. Dat is altijd zo geweest. Dan voel ik extra energie. Elke week opnieuw komt dat terug, met de regelmaat van een boeddha. Hiermee sta ik waarschijnlijk haaks op zowat iedereen. Net zoals ik echt wel van ‘slecht weer’ hou: regen, wind, storm, boze buien.

Het was zo’n maandagavond met gezellig herfstweer. Het woei zichtbaar en hoorbaar. Fijn zo. Ik had drie dagen in Friesland en Nederland achter de rug, in het kader van een project met dichters en beeldend kunstenaars. Leeuwarden, Harlingen en Rotterdam waren meegevallen. Weidsheid van landschappen; grenzeloosheid van hotelkamers; wind toe.

Als het hier in Harlingen stormt, liggen de toeristen te schudden in hun pensionbedden.

Dat werd dus weer even ontwennen. Gelukkig was het een maandag. En avond. Er was wat te doen.

Mijn glas wijn smaakt beter als ik het in mijn rechterhand hou.
Waarom ben ik in hemelsnaam ooit beginnen drinken?
Om te vieren? Om te treuren?

‘Dit is mijn laatste dochter,’ zei Karel.
Even werden we door iets treurigs overmand, want we hadden samen iets gelijkaardigs gestudeerd, vele jaren geleden in de stad met de aloude universiteit. We waren alumni.
Zou zijn saus naar bloem smaken nu hij niet meer kookte?
We schuifelden weer naar binnen om de resultaten van de spellingwedstrijd te aanhoren.
Het aulaperspectief. Hoe hoger je zit, hoe minder je blokt, hoe dieper je kijkt. Neerkijken op de ruggen van de uitslovers op de eerste rijen. De docerende prof een profje als een popje: als Mick Jagger op een te ver en te groot podium.
Ouwe studiereus K. en nazate Hinde kon ik nergens in mijn vizier ontwaren. Ik had halfweg de aulahelling plaatsgenomen, zoals ooit, altijd, vroeger, nu.

Correct opschrijven is niet zo’n kunst als schrijven.
Zelfs spreken. Neem nou de uitspraak: ‘Dit is mijn laatste dochter.’ Of betrof dat een verspreking? Mislukte humor?

Ik eindigde in de eerste vijf (klinkt beter dan ‘de vierde’), met een last van zes spelfouten. Bij de prijsuitreiking vooraan ontwaarde ik Karel helemaal bovenaan in de aula. Hij was rechtop blijven staan. Zijn Hinde zat glimlachend op de derde rij vooraan.

De oude competitiegedachte. Ik stam uit tijden waar testen nog ‘ombesten’ werden genoemd, of ‘proefwerken’. Heerlijke vreselijke woorden.

De laureaat stak ongevraagd een euforische speech af, waarbij zijn stem voortdurend oversloeg. Een kind zo blij als een kwetterende vogel op een tak.
Mijn prijs bestond uit een belachelijk kleine radio en een lelijk boek. De laatste dochter en haar vader waren inmiddels spoorloos. Jammer, want er was weer wijn. En nog meer van dat sterk fraais, toegeleverd door de organiserende provinciale televisiezender. En ik had ietwat geëxcelleerd. Een vierde plaats was erg, onbeduidend en gedoemd om vergeten te worden, maar ook egostrelend, hartverwarmend en onverdacht. Tel uit je winst.
Toen pas viel het me in dat Karel niet zo lang geleden weduwnaar was geworden.
Sommige versprekingen zijn dus geen versprekingen. Hoe vreemd ze ook klinken.

Zeg nooit nooit.
Ik heb het zelf druk gehad de laatste decennia: oorlogen, overstromingen, revoluties. Maar Karels vrouw is dood.

Tijdens de tweede receptie slaagde ik er in de radio en het boek ergens onbeheerd achter te laten, zodat ik die niet mee naar huis hoefde te nemen. Het was mijn offer aan Hinde, de moederloze. Zij zou die lelijke prullaria echter niet aantreffen en meenemen: ze was ondertussen immers al afwezig.

Aflijvigheid en afwezigheid.

Is correct spellen belangrijk?
Hoogtepunten kunnen dieptepunten betekenen. Een cliché als een kathedraal met duivenstront op: waar zijn we mee bezig?
Bloedrood was de vlag van de Russische revolutie. De felbevochten vrijheid bleek net zo vreselijk te zijn als de vorige onvrijheid.

We bleven met enkele prijswinnaars en verslagenen op de receptie hangen, die georganiseerd was door het provinciale televisiestation. Zoals vaak gebeurt, gedroegen de verslagenen zich als winnaars. Woorden kregen accenten; zinnen uitroeptekens. Interpunctie was tijdens het wedstrijddictee nochtans onbelangrijk geweest.

Oog om oog, tand om tand: blinde, tandeloze wereld.
Wat waren we hier eigenlijk godgenageld aan het vieren?
(hippopotomonstrosesquippedaliofobie? tourettesyndroom? ideeëloos? przewalskipaard? Boerenkoolstronkeradeel? ditjes-en-datjes? Belgenmop?)
Waarom stonden we hier alcoholhoudende dranken tegen onze ruggengraat te kletsen?

Sommigen hadden wekenlang voorbereid, gestudeerd, lijsten aangelegd. Anderen geen seconde. De winnaars kwamen uit de categorie van de secondelozen. We vierden dus aanleg en talent, niet arbeid en ijver.

‘Het is nog maar mijn eerste keer.’ (Lode)
‘Een drukke job hé; belet een en ander. En dan dat kind nog.’ (Claude)
‘Maar twee dagen gestudeerd. Nou: een weekend, pakweg. En dan nog.’ (Lode)
‘Ik heb het nochtans altijd anders geleerd.’ (Claude)
‘Wanneer is dat nu weer veranderd!?’ (Lode)
‘Dat klopt toch niet?!’ (Claude)
‘Het Groene Boekje zegt het anders.’ (Lode)
‘Het Witte… ‘ (Claude)
‘De Dikke… ‘ (Lode)

Ik was een top 5’er en kon dus onbeschroomd van groep naar groep fladderen. Zo ontdekte ik dat de laureaat van de provinciale spellingwedstrijd godgenageld godverdomme aan het tourettesyndroom leed.

Perfectie is saai. Steven Hawking heeft 24 uur per dag lijfelijke verzorging nodig. Esopus had een bochel en werd de vader van het fabeldicht. Homerus was blind en schiep een formidabele wereld. Erasmus leed aan jicht en hield de kamer om zijn Lof der Zotheid te kunnen schrijven. Ronsard was doof en werd de recordhouder van de welluidendheid in de Franse bellettrie. Andersen was lelijk, wou de toneelbühne op, maar schreef uiteindelijk sprookjes. ‘Zo is de mens gebouwd, dat zijn ellendigste gebreken vaak de voorwaarden worden tot zijn schitterendste heerlijkheid.’
Dat laatste citaat is van Anton van Duinkerken, uit ‘De menschen hebben hun gebreken’. Who the fuck is Anton van D.? Dat essay, of een flard eruit, prijkte in een van onze leerboeken van het laatste jaar middelbare school, ook wel ‘de retorica’ genoemd. Dergelijke ouwelullenkoek werd toen nog door de strot van zeventienjarigen geramd, in de jaren dat de verbeelding aan de macht gekomen was. De timing zat verkeerd. Thans ben ik vergevingsgezind… geworden.

Tourette dus, en hij dronk gvd nog whisky ook. De regionale zender had zelfs voor sterkedrank gezorgd vanavond. Waren ze er misschien op de hoogte van dat de spellingkampioen – die niet aan zijn proefstuk toe was wat ereplaatsen betrof – ook een notoir whiskyslurper was? Hadden ze sterke vermoedens gehad dat hij hier het hoogste schavot zou halen? Ik zag dat Lode en Claude ook de wijn ingeruild hadden voor een gouden godendrankje.

‘QUICK – OP JE BAKKES!’

Alles stokte even, een fractie van een seconde maar. Ik merkte dat de meesten op de hoogte waren van het schone gebrek van de spellingkampioen. Die stond nog immer glunderend en naglimmend met een stevige Jameson in de hand, die hij ten hemel hief als een gewijde kaars. Ik keek naar zijn bakkes – dat verdomde kingewas ontsierde het gelaat van vele intellectuelen, nog altijd, jaren na Castro, Che, Cat Stevens en andere pedagogen.
‘Mijn eerstgeborene is ook een prima speller,’ zei ik, terwijl ik ook een whisky van het aangereikte blad plukte. Ik breide er onmiddellijk een vraag aan, richting Jean-Luc, de laureaat: ‘Heb je stevig voorbereid? Gestudeerd?’
‘Is deze eerstgeborene hier aanwezig?’ informeerde Jean-Luc. Hij richtte zich in zijn volle lengte op.

Die boer saai. God maai. Maar waar skuil die papegaai?

‘POTEN EN KLOTEN!’

Enkelen draaiden hun gezicht weg om het even kort uit te kunnen proesten of op z’n minst onbevangen te glimlachen.
‘Nee,’ schudde ik met opeen geklemde kaken.
‘Ware het niet van dat domme streepje in New York, ik had maar twee fouten.’
‘Een streep door je rekening, Jean-Luc, haha.’
‘God zit in het detail, hé.’
‘Als Hij in het detail zit, dan mag je vitten.’
‘Een stom streepje te veel, gvd.’
Ik had wat moeite om er na de wijnvloed ook de Jameson doorheen te sluizen. Mijn lijf protesteerde tegen deze vurige aanval. De whisky zocht zich weerspannig een weg naar mijn maag. Ik huiverde.
‘Drie dagen,’ zei Jean-Luc, terwijl hij te dicht met zijn gezicht het mijne naderde.
‘Maar voorheen allicht jaren?’ veronderstelde ik.
De spelkampioen glimlachte bevestigend. Hoeveel keer was hij niet tweede en derde geworden? Hoe vaak niet had hij het onderspit moeten delven tegen de grijze meneer Dhaenens, die ook op nationaal vlak excelleerde en diverse keren het ereschavot mocht beklimmen?
Eindelijk bereikten de deugddoende nevelen van de whisky mijn brein, waar zich ook al wijnaroma’s hadden genesteld.

Erasmus schreef aan het eind van zijn Lof der Zotheid enkele zinnen die gingen over tijdens het drinken iets zeggen en gelukkig zijn dat je dat later weer vergeten kunt, of zoiets, zijn exacte woorden ontsnappen me momenteel, althans in de goede volgorde. Ik ben ze vergeten. Ik ben gelukkig.

Jean-Luc maakte plotseling slagzij, struikelend over een van de fauteuils die in de hal stonden. Als een dronken ledenpop kantelde hij weg uit ons vizier. Lode en Claude zeulden zijn grote lichaam weer rechtop. Zijn glas diende bijgevuld te worden; de inhoud (zo die er al was geweest) bleek ofwel verdampt ofwel verspild. Ook ik verleende enige houterige medewerking, ondertussen zelf een gulp whisky op zijn jas morsend, want ik had mijn glas in mijn hand.

Hebben ze in Amerika dan iets tegen liggende streepjes?
New Orleans. San Francisko. Saint Louis.

Er heerste weldra geen onderscheid meer tussen winnaars en overwonnenen. We vormden één gezellige spellingbende, min de afwezigen die ongelijk gehad hadden naar huis te gaan. Die wijn, die whisky: die hadden we verdiend, verdomme.
Jean-Luc bewaakte angstvallig zijn hoofdprijs, die op de fauteuil lag waaroverheen hij daarnet gekukeld was: de dikke Van Dale. Hij week niet van diens zijde en wenkte zelf de hostess om verse scheuten heildronk. Hij verzette geen voet meer na zijn val.
Drie fotografen hadden zijn gelaat vereeuwigd. Ook de tweede en de derde prijs mochten op diverse foto’s. Mijn vierde plaats volstond niet voor de eeuwigheid. Ik was nochtans in de eerste vijf. Er kon wel even een groepsfoto af, die ze achter onze rug toch zouden deleten.
Buiten klemde de duisternis het gebouw in. Wind gierde en loeide over landerijen en door steden. Het alfabet sluimerde in bibliotheken, scholen, huizen en dorpen. Hier was het alsnog springlevend.

Bestaat er zoiets als een dronken alfabet? Scheve letters? Kan het fonetisch schrift nevelen en vredig-vlezige articulatie weergeven? Een teveel aan welbevinden en roesmiddelen? Lijzigheid, slordigheid, overhaasting? Gestruikel en gestamel?

‘BAKKES!’

Johan Hendrik van Dale was een schriel mannetje dat elke ochtend vroeg opstond. Vooraleer hij aan zijn beroemde Dikke begon, was er al veel werk verricht. En na zijn dood gingen de werkzaamheden onverdroten verder, door zijn leerling Jan Manhave. De magere Johan Hendrik werd de naamgever van de bekende Dikke.
‘Ben je al eens in Sluis geweest, Jean-Luc?’
‘Eh… ja.’
‘Voor een eerbetoon aan de Dikke, hé.’
‘De Groene is heel wat dunner hé, haha.’
‘Ik zou… ‘
Met een onverwachte houterige tolbeweging draaide Jean-Luc Versingel om zijn eigen as (we dachten even dat hij andermaal wou vallen) en laveerde tussen de diehards door naar de toiletten, hier en daar mensen aanstotend, als een balletje in een flipperkast. Hij had zijn glas meegenomen. Zijn Dikke Woordenboek bleef nu onbeheerd achter.
‘Wauw: die laat er geen gras over groeien, zeg!’
‘Nee, alleen schaamhaar.’
‘Hi hi hi.’

In deze poel van ellende werd ik plotseling overmand door een grenzeloos gevoel. Ik verlangde eensklaps grondig naar een herontmoeting met Liesbeth van G. uit Rotterdam en Gea K. uit Leeuwarden, beiden beeldend kunstenares.
Waren het de Friese landschappen van Gea?
Waren het de Rott’damse hotelkamers van Liesbeth?
Was het de oneindige droefenis van Vlaanderen op een maandagavond die reeds te ver gevorderd was?

Ik tolde op mijn beurt ook om mijn eigen as en verdween zonder boe, bah, dubbelpunt of uitroepteken in de avond. Boomkruinen ziedden; struikgewas schuimde. Ik plaste in het wilde weg en kroop juichend achter het stuur van mijn Saab.

Van de klakkeloze letteren en de woede der leestekens, verlos mij, o Heer.
Een beeld zegt meer dan… blablabla…

Ik moest mezelf dwingen het station links te laten liggen en de neus van mijn auto richting thuis te volgen, waar ik terstond mijn e-mailverkeer activeerde. Rotjeknor en Leeuwarden ontvingen avondpost.
‘De vierde plaats,’ deelde ik mijn vrouw mee. ‘In de eerste vijf.’
‘Dat ruik ik,’ zei ze.

Regen tokkelde met een vast percussiepatroon op het dak. Het was acht uur. De telefoon zoemde. De net-nietwinnaar van de spellingwedstrijd gisteravond belde.
‘Heb je het al gehoord?’
‘Wat zou ik al gehoord moeten hebben? Het is pas… ‘
‘Jean-Luc is dood.’
‘He?’
‘Jean-Luc heeft zich in zijn eigen tuin opgeknoopt.’
‘Dat meen je… ‘
‘Ja ja: vanochtend vroeg. Ik werd opgebeld door de politie. Zijn vrouw… De politie… ‘
‘Maar potverdorie toch… Hoe kan dat nu?’
‘Aan een boomtak.’
‘Ik bedoel… ‘
‘De tak van een boom.’
‘Ja ja.’
‘Ze zullen jou ook nog bellen.’
‘Wie?’
‘Ewel: de politie.’
‘Mij??’
‘Jij was toch vierde?’
‘Ja… maar…‘
‘Wij waren toch de laatste getuigen van zijn leven op aarde?’
‘Maar hoe is dat nu zo plots… ‘
‘Ja ja… ‘
‘De tak van een boom?’
‘Een boomtak.’

Zoals bleek, enkele uren en gesprekken later: spellinglaureaat Jean-Luc Versingel had zich met behulp van een stoel, een touw en een boomtak ’s ochtends vroeg het leven benomen, in zijn eigen tuin.

Zoals bleek, enkele dagen en vele gesprekken later: hij was die ochtend vroeg opgestaan, nadat hij de avond ervoor laat thuisgekomen was. Zijn vrouw dacht dat hij eruit moest om te plassen. Dat bleef duren. Na een halfuur was hij nog niet terug. Toen ging ze naar beneden en keek ze door het venster.
De regionale zender had er een kluif aan. Zij hadden immers het wedstrijddictee georganiseerd.

Uit ‘goede bron’: hij leek in bidhouding tegen de boom te leunen.

Uit ‘goede bron’: het touw lag al geruime tijd gereed.
Uit ‘goede bron’: hij zou ooit gezegd hebben: er zal veel volk zijn op mijn vijftigste verjaardag.

Jean-Luc Versingel werd op zijn vijftigste gecremeerd, na een begrafenis waar vooral onbegrip heerste. Zijn doodsprentje werd verdorie nog ontsierd door een spellingfout, maar alleen de specialisten zagen dat. Er ontbrak een liggend streepje in zijn voornaam.

‘Jean-Luc, met streepje,’ dacht ik, terwijl ik zijn gedachtenisprentje vooraan ging ophalen, een muntstuk in de schaal legde, in het voorbijgaan even zijn kist aanraakte en me dan met poten en kloten weer de Aloysiuskerk uit spoedde.

Ik had mijn blikken niet over de stoelenrijen laten zwenken op zoek naar spellingspecialisten.
Ik had zijn vrouw niet gezocht of gevolgd, ook niet toen zij naar voren werd geleid.
Ik had met mijn bakkes afwisselend naar een oneindige verte en naar de grond gestaard.

In de latere namiddag hoorde ik het PING! van binnenkomende mails.

Liesbeth had wellicht uren aan haar laptop doorgebracht. Ze zond me een overzicht van haar leven de laatste vijf jaar. Daarin speelde een mythomane man/minnaar de hoofdrol. Momenteel lag hij stervende in een Belgisch ziekenhuis, als slachtoffer van een criminele overval of afrekening, maar dat was niet eens zeker. Er waren zoveel leugens in zijn leven als er haren op zijn kop stonden. Haar verhaal was een nachtmerrie bij klaarlichte dag.

Gea bleek onlangs door een galerijhouder in Amsterdam financieel geplunderd te zijn. Ook de lokale kunststichting waar ze tot dan toe mee samenwerkte, had haar via kleine lettertjes en door slechte afspraken een som geld afhandig gemaakt. Ze wou als troost een week lang door de stad zwerven, allerlei slechte oude gewoontes weer oppikkend. En of ik zin had om daarbij te zijn.

Sommigen moesten eens goed op hun bakkes krijgen, van iemand met stevige poten en kloten aan zijn lijf.
Meer heb ik niet te zeggen: de tirette van mijn mond is dicht. Het is de eindstreep van alle woorden.

29-10-15

PERCUSSIE

PERCUSSIE


Perikles Vandewoestijne gooide de kap over de haag, ging ’s avonds deeltijds lesgeven aan volwassenen die vroeger op hun schoolbanken nooit goed hadden opgelet (eufemismen dienaangaande: Avondonderwijs, Open Universiteit, Tweedekansonderwijs, Tweede-Levensschool, Levenslang Leren, van dat gesubsidieerd verbaal fraais) en huurde een sociale woning op het woonerf Koornbloem, waar hij een van de ongeveer 300 randstedelingen werd, voldoende onbekend, voldoende bekend, zoals het een bewoner van zo’n woonerf betaamt.

Een nieuwe auto veroorzaakte in zo’n biotoop even een rimpeling van nieuwsgierigheid; een nieuwe bewoner sorteerde eenzelfde effect: een rimpel, wat gemompel, een gordijn dat even bewoog. Voor de rest betekende een bestaan op de Koornbloem een leven op later en dood. Je had er altijd het gevoel een beetje levend begraven te zijn, in een massagraf wel te verstaan: de Koornbloem was vooral een slaapwijk aan de rand van veel drukte. Veel piepjonge gezinnen (twee ex-kinderen, twee ukken) hokten er niet. De Koornbloem leek eerder voorbestemd om onderdak te bieden aan nieuw-samengestelde gezinnen met oudere weekendkinderen, veertigers en vijftigers in de wacht gezet op het komende grootouderschap, failliete yuppies met een ‘lange arm’ bij stad en bouwmaatschappij en een aantal partnerloze pechvogels. Een seriemoordenares, een spijtoptant in een beschermingsprogramma of een kroongetuige from out there zouden er een perfect anoniem leven kunnen leiden.

Ex-priester thans leraar Perikles Vandewoestijne was op zoek naar zo’n leven: rustig, gelijkmoedig, dicht genoeg bij een stad (apotheker, bieb, wassalon, tearoom), op schootsafstand van de boezem van moeder natuur (wandelingetje, stilte, maïs, leeuweriken). Hij wou zich oefenen in anonimiteit, grijsheid, veiligheid, doorsnee, onbekendheid, na het verzaken aan de roep des Heren en aan het haken van scholieren naar kennis van Frans en Latijn. Perikles Vandewoestijne wou boeken lezen, een aperitiefdrank brouwen en later misschien zelfs een boek schrijven.

Hij had echter buiten de vijftienjarige Yuroslav Vanwijnsberghe gerekend, die zich ook wou oefenen: in lawaai op ritme, percussie met name. Onder de inwoners van de Koornbloem gezegd en niet gezwegen: drums. Die woorden alleen al! Percussie perforeerde je trommelvliezen; drums deed iets met je grondvesten.

 

Uitzondering op de Koornbloem-regel: Yuroslav was levendig lid van een kroostrijk eenoudergezin. Het vijfkoppige stammetje werd geleid door een moeder: een veertigjarige ‘goedbewaarde’ vrouw wier man jaren geleden in de Eerste Golfoorlog verdwenen was. Deze moeder torste nog altijd lange, ravenzwarte haren en twee prachtige vooruitzichten.

Elke dag, op vakantiedagen tot twee-, driemaal toe, weerklonk omliggend het geroffel, gebonk en gedreun in de beste traditie van vele drummers ter wereld: die van eeuwigdurende egostrelende zelfbevlekkende solo’s. De jongen wist van geen ophouden. En het ging crescendo, samenvallend met het opdagen van een moedervrijer in het huis. Blijkbaar nam Yuroslav ook lessen: geleidelijk verfijnde zich zijn geklop. Keerzijde van de medaille: de sessies verlegden zich nu naar de ochtenden en de avonden.

Toen leek er plotseling een kentering te komen. De middelste juliweken verliepen geluidloos, althans wat deze vorm van muziek betrof. Perikles Vandewoestijne, en met hem een aantal wijkbewoners, haalden opgelucht adem. Deze opluchting was echter kortademig: tijdens de ochtenden en de avonden van deze rustige midzomerweken werd de buurt, althans de binnencirkel omheen het dekselse drumhuis, vergast op een partituur van gekreun, geschreeuw, gehijg en somtijds gegil. Waar dit nodig was, lokten de mensen hun kinderen weer naar binnen, want ze hadden al vlug door dat het hier de nagelnieuwe minnaar betrof die tekeer ging met zijn kersverse buit. Beiden onderschatten blijkbaar de kwaliteit van de isolatiematerialen op de wijk Koornbloem.

‘Of net niet,’ weidde een dichte buur verder op dit thema uit. ‘Omdat ze weten dat iedereen hier altijd alles hoort. Ze kunnen zich gewoon niet inhouden tot de jongen terug van zomerkamp is. Die werd verplicht om drumlessen te nemen en elke ochtend en avond van bil te gaan op zijn trommelvellen. Valt het jullie niet op dat dat geklop begon met de intrede van dat nieuw lief van haar? Enfin: harder geklop toch. Uit goede bron (mijn stiefdochter volgt fagot in de academie hier) weet ik zelfs dat hij maar 55% haalde voor zijn boenke-boenke examen. Maar hij moet ermee doorgaan van de moeder en haar nieuwe vent, en wel op deze tijden van de dag, want ze kennen de bedenkelijke kwaliteit van de isolatie op de Koornbloem, en ze weten allebei ook dat ze zich onmogelijk… ‘

Voor een keer schaterde een buurtkliekje het uit, Perikles Vandewoestijne (die ook voor de eerste keer naar buiten was gekomen) inbegrepen, midden in de zomer, midden in het verhaal van de dichte buur, terwijl ze op het binnenpleintje genoten van de avondzon. Voor een keer barstte geschater los op de Koornbloem, en geen geklop of gedreun of gebons. Daarna werd het weer stil en spitste iedereen de oren met een brede glimlach om de mond, ex-priester thans leraar Perikles Vandewoestijne inbegrepen.

‘Wanneer komt de jongen terug uit vakantiekamp?’ vroeg hij dan, om het ijs te breken.

29-09-15

HOREN EN ZIEN

HOREN EN ZIEN

 

Loredana Van Eyck zat tussen de tientallen zomerkleuren in de tuin van haar ma. Ze hoorde de bloemen. Het blauw overheerste momenteel, in vele schakeringen. Ma had een blijkbaar een blauwe periode. Het oranje, altijd ietwat vreemd of onverwacht in de natuur, hield zich op twee plekken bescheiden op de achtergrond. Een enkele felgele bloem (één volstond) schaterde uitbundig naar het perk waar al dat blauw in rood overging. Het water in de vijver was bedekt met groene bladeren, waarin reeds de allereerste okersporen van verval zichtbaar waren, en waaronder goudkleurige vissen voorbijgleden.

Loredana Van Eyck was blind.

De combinatie van een witte en een bruine vlinder, zoals die momenteel samen door de tuin dansten, zou een feest voor haar ogen geweest kunnen zijn. Maar Loredana Van Eyck was blind. Ze rook wel de kleuren. Ze droomde er ook van een concerto voor bloemen en planten te componeren.

Spreeuwen (in een herfstzwerm bijvoorbeeld) reageerden dertienmaal sneller dan mensen; vandaar de magnifieke patronen in die zwermen: puur communisme, pakweg in oktober boven Rome. Geen enkele vogel die de collectieve zwierigheid van het duizendtal verstoorde.

Zo snel was ook Loredana, maar dan moederziel alleen. Blinden vertoeven zelden in zwermen. Zo zag en voelde ook zij veel vlugger dan ziende stervelingen de dingen aankomen. Dat was natuurlijk het bekende verhaal. Ze zat bijvoorbeeld al weer veilig binnen toen het begon te regenen. Even later beluisterde ze glimlachend de percussie van de droppen op het dak van de veranda.

Loredana Van Eyck was bang voor haar gedachten omdat die vaak even later ook werkelijkheid werden. Neem nou de krant. Een zelfverklaarde kwaliteitskrant dan nog wel. Daarin stond het bericht (op de voorpagina; het was echt wel komkommertijd) ‘Concerto voor wortel, hoefblad en prei’ : een Brussels kunstenaar had een cd uitgebracht met muziek van planten en groenten. Voorheen bleek hij ook windschilderijen te hebben gemaakt. En onlangs nog had Loredana – voor de hoeveelste keer? – over zo’n concerto gefantaseerd.

Twee dagen later verscheen in diezelfde krant nog eens iets over de kunstenaar Panamarenko, over zijn volgehouden pensioen met name. Had Loredana daar niet pakweg twaalf uren geleden ook aan gedacht, zomaar, zonder aanleiding?

Ze repte daar met geen woord over tegen haar moeder, die haar elke dag de gesproken krant bezorgde, of er soms de hoofdberichten uit voorlas. Ze vond het op zich al onmogelijk zoiets aan anderen mee te delen.

En er deden zich nog vreemdere zaken voor. Mama veroorzaakte bij het voorlezen van de krant een chocoladesmaak in Loredana’s mond. Neerstrijkende of wegvliegende vogels deden haar rillen en het koud krijgen. Kamerplanten begonnen soms hardop te… nou, wat was dat? Hoe kon je dat noemen? Spreken? Roepen? Schreeuwen? Er zou een ander werkwoord voor moeten bestaan: voor het storende lawaai dat Loredana hoorde wanneer kamerplanten dorst hadden, te lang alleen gelaten werden of in te donkere hoeken moesten staan. Wolken waren watten om te voelen, te plukken en op te eten. Ze waste zich geregeld met maanlicht. Regenkabaal smaakte naar vanille; chocolade rook als een requiem. De nacht geurde elk uur weer anders. Alles kwam samen. Loredana werd er tureluurs van. Mochten de luiken voor haar ogen niet gesloten zijn, om zo te zeggen, dan hadden de mensen soms de chaos of toch minstens de overweldiging in haar ogenschijnlijk dode ogen kunnen zien.  

Het lag dus in de lijn van de verwachtingen dat Loredana’s lijf en ziel daar werk van maakten. Ze begon extra ledematen te ontwikkelen. Ze kreeg alles dubbel, zodat ze uiteindelijk over vier armen en vier benen beschikte. Omdat Loredana Van Eyck daarbij al op voorhand de problemen voorzien had, had ze haar moeder een sluimerinjectie toegediend vooraleer de metamorfose duidelijk zichtbaar begon te worden. Zwijgen werd aldus het zesde zintuig van haar moeder. Met verstomming geslagen takelde ze op drie dagen tijd al heel vlug af. Weldra bevond ze zich in het rijk van de zielen. Op de derde dag wikkelde Loredana haar in suikerspinrag en at haar op. Ze smaakte naar oude westenwind. Hierbij maakte Loredana gebruik van haar vier nieuwe ledematen, die ook op een paar dagen tijd reeds flink ontwikkeld waren.

Zoals mama al vlug minder en minder was geworden, zo had Loredana zich al snel ontpopt tot een volwaardige achtpotige meid. Ze was nu een stuk minder blind geworden. Tevens had ze nu een beter overzicht dan voorheen gekregen. Elke poot aan haar lijf (in gedachten gebruikte ze het te korte woord ‘arm’ niet meer) vertegenwoordigde immers een zintuig: horen, zien, voelen, proeven, ruiken, gewaarworden, voorspellen en zwijgen.

In haar hoedanigheid van spinvrouw maakte Loredana Van Eyck onmiddellijk werk van een all-in website. De combinatie frambozenmassage – champagnerosé – fijnevleeswarenfantasie – topless passievruchtentherapie lokte weldra klanten-aan-huis, die Loredana stuk voor stuk murw masseerde, injecteerde, inpakte en leegzoog, bij hoge nood: opat. De verdorde en uitgedroogde restanten verbrandde ze achter in de bloementuin, die nu inmiddels al andere tinten vertoonde, want de heksen van de herfst waren al druk met hun bezems in de weer. Elk vuur was een knapperig concerto.

De frequentie van de rookkolommen en de reuk ervan trokken de aandacht van omwonenden en milieu-ijveraars. Een man, afgelopen zomer nog verkozen tot wijkburgemeester, beweerde zelfs gekerm en gehuil in de opstijgende rookzuilen gehoord te hebben. Loredana, die deze gevaarlijke bewering met haar zesde poot gewaarwerd, staakte even de vuren. In plaats daarvan wachtte ze het goede moment af om de kerel een bezoek te brengen en zijn bloed voorgoed te doen stollen. Dat gebeurde op een maanloze nacht, terwijl de wijkburgemeester naast zijn wettelijk geregelde vrouw te slapen lag. De vrouw hoorde of voelde niets, want ook zij kreeg van Loredana preventief een lichte injectie, die haar tot tegen de middag door liet slapen. De jeu-de-boulesclub waar ze lid van waren, maakte de vrouw met dwingend belgerinkel wakker. Ze stonden omstreeks halftwaalf met z’n zessen klaar voor een fietstochtje annex picknick. Toen ontdekten ze dat de man dood was.

De doodsoorzaak werd bepaald op hartstilstand. Niemand merkte de minutieuze prikgaatjes in de kwabachtige delen van het lichaam van het slachtoffer. Loredana had zich beperkt tot minuscule maar efficiënte prikken, om geen argwaan te wekken.

Op de dag van de begrafenis van de wijkburgemeester – er woei een zoete wind – kringelde er weer rook omhoog uit de tuin van Loredana Van Eyck. Omstreeks halftwaalf stak een steviger wind op. Toen de stoet in een aangrenzende straat passeerde, omwille van het milde weer te voet op weg naar de begraafplaats, werden de rouwende familieleden, vrienden en kennissen onaangenaam geprikkeld door de rook die hun richting uit gedreven werd en uitgerekend op hun neersloeg. Een bepaalde rooksliert omhulde de lijkwagen als een lijkwade. Dof gemor en opstandig tandengeknars stegen uit de rouwstoet op. Ze zou ervan lusten. Ze zouden haar eens. Wat dacht ze wel. Een bijzonder onkies moment. Had je dat nu nog geweten.

Ook Loredana hief haar hoofd en snoof diep, want ze werd gewaar dat de dode kerel in zijn kist op weg was naar zijn laatste rustplaats, niet ver hiervandaan. Grijnslachend dirigeerde ze de rookpluimen ook die richting uit.
‘Beetje feestelijke wierook,’ mompelde ze. ‘Rook in vrede, amen.’
Kauwend op de zoete wind dacht ze: ‘Waarom verbranden ze dat omhulsel toch niet?’
Ze pookte het vuur nog eens op.
‘Sommigen doen voorwaar tot na hun dood nog aan grondbezit. Typisch menselijk. IJdelheid. Hebberigheid. Al die verloren ruimte… ‘

Toen brak plotseling een helse paniek uit in de rouwgelederen. Dat begon in de lijkwagen zelf. Hard geklop weerklonk in de doodskist, onophoudelijk, dwingend, vergezeld van gesmoord gebrul. De mannen en de vrouw van de begrafenisonderneming sprongen ontzet en met grauwe gezichten uit de auto. De stoet stokte. Mensen gilden en vielen flauw. De weduwe krijste dat horen en zien haar vergingen en zakte bewusteloos in elkaar.

Voorbijgangers bleven met gesperde ogen en open mond verbijsterd toekijken. Twee mannen klapten nu omzichtig het achterportier van de doodswagen open.

Het kabaal bereikte ook Loredana.

‘Shit!’ zei ze. ‘Ik heb hem niet grondig genoeg geïnjecteerd. Mijn prikken waren blijkbaar niet sterk genoeg op langere termijn. En ik had hem verdorie toch beter helemaal genuttigd. Nu herkent hij ongetwijfeld de rook die hem prikkelt!’

IJlings werd nu de doodskist uit de wagen geschoven, terwijl dat geklop en gebrul maar aanhielden. Ondertussen had een van de bediendes van de begrafenisonderneming het breekijzer opgeduikeld dat altijd in de lijkwagen aanwezig was voor het geval dat…

Zo’n miraculeus geval dus…

De kist van de aflijvige wijkburgemeester was immers hermetisch dichtgemaakt.
‘Je weet maar nooit,’ had begrafenisondernemer sr. vijfendertig jaar geleden gezegd, nadat hij gehoord had over een Mexicaanse dode die in zijn kist ontwaakt was, nog tijdens de plechtige afscheidsviering.

Ondanks opperste nieuwsgierigheid en verstomming (met uitzondering van de inmiddels vijf bewustelozen, die zich ineengedoken zittend of liggend op straat bevonden) deinsde bijna iedereen tien meter achteruit toen de bediende het deksel van de kist open wrikte en het wanhopige geklop en gebrul eindelijk ophielden. Op die vreemde onnatuurlijke geluiden tijdens de teraardebestelling van haar echtgenoot hief de weduwe haar hoofd weer.

Met bloedende kneukels en in zijn paasbeste pak richtte zich de ondode man op, naar adem happend, huilend en schreeuwend als een bezetene. Zelfs de bediendes deinsden nu een paar meter achteruit. Na een twintigtal seconden kon de verrezene zich weer verstaanbaar maken.

‘José!!’ gilde hij hoestend, terwijl hij met verwilderde blik zijn ex-weduwe aanwees, die andermaal terstond flauwviel, ‘José!! Verdomde rook!! Wa… Water, godverdomme!!!’

Toen kwam met loeiende sirene en blauw zwieplicht een ambulance van de Mobiele Urgentie Groep eraan. Iemand had in de eerste golf van paniek de spoeddiensten gealarmeerd. Nadat de ambulance zich met krijsende remmen en ware doodsverachting als een wig tussen de staande, zittende en liggende mensen tot bij de lijkwagen had gemanoeuvreerd, begaf het hart van de wijkburgemeester het voor de tweede keer. Nog altijd zat hij rechtop in zijn kist, als een baby in een bad. Nu zakte hij echter plots als een lamme ledenpop opzij, net op het ogenblik dat eindelijk een vermetele het aangedurfd had met een flesje water te naderen.

De mannen van de MUG keken ontzet naar elkaar, naar de kist, de lijkwagen, de bewusten en bewustelozen op straat.
‘Hij is weer dood!!’ gilde de weduwe, die andermaal weer even bij bewustzijn was. ‘Weer dood!!’
‘Opzij!’ brulde een witjas dan.
‘Achteruit!’ blafte een andere witjas.

Ondanks allerlei gymnastische en technische ingrepen bleef de man (die inmiddels languit op straat lag, uitgespreid in lengte door de hulpdiensten) beweging- en levenloos. De mannen van de Mobiele Urgentie Groep gaven het op, misnoegd over hun nederlaag tegen de dood.

‘Opzij! Achteruit!’ blaften ze weer. Waarna ze, andermaal in opperste verbazing, vroegen: ‘Wat is hier in hemelsnaam eigenlijk allemaal gebeurd?’
Terwijl de begrafenisondernemer het onwaarschijnlijke verhaal deed, deponeerden de MUG’ers met behoedzame bewegingen het lijk weer in de kist. Ze waren op het ergste voorbereid. Op het trottoir zakte de kersverse weduwe ten derden male in elkaar.

Toen besloot Loredana in te grijpen. Als Mohammeds doodskist tussen aarde en hemel zweven kon, dan was dat ook in dit geval mogelijk. In een mum van tijd breide ze een groot web boven de vuurput in haar tuin, voorzien van een lange ankerdraad. Het web dreef mee met de aangewakkerde zoete wind en de rookslierten, tot het zich boven de rouwstoet bevond. Dan was er geen houden meer aan. Het net zakte vliegensvlug, pakte met zijn kleverige draden man en kist in en steeg snel weer met de buit op. De collectieve ontzetting was zo verpletterend, dat bij iedereen alle zintuigen stokten.

Loredana dirigeerde met de ankerdraad het gevaarte richting bloementuin. Boven de vuurput liet ze los. Man en kist ploften met een doffe smak in de kuil, as van voorheen afgestorvenen opwolkend. De vlammen waren blij met hun verse voedsel.

Niemand van de getuigen heeft de gebeurtenissen kunnen navertellen. Alle zintuigen waren voorgoed uitgeschakeld.

Loredana Van Eyck leefde nog lang, blind en gelukkig. Ze kreeg vele bezoekers op haar website.

29-08-15

ESSENCE

ESSENCE

 

Zijn gezicht sprak nooit boekdelen. Hij verborg elk hoofdstuk zorgvuldig. Ze staken een hand vooruit wanneer ze hem naderden. Gruwelijk. Zelf deed hij dat nooit. Zweet. De vergadering, de avond, het feest, de party, het etentje was naar de vaantjes wanneer zich dat voordeed. Zeep. Hij zweette water en bloed in de nabijheid van klamhandigen. Beter ware hen een molensteen om de hals te binden en hen in het diepste der wateren te gooien dan dat ze ook maar één vinger naar hem uitstaken. Water. Onwelriekende adems bestreed hij door ononderbroken zacht voor zich uit te blazen. De aanval was de beste verdediging. Andermans adem kon hij moeilijk behappen. Elke ontmoeting eindigde in kokhalzen. Sommigen stonken naar twee warme maaltijden per dag, begeleid door goedkope rode wijn. Deurklinken en dergelijke opende en sloot hij met zijn rechterelleboog. Hij hoopte vaak dat het regende. En woei, zo hard woei dat alles gereinigd werd. Een zelfreinigende wereld.

De heer Vandernoten waste echter nooit zijn handen onder de kraan. Dat zou verondersteld mogen worden. Zo’n krampachtige halvegare die zich twaalf keer per dag verwijdert om zijn handen te wassen en zowat door zijn huid heen wrijft. Nee. De heer Vandernoten was uitermate vies van kraantjeswater. Hij vermoedde dat er urine in zat. En galopkak, veroorzaakt door antibiotica en voedingssupplementen slikkende viespeuken. Dat sommige mensen dat godgenageld nog dronken ook! Nee dus, nooit. De heer Vandernoten had in zijn keuken een kleine zandbak die hij om de twee weken ververste met Noordzeezand, dat hij bij nacht aan de Vlaamse kust oogstte. Daar waste hij om de haverklap zijn handen in, soms tot twintig keer per dag. Uitvoerig baden (gepaard gaande met de gehele onderdompeling van het vege lijf) deed de heer Vandernoten in regenwater, dat hij vermengde met allerlei oliën uit de Maghreb-landen.      

Bij het stappen ging de heer Vandernoten een geurkegel vooraf, terwijl hij in zijn kielzog een wolk neusduizeling met zich meevoerde. Men keek niet op of om omwille van zijn uiterlijk. Men haperde wel aan zijn parmantig gedragen bedwelming. Des zomers stootte hij daardoor muggen en ongedierte van zich af. Des winters werd hij achtervolgd door parasiterende okselmensen. Zijn dagelijkse kleren en zijn slaaptextiel waren doordrenkt met een weldoende essence: aanwezigheid van geur. Het resultaat van een jarenlang ontwijken van klamheid, bederf, verrotting, sportvelden, kleedkamers, fitnesscentra en fuiftenten. Zelfs zijn onderbroek – soms met de preluderende of nagelaten remsporen van zijn ontlasting erin – bleef na gebruik een zeker aura behouden. Ja: de heer Vandernoten waste dagelijks zijn lulletje in rozenwater. Jammer dat genot en uitscheiding (dank en stank) zo vlak bij elkaar zaten – een grove fout van de schepper van hemel en aarde, vond hij.

Extra gevaren die de heer Vandernoten belaagden:

duivenkwak op je kop gedropt krijgen;
in een hondendrol trappen;
een dienster die in je eetbord hoestte;
een slager die in zijn neus peuterde;
speeksel van een medemens over je heen gesproeid krijgen;
door anderen afgekloven olijvenpitten die op verse nootjes lijken per vergissing in je mond stoppen;
de fluimen van wielertoeristen incasseren (of zelfs maar constateren);
een echt haar in de boter vinden;
een dode kever in brood aantreffen;
de alomtegenwoordigheid van huidschilfers en dode haren die over de hele wereld verspreid waren;
uitgeademde lucht van anderen inademen;
zwembad- en zeewater slikken;
aangesproken worden door iemand met zichtbare neusharen;
er getuige van zijn hoe iemand na het snuiten de inhoud van zijn zakdoek inspecteerde.

De heer Vandernoten was een Leiaart. Hij woonde in de omgeving van de rivier de Leie, ooit de slagader van een bloeiende vlasindustrie in het zuiden van de provincie West-Vlaanderen. De stank langsheen de boorden van die Leie moet weleer uitgesproken geweest zijn, want het roten van het vlas gaf sterke geurhinder. Gelukkig werd de heer Vandernoten pas later ter aarde besteld, toen de Leie weer als een onbemand dus onbemind traankanaal door beemden en stadjes stroomde en een graad van vervuiling vertoonde waar niemand in die tijden van opkeek of zich om bekommerde. En toen het weer mode werd om schone wateren te eisen, en de Leie ook verbreed werd zodat ze weer met schepen bemand kon worden, en bemind door de oevervolken, en er weer vissen in zwommen, bekommerde hij zich niet meer om de zuivere natuur, want hij had de handen vol met zichzelf.

De Leie zou de heer Vandernoten echter parten spelen. In een samenzwering met een tornado liet ze het op een bepaalde valavond levende en dode vissen, kikkers en allerlei waterdiertjes regenen op zijn woning, zijn tuingazon en uiteindelijk ook op hemzelf. De watertornado zoog die op uit de rivier en dropte die weer aan land. De hele straat deelde in de vissenregen. De tornado ventileerde bovendien ook een aanzienlijke hoeveelheid riviersmurrie in het rond, die het vooral bestond op het perceel Vandernoten en de man zelf neer te dalen. Deze ongewenste bemesting dreef hem tot waanzin.

Terwijl buren en ramptoeristen vooral foto’s namen, lag de heer Vandernoten in krijtstreepjesbroek en muisgrijs zijden hemd te gronde te gillen en met zijn ledematen te wieken als een uitzinnige grasengel op zijn met visseningewanden besmeurde gazon, waar twee zwerfkatten en een nietsontziende reiger reeds duchtig aan het moorden waren geslagen. Eensklaps werd hij in open mond getroffen door een pijlsnel neerdalende tweede reiger, die in hem een reuzenvis zag. De heer Vandernoten vond aldus doorboord de dood. Met zijn laatste zucht steeg nog een restje mondspray ten hemel, terwijl de reiger er met zijn tong vandoor ging.

03-06-15

WINNETOU

WINNETOU       

 

Winnetou Degrande was noodgedwongen een navelstaarder. Hij zat al jaren in een rolstoel en keek dus nillens willens recht in de buiken en navels van de ‘lopers’, zoals hij de tweebenigen noemde. Vaak zeilden de blikken van die lopers zelf over hem heen. Dat hield twee mogelijkheden in.

1.   Eén: hij had net zo goed iets doods onder hun voeten kunnen zijn.

2.  Twee: ze probeerden luchtig om te gaan met zijn beperking en vooral niet naar zijn wielen te kijken die zijn lamme benen vervingen.

Om hem van een dezer mogelijkheden te vergewissen, diende Winnetou Degrande zelf beaat zijn hoofd te heffen en hen ogenschijnlijk onderdanig aan te kijken, als een hondje dat een koekje is beloofd als het eens gaat opzitten.

Aan de beperking van Winnetou was een ongelofelijk verhaal verbonden, niet zozeer omwille van het verhaal dan wel omwille van zijn naam. Zijn naam was er namelijk eerder dan zijn lot. Een pijl had Winnetou’s onderste ledematen definitief verlamd. Dat gebeurde toen hij elf jaar was. Elf jaar lang heette hij al Winnetou, Degrande. Nou, zo’n jongen met zo’n naam kon het in de jeugdjaren toch niet aan pijl-en-boog ontbreken?

De daders die hem zijn naam hadden berokkend (de vrouwelijke en de mannelijke verwekker, die laatste een Karl-Mayfan) kochten hem voor zijn tiende verjaardag een set van boog-en-pijlen waarop een klant- en kindvriendelijk embleem prijkte. Winnetou en zijn maten werden bedreven in de speelgoedversie van de schutterssport. Zo bedreven dat ze meer wensten. Dus begonnen ze ‘echte’ pijlen te snijden en te kerven in het gemeentepark. Zo’n echte pijl trof de inmiddels elfjarige Winnetou Degrande vol in de rug. Na vele hopeloze maanden in ziekenhuizen kreeg Winnetou dan maar wielen voorgeschreven. Van dan af leidde hij een zittend bestaan.

Op twintigjarige leeftijd werd hij dartskampioen op de Paralympics in Seoel. Hij mocht bij de koning op de koffie. Omdat precisie zijn vak leek te zijn, werd hij ook gevraagd voor het nationale rolstoelbasketbalteam. Dat hield hij even in beraad. Hij hield niet van opspattend zweet en lijfgeuren in volle actie.

Winnetoe Degrande had een grondige hekel aan het etaleren van tatoeages. Niet aan tatoeages op zich. Hoewel. Sommige waren best wel te pruimen als een soort van (hoeveelste inmiddels? tiende?) kunst. Maar het ongevraagde showen van persoonlijke iconen op de huid van vooral armen, benen, ruggen en borsten vond hij een inbreuk op de intimiteit zijn. Als je je op pakweg twintig centimeter van zo’n blote heldhaftige bovenarm of beschilderde kuit bevond, was het net alsof je verplicht werd deel te nemen aan een intimiteit die je zelf helemaal niet wenste. Zo’n tatoeage hoestte je recht in je gezicht toe. Om nog maar te zwijgen over de kijkvervuiling in de meeste gevallen: onbeduidende, niet ter zake doende Japanse kronkels, afzichtelijke draken, belachelijk gevederde indianenkoppen en in het ergste geval de vrouwennamen en de doorpijlde harten.

Dat en het gedwongen navelstaren waren Winnetou doornen in het oog. Hij kreeg er een combinatie van voorgeschoteld op een dartstoernooi in Bournemouth: laaghangende bierbuiken en bovenarmse tatoeages.

‘Hoe komen die linksrijdende eilandbewoners toch aan die gigantische bovenarmen?’ vroeg hij zich herhaalde malen hardop af. ‘Vanwaar die grote vleesoppervlakken, waarop ze hun wansmakelijke gedrochten laten schilderen?’
Beer and biology hé,’ grinnikte Freek, een teamgenoot.
‘En jij bent ook niet van de smalste, na al die jaren karren,’ merkte Jill op, terwijl ze een gespierd gebaar maakte. Zij was de lopende mascotte van dartsvereniging Pickery Club, in de volksmond: de pik erin. De eigenaar van hun stamcafé heette namelijk Ivan Pickery. Hij had het af en toe met recht en reden over ‘mijn PC’, die hij sponsorde middels een tweedehands busje om gooitoernooien mee af te dweilen. Zowel zijn café als het busje waren voorzien op lopers en tweewieligen ofte navelstaarders. Van deze laatste categorie telde de Pickery Club er vier; een mooi staaltje voorwaar van diversiteit en flexibiliteit, de intellectuele modewoorden van de laatste jaren.

Bournemouth beloofde een mooi driedaags uitje te worden. Door veel spaghetti te eten, was ook de kas van de PC gespijsd. Jill had daarbovenop nog asjeblief 300 € gewonnen met een openbare partij strippoker, voor het goede doel. Er kwam zelfs wat subsidiegeld van overheidswege – a posteriori natuurlijk, na het indienen van een dossiertje – omdat het een schoolvoorbeeld betrof van gemixte sportbeoefening en internationalisering. De PC had daar door het vallen en opstaan van alsmaar oude en weer verse regeringen en excellenties handig gebruik van weten te maken.

Mastodonten van mannen en gevaartes van vrouwen namen aan het gooitoernooi deel. Alleen de Bulls uit Exeter telden ook een rolstoelgebruiker in hun rangen, een eenarmige dan nog wel. Zelfs zittend leek hij nog de afmetingen van een reus te hebben.
‘Dat is alvast één getatoeëerde arm minder,’ grinnikte Winnetou tegen Ivan.
‘Ja, maar wij bleekscheten vallen hier wel op door ons blanco velletje hé.’
‘Die Engelsen dragen permanent de oorlogskleuren.’
Winnetou keek strijdlustig om zich heen. In de Pickery Club werd hard op hem gerekend. Hij was immers sedert de Paralympics in Seoel hun kampioen. Na urenlang getok van de pijltjes op de dartborden prijkte PC op de vijfde plaats. Niet mis voor een ploegje van het vasteland, maar het kon beter. Jill wreef Winnetou’s rechterarm en die van de anderen in met een geheime mengeling waarvan ze alleen de ingrediënten ossengal en brollèrt (een Hongaars plantenextract) prijsgaf.

Winnetou kreeg het echter stilaan op de heupen in dit bos van tatoeages op blote basten. Bijna iedereen op dit eiland leek geprikt of geperforeerd. Zowel vrouwen als mannen sjokten met heelder fresco’s op hun vel rond.

Op de derde en laatste dag struikelde zo’n vleselijk gevaarte bij het achteruitstappen over Winnetou en zijn tweewielige vehikel: een kolos met zo’n potsierlijke indiaan in zijn bovenarm gekerfd.
Bloody… !!’
‘Godverdomme… schildersezel!’ riep Winnetou kwaad. Het was even zoeken naar de juiste bewoordingen. De Nederlandstalige omstanders barstten in lachen uit.
Schildersezel!?
Maar het Engelstalige gevaarte – dat langzaam uit zijn bedenkelijke positie weer oprees; hij had even beduusd als een reuzenbaby op Winnetou’s schoot gezeten – gaf geen blijken van goodwill. Hij vatte de schaterbui kennelijk als een belediging op.
‘What did you say, wheelman?’
‘ … ‘
‘Eh?’
Er viel een geladen stilte. De oeros stond nu op drie meter afstand van Winnetou.
‘Come on, man… ‘ probeerde Freek in zijn beste Engels te sussen.
‘You watch your steps, sir,’ voegde Jill hem toe.
‘Fuckin’ wheels… Do we shoot sitting ducks here or what?’

Winnetou’s ogen veranderden in gevaarlijke spleetjes, zoals ze er de fractie voor elke worp uitzagen. Hij kneep hard in zijn bundeltje pijltjes. Ze gloeiden in zijn hand.
‘Bull’s eye!’ riep hij plotseling. Zijn hand rees en hij mikte met volle kracht zijn drie pijltjes tegelijk in de bovenarm van de kerel.
‘Roos!’
De pijltjes boorden zich gezamenlijk in het ene oog op het zijprofiel van de foeilelijke indiaan.
‘Ten points for Belgium!’
Verbouwereerd keek het slachtoffer naar de pijltjes in zijn bovenarm; aanvankelijk vergat hij het uit te schreeuwen.
‘Bastard! Stupid Belgian bastard!!’

Toen waren alle rapen gaar. De eindfase van het dartstoernooi in Bournemouth ontaardde in wat men iets later in de Engelse kranten de DARTS CLASH is gaan noemen. Eén Vlaamse krant bracht het bericht op bladzijde twee, getiteld OP JE VOGELPIK GETRAPT. De volgende dag namen alle andere kranten het bericht over. Er werd duchtig met het woord ‘pik’ gejongleerd. Winnetou Degrande prijkte plotseling op enkele voorpagina’s. De minister trok prompt de beloofde subsidie in. De Pickery Club was geen voorbeeldig ambassadeur in het buitenland geweest, vond zij.
Gevraagd naar een reactie hierop, antwoordde Winnetou:
‘Van een pijlsnelle reflex gesproken.’
Hiermee (en met de hele zaak) scoorde hij bij de bevolking, die hem vijf dagen lang als een Bekende Vlaming beschouwde.

22-04-15

KWANTUM

KWANTUM                        

(Onrust aan de kust)

 

Ik werd vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan. Met ambachtelijke snelheid en precisie ramde iemand met een hamer een stormnagel door het weekste deel van mijn schedel. Het was een aanval in de rug. Ik had mijn moordena(a)r(es) niet horen aankomen. Pas na lang zoeken ontdekte men de roestvlek in mijn haar. En dus mijn doodsoorzaak.

Op de eerste dag van de Week van de Huilende Maan, die ook de laatste week van mijn leven op dit ondermaanse zou worden, liet ik me tatoeëren bij Geraldine aan de kust. Terwijl ze met mij bezig was, las ik een boekje over kwantumtheorie. Geraldine deed daar niet verbaasd over (ze had beroemdheden van over de hele wereld getatoeëerd en behandelde iedereen op gelijke voet) en concentreerde zich op mijn rechterbovenarm, the place to paint. Ik verdiepte me ondertussen in de kwantumwetenschap dat we nog niet veel weten of het op een andere manier beweren te weten. Drie uur later verliet ik, kostbaarder dan ik gekomen was, het tatoepand, weliswaar nog gezalfd en ingewikkeld en gloeiend.

Het was een koperkleurige eindseptembervalavond. De stad lag aan mijn voeten. Omdat een mens maar op één plaats tegelijk pijn kan hebben, voelde ik me bijzonder goed. Eender welke voorbijganger wou ik de hand schudden en feliciteren met zijn of haar bestaan op deze aarde, maar gelukkig deed mijn arm pijn, en belette hij me deze expressionistische uitspattingen. Mijn zintuigen werkten ook op hun scherpst. Wanneer ik een vrouw voorbijstak, of wanneer zo iemand mij tegenliggend tegemoet stapte, inhaleerde ik diep en deugddoend. Ook mannen op mijn pad gedoogde ik welwillend. Ik wierp blikken op de avondlucht, gaf gehoor aan meeuwen en proefde van de avondbries. Moet men wat pijn hebben om zich goed te voelen? De gelijktijdigheid van pijn en niet-pijn: een kwantumgedachte?

Ik kocht in De Kombuis te veel en te grote hoeveelheden vette happen. Slechts één derde van al dat lekkers kon mijn maag aan. Intussen voerde ik een olijke conversatie met de twee door frietvet transparant geworden vrouwen achter de toog. Kwinkslagen vlogen over en weer, maar ik kreeg mijn kartonnen bordjes niet uit. Ze deden daar quasiminachtend over, mijn twee gastvrouwen, tot er verse eters opdaagden en ik hun aandacht verloor. Net op tijd, want ik speelde al met de gedachte mijn ovenwarme tatoeëring te ontbloten. Gelukkig deed deze arm echt wel pijn, nog geïntensifieerd door het gesis van het frietvet. Ik dronk in deze friettempel vervolgens twee bieren kort na elkaar, recht uit de fles in mijn slikgat. Terwijl de vrouwen met de nieuwe klanten bezig waren, kieperde ik een grote hoeveelheid vast voedsel terug in de muil van de vuilnisbak: een mens heeft altijd meer overschot dan de hoeveelheid waarmee hij begonnen is. Vreemd. Ik baande me een weg tussen de nieuwkomers om te betalen, stootte driemaal mijn tatoeage tegen vreemde lijven en dook daarna de avond en de stad in. De zon was verdwenen. Om exact 19 uur 30 schoof een perfecte vollemaan weg achter wolken. De alomtegenwoordige koperkleur werd opgeslokt door het donker.  

Ik vond het jammer dat de schemering achter de rug was. Daarom dook ik de horeca in, op zoek naar vervangkleuren, naar verdere goud- en koperglans. Na drie rappe whisky’s in De Watergeus inspecteerde ik in de pissijnen aldaar even mijn in cellofaan verpakte tatoeage. Alles stond er nog, gloednieuw. Het schroeide als een … nou: als een schroeivlek. Omdat ik kwantummatig nooit lang op eenzelfde plek wenste te vertoeven, trof ik mezelf even later in de Shakespeare aan. Daar was het opvallend rustig (ondanks het ruige karakter van de kroeg), want een dichter was er aan het voorlezen uit Eigen Meesterwerk. Ik verschanste me vlug in een rijtje van vijf aan de toog, articuleerde ‘J&B’, gebaarde ‘zonder ijs’ en luisterde noodgedwongen.

Alzo sprak de dichter:

‘Geniaal gestoord schreed hij langzaam voort’

(Iemand kuchte of lachte kort, dat viel niet op te maken uit het geluid).

 – ‘Al kon hij nog geen vismes van een kromzwaard onderscheiden.’

(Er viel een stilte. Betrof dit humor?)  

Om te beletten dat mijn J&B zou verdampen, dronk ik die in twee slokken uit. Kortstondig voelde ik aldus twee schroeivlekken: in mijn keel en op mijn rechterbovenarm. Simultaan (ik kan ook twee dingen tegelijk doen, al ben ik dan een man, nou: niet-vrouw) keek ik naar de vrouw achter de toog en vroeg me af of en waar ze een tatoeage had. Een roos op de kont? Een draak op de linkertiet? Bij het neerpoten van mijn lege glas (te hard, te opstandig, iedereen keek verstoord om, vijandigheid alom) bezwoer ik mezelf daarenboven daar niét naar te informeren, ook niet na twaalf whisky’s. Alles gebeurt eigenlijk overal en altijd, alle mogelijkheden doen zich permanent voor, hier en ergens anders en nu en later. Als niet-vrouw zou ik daar dus niet naar informeren en tevens zou ik wel en niet luisteren naar die lokaal verdoofde poëet op dat schavotje. (Het is ook altijd uitkijken met podia: op zo’n verhoog kan je het eeuwige leven verwerven of abrupt je leven beëindigd zien, dit even terzijde van het podium). Aldus voortdurend belaagd door kwantumtheoretische gedachten (wie ter wereld had die nu ook?) zag ik mezelf plotseling weerkaatst in de onvermijdelijke gigantische spiegel(s) die vaak in horecazaken onzichtbaar hangen te zijn, vaak tegenover elkaar om diepte te suggereren. Ik draaide me een kwartslag teneinde mijn Geheime Arm in zo’n spiegel stiekem en ten volle te bewonderen. Na tien dagen, had Geraldine me gezegd, en na vele zalfbeurten pas, mocht ik mijn stigma ontbloten en aan de openbaarheid prijsgeven. Het mooiste echter, had Geraldine me toevertrouwd, was daar nooit ostentatief mee ‘bloot’ te lopen, maar te opteren voor een kledingstuk dat alleen maar een uitloper van de tatoeage liet zien. Dan kon een nieuwsgierige desgewenst… etc… etc…

Ik gebaarde nog eens hetzelfde, want het was mijn feestavondje en ik zou in deze kuststad overnachten in hotel Celtic. Intussen murmelde de dichter verder over en uit zijn Eigen Meesterwerk. Ik telde dertien klanten die tot luisteraar veroordeeld waren. Enkelen ervan keken moeilijk. De anderen, zo te zien ruigrockers, keken wanhopig verlangend, en hun wanhoop en verlangen betrof het einde van die godgenagelde spreekbeurt.

Toen brak eindelijk bevrijdend geroezemoes los, de dichter struikelde levend en wel van zijn schavotje en de waardin sloeg strijdvaardig een keukenhanddoek over haar linkerschouder: het volle leven nam weer een aanvang.

‘Wat vond ge d’ervan, hé?’
Ik werd onbevangen aangesproken door een kolos met een hangsnor, waartussen ik een gerolde peuk ontwaarde.
‘Niet mis voor een zwaardvis.’
Ik kapte mijn inmiddels volgende whisky achterover.
‘Zijt ge nu aan ’t lachen?’ informeerde de kerel donker.
‘Wat?’
‘Lacht ge nu?’ (Een klemtoontje dreigender)
‘Bah neen. Ik … ‘
(Ik ontwaarde plotseling enige gelijkenis tussen deze grote man en de dichter: ze waren beiden ros van haren en beiden bereikten een zekere lengte, maar de dichter was mager gebleven).
‘Ge moet het maar zeggen, hé.’
Hij plukte de peuk van tussen zijn snorharen, blies de rook in mijn gezicht en bood me vervolgens een claustrofobisch panorama op zijn rug. Ik eyeballde even gespeeld-verbaasd de waardin, die me een kille, vernietigende blik gaf. Toch kreeg ik op mijn wenken een volgende zuiltje gouden geluk.

Even later schaarde die Snorremans zich met enkele kompanen rond een boomtronk, waar ze om de beurt met een hamer nagels in dreven. Het betrof een geheimzinnig spel, dat ik nooit goed begrepen had. Af en toe incasseerde ik dreigende blikken vanuit die hoek. Ik had de indruk dat die boomtronk mijn kop verbeelden moest. De dichter had inmiddels het pand al verlaten, na door niemand aangesproken te zijn.

Werd het geen tijd voor mij om weer eens te verkassen? Die tijd begon vloeibaar door elkaar te lopen. Ik hoorde de geluiden dikker worden. Ook mijn ruimte nam bij wijlen al eens andere meetkundige vormen aan – met name mijn velden begonnen te variëren en te fluctueren. Net toen ik besloot op te stappen, werd ik eensklaps ingepalmd door de expressionistische gedachte deel te nemen aan dat geheimzinnige hamer- en nagelspel. Ik kon immers beide realiseren: terwijl ik opstapte, even deelnemen, of, andersom, eerst deelnemen en daarna opstappen. Dat betrof een prima gedachte. Ik besloot het sjabloon waarop deze gedachte steunde voor toekomstig gebruik te bewaren.

De Snor viel zowat achterover van verbazing toen ik hem om zijn hamer verzocht 

– ‘Geef een keer hier dat ding’ –

en tot mijn eigen verbazing bevond ik me inderdaad tussen drie ruige kustkerels rond de boomtronk.

‘Wàt?’
‘Geef een keer dat ding.’
Verbazing tackelde woede: ze waren zo overdonderd dat ze me de hamer overhandigden.
‘Kent ge de regels?’
‘Ik klop er niet naast. En ik leef tussen de regels.’
‘Jaja, daar gaat het niet over, zwaardvis.’
‘Er hangt plastiek uit uw mouw.’
Ik propte het cellofaan weer onder mijn T-shirt en besefte plotseling dat ik al geruime tijd geen schroeipijn meer voelde.
‘Hang je-gij met plastiek samen misschien?’
Zeemansgebulder rond de tronk. Van achter de toog de schelle lach van de vrouw. Ik hief de hamer en tegelijkertijd flitste het door mijn hoofd dat ik mijn boekje over kwantumtheorie bij Geraldine laten liggen had.
‘Godverdomme,’ mompelde ik.

Tot driemaal toe zwierde ik de hamer in een baan om mijn hoofd, wetende dat een zwaarder voorwerp zijn eigen tijd en ruimte veroorzaakt. In deze gloednieuwe kortstondige eeuwige ruimtetijd deed zich een visioen aan mij voor waarin een draak op een kont en een roos op een tiet figureerden, terwijl in een coulisse die helle lach versterkt opflakkerde. Dat heelal bezorgde me een opstoot van kracht en energie.

In één klap zag ik het hele interieur verdwijnen, boedel en gasten inbegrepen: mijn hamer had zoveel kracht ontwikkeld dat hij reeds de grote muurspiegel achter de toog versplinterde terwijl ik nog dacht dat ik hem in mijn hand had en de tegenliggende muurspiegel aan de achterwand simultaan deze vernietiging weerkaatste. Postnucleaire stilte gevuld met gesuizel van daarnet neervallende spiegelsneeuw daalde één lange seconde neer in café Shakespeare.

Een flits van luciditeit vertrekkend vanuit het ene hersenspoortje dat nog niet met whisky gecontamineerd was, bood me deze accolade:

* onbekend in deze stad

* onzichtbare tatoeage

* verrassing

RUN

Ik sneeuwde pijlsnel het pand uit.

Pijlsnel sneeuwde ik het pand uit.

Werd ik achterna gezeten? Waren ze te verrast? Was ik te snel?

Ik kwam terecht in een nieuw veld van stadsdreun, duisternis, lichtorgels, geruis van water en ondanks het klonterige gevoel in mijn benen evolueerde ik immer voorwaarts gestuwd als was ik de haas van Baron von Münchhausen die zich op zijn vlucht plotseling op zijn rug draaide en over vier extra poten bleek te beschikken. Maar toen ik uiteindelijk geen snelheid genoeg meer ontwikkelde, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan. 

Ik bleef ook perplex staan.

Perplex bleef ik ook staan.

Maar het volgende ogenblik lag ik te gronde. In deze totaal wanordelijke en pijnlijke constellatie dook die rosse borstelsnor als constante op. Ik werd een schroeivlek op deze aarde, het voorwerp van gewelddadige aandacht, en toch, en toch, het vege lijf kan maar op één plek tegelijk pijn hebben. Verdomde pijn: ik belandde in een duister veld, een dreigend stratenplan dat ik niet herkende, het regende gloeiende sintels, en ondanks dat bereikte ik een troostende straat-zonder-einde die de Negende heette, de slagen en verwonderingen ten spijt. Maar toen ik toch helemaal op het einde kwam, werd ik vermoord op de hoek van de Negende en de Vijftiende Straat op de eerste avond van de Week van de Huilende Maan.

KWANTUM!

18-03-15

DE HANDEL WAARVAN GIJ SLAPTE VREEST

‘DE HANDEL WAARVAN GIJ SLAPTE VREEST’

Koning Fahd van Saudi-Arabië verliet medio zomer 2005 deze materiële wereld van gouden deurknoppen en champagnedouches. Hij ging de profeet Mohammed groeten, wiens doodskist tussen hemel en aarde zweeft. Ook de benzineprijzen stegen wat.

De dood van koning Fahd was een lelijke streep door onze boekhouding. Wij leverden immers al 23 jaar lang de geluidloze gordijnrails voor zijn paleizen en buitenverblijven (nou: het waren eerder binnenverblijven) wereldwijd. We hadden een patent op die dingen. En op nog andere zaken, waarover straks meer.

Ooit was dat contract opgemaakt hier in onze firma ROEVERSIL te R., hartje middenstands-West-Vlaanderen (Vermandere, Roeselare, Silence). Koning Fahd betaalde ons royaal, een koning waardig. Hij stipuleerde er ook een voorwaarde bij, zoals koningen wel eens vaker wensen plegen te uiten. We moesten ons één exemplaar van de Heilige Qor’aan aanschaffen en dit in onze logeerkamer deponeren, voor het geval hij ooit nog langs wenste te komen. Dat deden we dus. In de Standaard Boekhandel te Roeselare kochten we de Nederlands-Arabische versie. Het was een handig zakformaat. We brachten het onder op de nachttafel in onze logeerkamer, waar de gordijnen ook uitgerust waren met geluidloze rails van ROEVERSIL. Koning Fahd is in levenden lijve echter niet meer bij ons verschenen. Het bleef bij die ene, contractuele ontmoeting in onze firma alhier, 23 jaar geleden. We zagen hem wel af en toe op tv: een streng gedrapeerde heerser,  foureyes, die ogenschijnlijk weigerde ouder te worden.

(De geluidloosheid van onze gordijnrails even terzijde gelaten: dat Fahd een punt maakte van zijn gordijnen, verwonderde ons niet. Hij was zelf permanent omhuld en gedrapeerd. Zijn begrafenis bijvoorbeeld was een explosie van textiel).

De Heilige Qor’aan bleef onaangeroerd in de logeerkamer met de geluidloze gordijnrails liggen. Telkens we de vreugde smaakten gasten te hebben die aan overnachten toe waren, verstopten we het boek in een safe. Daarna legden we het terug, als een magneet voor Zijne Hoogheid Fahd. Helaas, nu was de man van ons heengegaan.

De wahabiet Fahd had een lawaailoos leven geleid. Hij kon over zoveel geld beschikken dat hij stilte kon kopen. Hoewel het er in de moslimwereld vrij rumoerig toegaat, en dit met een stugge regelmaat, heiligde koning Fahd de stilte. Daar heeft hij nu alsnog geen problemen meer mee. Tijdens zijn bestaan op deze aarde hielp onze firma hem daarbij. We hadden hem bijvoorbeeld nog andere opties voor te leggen, mocht hij ooit bij ons opgedoken zijn. Inventieve opties waren het, waarbij volumeknoppen overbodig waren: stille bubbelbaden (water in beweging kan zowel geruststellend als irritant zijn, cf. het geklater van een fontein dat net zo goed gekletter kan worden), stomme keukenrobots (een soort placebo’s voor eunuchen) en zelfs, via de bevriende firma ROVERO-WEST, geruisloze Rolls-Roycemotoren voor zijn mobiele vloot.  Waarschijnlijk had Fahd het verder te druk om op onze nieuwe voorstellen in te gaan.

Het was dus vooralsnog wachten geblazen op de halfbroer Abdullah, die het laatste decennium eigenlijk al de feitelijke heerser over Saudi-Arabië was, getuige daarvan diens buitenlandse zakenreizen. Zou hij een degelijke opvolging verzekeren en ook opteren voor geluidloosheid alom in zijn vertrekken, mochten de oude systemen aan vervanging toe zijn of mochten er nieuwe panden en verblijven ingericht moeten worden?

Ik zat die zomer toch ietwat met de tenen tegen elkaar, in mijn hoedanigheid van zaakvoerder van ROEVERSIL, dat 21 mensen tewerkstelde. Op een ‘onbewaakt’ ogenblik in de zomervakantie – de firma sloot drie weken lang haar deuren – sloeg ik de Heilige Qor’aan op een willekeurige bladzijde even open en ik las:

‘Zeg: “Indien uw vaders en uw zonen en uw broeders en uw vrouwen en uw verwanten en de rijkdommen die gij verkregen hebt en de handel waarvan gij slapte vreest en de woningen waarvan gij houdt, u liever zijn, dan Allah en Zijn boodschapper en het streven voor Zijn zaak, wacht dan, tot Allah met Zijn oordeel komt; Allah leidt het ongehoorzame volk niet”’.

(Attaubah, hoofdstuk 9, vers 24)

Ik wachtte dus.

Ik wachtte in alle stilte.

In de coma van diezelfde zomer nog slaagde ik erin met mijn rechterhand een vlinder te vangen. Dat gaf me recht op een wens, op voorwaarde dat ik hem weer vrij liet, richting Grote Geest, zoals bij de indianen. Zo gebeurde. Ik was op de hoogte van de vlinderlegendes: de Azteken beschouwden ze als teruggekeerde gesneuvelde krijgers, en in Bath Royal Theatre (Engeland) keerde de in 1947 tijdens de repetities gestorven regisseur op gezette tijdstippen in de vorm van een vlinder terug op de bühne. De vlinder bevatte dus een menselijke ziel.

Mijn gedachten vlinderden die namiddag ook even uit naar de periode van de vlinderjuwelen.

De associatie met deze luxeproducten deed zich natuurlijk voor via koning Fahd, zijn dure gewaden en zijn geluidloosheid.

Twee dagen later, ik zweer het u: twee dagen later zag ik op CNN hoe koning Abdullah een bezoek bracht aan het Butterfly Sanctuary in Kuranda, Australië.

Ik vreesde niet langer de slapte van mijn handel.

14-04-13

THE STORY OF MY STORIES

THE STORY OF MY STORIES

                                                                                                            ‘Happy people have no stories’

 

Mijn verhalen publiceer ik doelbewust digitaal. Voorheen verschenen die in papieren literaire bladen en magazines: DW&B, Yang, Nieuw Vlaams Tijdschrift, De Brakke Hond, De Gids, Hollands Maandblad, Lava, Gierik/NVT, Oikos, De Muur, Kreatief, Knack, Passionate, Digther, Apollo, Deus ex Machina, Diogenes, De Vlaamse Gids, Mens & Gevoelens, Kluger Hans, Writer's Block, De Tijdlijn, La Ligne de Temps… en in diverse bloemlezingen in België en Nederland.

Uitgevers zien doorgaans geen brood in de publicatie van verhalenbundels. Ze verkiezen de langere adem van de roman. Nochtans lijkt een verhaal de ideale literaire vorm te zijn in deze jachtige tijden, zowel voor de schrijver als voor de lezer. Vandaar mijn keuze. Terwijl de papieren verhalen in de literaire bladen en bloemlezingen ruimte in beslag nemen, vergelen, opkrullen, verstoffen, weggegooid, samengeperst of verbrand worden in de definitieve vorm die ze altijd hebben gehad, maar slechts zelden een ‘echt’ boek werden, leven mijn digitale verhalen eeuwig verder, niet onderhevig aan ruimte, tijd, zon, regen, wind, brand, Celsius, Fahrenheit, morskoffie, yoghurtblubber, mayonaisemalaise, theeterreur, verhuiswoede, scheurdrift, verlies, ketchupaanslagen, ouderdom… en met kansen op een update zo dat nodig blijkt te zijn.

Vergeef me deze laatste overloaded sentence, die eerder in een langdradige roman dan in een short story thuis lijkt te horen.  

PS Het beeldverhaal ROUGH & TOUGH is getekend door Michèle Millecamps en geschreven door ondergetekende:

Joris Denoo, aka Sjors DNO, voorheen Bärbel Urquhart, Eric Otonne, Geraldine Roslare, Erica Wrangel, Bjarne Donderdag, Marius Vanthomme.

Deze verhalen  zijn vreselijk. Dat slaat niet op de taal of de stijl. Men weze echter terdege gewaarschuwd voor de inhoud. Moord, brand, onthoofding, versnijdenis, verdwijning, bloeddorst, vleeshonger, wurging, bedwelming, ophanging, zelfverbranding, betovering, bedrog, verdwazing: de bloedstollende gebeurtenissen en hallucinante taferelen zijn schering en inslag. Zelfs de dieren gaan hier niet vrijuit.